MVV als voorbeeld voor Roda

De Limburger, 24 mei 2017

 

Wat een annus horribilis voor Roda JC. De club vecht deze week tegen degradatie in de nacompetitie – tegen aartsrivaal MVV. De kans is groot dat het aangeslagen huurlingenlegioen van Parkstad het volgend seizoen de eerste divisie wacht. In het andere geval overleeft Roda het degradatiespel en volgt een nieuw seizoen in de marge van de eredivisie.

Voor velen is Roda de Trots van het Zuiden; duizenden Roda-fans hebben de club de afgelopen maanden weer trouw hun steun gegeven. Dat nu opnieuw degradatie dreigt, is pijnlijk. Maar voetbal is vooral een miljoenenbal geworden, waarop kleinere clubs meedogenloos mee moeten dansen, happend naar adem.

Roda is daar een schrijnend voorbeeld van. De kunstgrepen die de directie de afgelopen tijd toepaste in een poging de club uit de gevarenzone te houden, zijn inmiddels historisch: verbijsterd zagen de fans een wilde noodinkoop van negentien nieuwe spelers aan – spelers die meestal snel weer ongeschikt bleken.

Er kwam een blinde jacht op nieuwe geldschieters. Ene Aleksei Korotaev, een Russische dertiger met een Zwitsers paspoort, ging de club redden. Miljoenen wilde hij in de club steken. Zomaar, uit het niets. Vragen over waar zijn geld vandaan kwam, ging de Rus uit de weg. En het Roda-bestuur slikte het, op één kritische commissaris na, die de bui zag hangen en opstapte als toezichthouder. Ook op de tribunes klonk gemompel: was dit niet te mooi om waar te zijn?

Het werd een klucht: de reddende Rus zit al sinds februari vast in Dubai, op verdenking van het uitschrijven van een ongedekte check van ruim 17 miljoen aan vage zakenpartners. Roda wist maandenlang van niets. Roda-directeur Wim Collard vond het niet nodig de Rus persoonlijk aan zijn jasje te trekken toen deze niet meer van zich liet horen.

Misschien komt de geldschieter weer vrij en vloeien de miljoenen alsnog naar de kas in Kerkrade. Maar de kans dat het om dubieus geld gaat is levensgroot – het onderzoek van de KNVB naar de bron ervan is nog steeds niet afgerond. Wil je als trotse club afhankelijk zijn van geld met een maffieus luchtje? Uberhaupt: van de grillen van onpeilbare zakenlui?

Wie een echt Roda-hart heeft, zegt nee. Het rampjaar 2017 is hét moment om schoon schip te maken en de tering nu eens eindelijk naar de nering te zetten. Daarvoor is een grote dosis realiteitsbesef nodig: Roda had jarenlang een te grote broek aan. De club leefde boven haar stand, met geld voor veel te dure, ondermaatse spelers van verre. Geld dat wanhopig uit allerlei hoeken en gaten bijeen werd geschraapt.

Roda moet de ambitie hebben een mooie, bescheiden regionale club te zijn met aansprekende talenten uit de streek, gemotiveerde jongens die weten waar Kerkrade ligt en die niet tonnen salaris vragen. Daarvoor zijn allereerst een andere directie en raad van commissarissen nodig. Mensen met de realiteitszin en bescheidenheid die past bij een arbeidersclub als Roda. Geen autohandelaren, luchtkastelenfabrikanten en andere bobo’s. Lui met echte voetbalkennis – dat oud-Rodatrainer Huub Stevens (‘het team was één warme familie, die ook nog presteerde’) nu gevraagd is, is een goed begin.

Het doet pijn, maar gelet op de permanente malaise van de afgelopen jaren is degradatie misschien wel het beste wat de club kan overkomen. Want dan moet er echt gesaneerd worden. Er is een mooi voorbeeld van hoe het daarna goed kan komen: MVV, de streekrivaal die na een reeks van labiele jaren weer met beide benen op betaalbare Limburgse bodem staat.

 

 

 

 

Reageer

De achilleshiel van Europa

De Limburger, 21 april 2017

 

‘De redding zal uit Parijs komen, of zij zal niet komen en de Frexit zal dagen.’ Noodkreet van Mathieu Segers in een van zijn columns voor het Financieele Dagblad. Onlangs ging ik naar een avond met deze knappe kop uit Limburg die van Europa zijn specialiteit maakte: hij is hoogleraar Eigentijdse Europese Geschiedenis en Europese Integratie aan de Universiteit Maastricht en auteur van boeken met veelzeggende titels: Waagstuk Europa, Europa en de terugkeer van de geschiedenis.

De veertigjarige Segers zat in een fauteuil maar leek er elk moment uit te kunnen springen. Met ingehouden, maar vulkanische energie vertelde hij over de complexe, spannende geschiedenis van de Europese integratie, over gepassioneerde, idealistische denkers en politici, over de miskleunen en de uiteindelijke successen van samenwerking – en wij, de luisteraars, werden gaandeweg doordrenkt van één gedachte: wat een ongelooflijk project, die Europese Unie, wat een waagstuk, wat een tour de force! Hoe komt het dat we dit voor kennisgeving hebben aangenomen, beschouwen als de normaalste zaak van de wereld? Waarom horen we hier niet over in spotjes op radio, tv, sociale media? Spotjes met korte verhalen, fragmenten historie, over de rol van de Nederlander Max Kohnstamm bijvoorbeeld, die, getekend door de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog, in het project van de Europese integratie de redding van de Europese landen zag: nooit meer oorlog, nooit meer armoede, luidde zijn credo – want armoede had de kiem voor het fascisme gelegd.

Maar, zegt u meteen, wat hebben de verliezers van de internationalisering hier eigenlijk aan? Al die mensen die in kleine Europese stadjes wonen waar de oude industrie is vervallen en waar weinig oude, zekere werkgelegenheid is? Mensen die baat hadden bij vertrouwde voorzieningen, verenigingen, bij bakker, postkantoor en bus, en nu zijn geïsoleerd, en op zichzelf aangewezen? Die veel hulp zien verdwijnen naar nieuwkomers met wie ze geen band hebben? Die, net als die nieuwkomers, niet weten hoe ze het moeten aanpakken: werk creëren, vinden?

Zij zijn de achilleshiel van Europa – want juist deze mensen zijn boos op de EU, die in hun ogen alle ellende veroorzaakt heeft. En wat gebeurt er? In plaats van het monster in de bek te kijken en de knapste koppen in te zetten om tot een praktische aanpak te komen voor een beter Europa voor de verliezers, nemen gevestigde partijen de euroscepsis van de populisten over, enkel om deze verliezers als kiezers te paaien, niet om iets voor hen te doen.

Segers noemt dit ‘een fatale vorm van doen alsof’: geen echte oplossingen aandragen, constructieve internationale samenwerking ontwijken – want die is ineens verdacht. Terwijl iedereen weet dat oude tijden niet terugkeren, dat de wereld een octopus is en de tentakels van China tot in het heuvelland reiken, die van Rusland tot in de Franse campagne. ‘Het zijn vooral ideeën en moraal die nu gevraagd worden: une certaine idee de l’Europe’, zoals Segers schreef. Wat we nodig hebben is een vergezicht, waarin ‘de sociale kwestie’ weer zichtbaar wordt, zoals de Franse architecten van de Europese integratie ooit benadrukten: internationale handel en stabiliteit moesten hand in hand gaan met het verkleinen van sociale ongelijkheid.

Met de Franse presidentsverkiezingen voor de deur staat de toekomst van de EU op het spel. Die toekomst zit in het vermogen van Europa om de kloof tussen de winnaars en de verliezers van de Europese integratie te dichten met concreet beleid. Dat kan alleen door Europa te zien als de oplossing, niet als het probleem. Daarin zou Frankrijk opnieuw leidend kunnen zijn. Er is in Frankrijk maar één kandidaat die dat nastreeft: Emmanuel Macron. En Marche!

 

 

 

 

Reageer

Radicalen zijn zout in de pap

De Limburger, 25 maart 2017

 

‘In de wij-samenleving is voor iedereen plaats, ook voor mensen met hele radicale opvattingen over de samenleving. Want juist zij kunnen sommige veranderingen bespoedigen. Als er geen radicale opvattingen waren geweest, dan waren we nu niet waar we nu staan.’

Een uitspraak van een vrijzinnige columnist die politici bij de les wil houden? Nee, van de burgemeester van Rotterdam, Ahmed Aboutaleb. Zie ik het goed, of is Aboutaleb, een moslim, momenteel de meest interessante leider in ons land? Met stijgende verwondering keek ik naar Aboutaleb in ‘De wij-samenleving’, een aflevering van het tv-programma Tegenlicht van de VPRO. Daarin werd geschetst hoe Aboutaleb omgaat met de gespannen verhoudingen in de Rotterdamse gemeenteraad en in de stad.

Enerzijds heb je er de ‘Leefbaren’, die zeggen voor de ‘gewone’ Rotterdammers op te komen die zich in hun eigen wijk niet meer thuisvoelen. Anderzijds is er Nida, een nieuwe, door de islam geïnspireerde partij die consequent spreekt over Rotterdammers als het gaat over mensen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond – uit verzet tegen het aanpakken van problemen langs etnische lijnen. Bovendien: meer dan de helft van alle Rotterdammers heeft een niet-westerse afkomst.

In de gemeenteraad gaat het er fel aan toe; Aboutaleb blijft kalm en luistert. Hij besloot na de terreuraanslagen in Parijs consequent te spreken van de ‘wij-samenleving’: burgers mogen alle mogelijke opvattingen hebben, maar moeten wel de dialoog aangaan. Het bediscussiëren van radicaal verschillende opvattingen heeft Aboutaleb tot inzet van zijn beleid gemaakt. Hij organiseert geregeld bijeenkomsten waar mensen hun zorgen kunnen uiten en waar iemand niet bij voorbaat de mond wordt gesnoerd door hem weg te zetten als racist, populist of fundamentalist. ‘Het mot eruit, anders krijg ik een maagzweer,’ aldus een oudere Rotterdamse Leefbaar-stemmer.

Zoals de ‘Leefbaren’ in 2002 massaal de PvdA verlieten, zo hebben nu de ‘allochtonen’ van Nida de PvdA de rug toegekeerd. ‘We laten ons niet meer als stemvee gebruiken,’ aldus een Nida-stemmer. Partijleider Nourdin El Ouali vertrok zelf bij Groen Links, omdat hij zich niet meer gehoord voelde door de gevestigde linkse partijen. Hij vindt dat links een gematigd-rechts verhaal brengt en te weinig hardop zegt dat migranten een verrijking voor de samenleving zijn.

Nida heeft inmiddels twee zetels, maar ziet zichzelf anders dan DENK als een partij met een verbindende agenda. De Leefbaren, op hun beurt, wensen zich te onderscheiden van de PVV, die ze veel te extreem vinden. Met succes, want anders dan de PVV is het Leefbaar Rotterdam gelukt om een echte bestuurderspartij te worden.

Waarom vertel ik dit allemaal in een Limburgse krant? Omdat ik vind dat de circa twintig procent Limburgse kiezers die op de PVV stemden niet simpelweg kunnen worden weggezet als racisten en extremisten, maar moeten worden bevraagd naar wat hen zorgen baart. De PVV-stemmer is here to stay. Omdat hij een radicaal tegengeluid wil laten horen, dat blijft zolang hij zich niet gehoord voelt. Net zoals de mannen van DENK hun radicale opvattingen als tegengeluid in de Kamer zullen laten klinken. In Roermond, de woonplaats van mede-oprichter Selçuk Öztürk, kreeg Denk 4,1 procent van de stemmen, terwijl de PvdA daar op 4,0 bleef steken.

Net zoals Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren het dierenwelzijn en de vleesconsumptie op de agenda kreeg door een radicaal volgehouden eigen visie, zo zullen nieuwe radicale partijen de gevestigde politiek dwingen tot nadenken over onderwerpen die hen zelf in hun bubbel niet treffen. Ik hoop dat voldoende PVV kandidaten zich zullen melden voor de gemeenteraadsverkiezingen van volgend jaar. Of voor een nieuwe partij – Leefbaar Limburg? Zonder radicalen geen verandering.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reageer

Van jou is alleen je broek versleten!

De Limburger, 10 maart 2017

 

‘Interessant stuk, maar hoe moeilijk is zo’n ogenschijnlijk eenvoudige opdracht!’ Verzuchtte een lezer die ‘Limburger, kom uit je bubbel’ had gelezen (15 februari). Hij was niet de enige. In dat betoog daagde ik de lezer uit om eens in gesprek te gaan met iemand buiten je eigen bubbel. Maar ja, hoe pak je zoiets aan, hoe kom je uit je behaaglijke kring van gelijkgezinden? En wat levert het op?

Een 65-jarige elektromonteur reageerde en diende zich zodoende aan als gesprekspartner voor buiten mijn eigen bubbel. Hij werkt in een volcontinu rooster en schrijft: ‘Mijn gevoel is dat veel mensen zich bedonderd voelen, omdat de regels hier gemaakt worden door mensen die veel theoretische kennis hebben, tot hun tachtigste kunnen blijven werken, maar dan niet meer versleten hebben dan het achterwerk van hun broek, net zoals jij.’ Hij voegt eraan toe: ‘Stratenmakers, bouwvakkers of dakdekkers zie ik niet tot 67-plus werken.’

Diezelfde theoretici houden zich bezig met de vluchtelingenproblematiek, schrijft hij. ‘Er zijn onder de “vreemdelingen” veel goede mensen maar onder de jongeren verhoudingsgewijs veel rotte appels (ik zit dagelijks in de trein en maak hen vaak mee) waarmee een discussie niet te voeren is.’ Op mijn vraag of hij weet wat hij gaat stemmen, antwoordt hij: ‘Ik heb altijd op de PvdA gestemd en zal dat weer doen. Wat ik ervan verwachten moet of kan, weet ik niet. Wel hoop ik dat men in de toekomst eerlijker zal zijn, dat verdienen de mensen.’

‘Wat jij voorstelt in je stuk, doe ik zelf al langer,’ reageert een andere lezer uitdagend. ‘Mensen uit het azc hier in Venlo, die nu in Eindhoven wonen, zijn vrienden geworden.’ Desondanks knaagt bij haar de twijfel. ‘Geert komt op voor onze identiteit. Ik wil niet op de PVV stemmen, maar steeds opnieuw komt de twijfel.’ Ze raakt daarbij aan een essentieel punt: ‘Iemand opzoeken uit een andere cultuur haalt dat gevoel niet weg. Want één op één is bijna iedereen een normaal, aardig mens.’

Ze legt uit: ‘Onze beste werknemer was onze bedrijfsleider (wij hebben een glastuinbouwbedrijf gehad), een Marokkaan. In 2009 zijn wij gestopt met actief tuinen, maar met Ahmed hebben we nog steeds contact. Voor mij telt het niet welke nationaliteit iemand in zijn of haar paspoort heeft staan, als mensen in hun wezen goed zijn en in onze samenleving mee willen doen, zijn het goede mensen.’ Ze voegt eraan toe: ‘Ik hoop niet dat je begrepen hebt dat ik PVV ga stemmen. Als ik dat al overwogen had, dan zijn de Amerikaanse toestanden voldoende om mij terug te fluiten. Ik heb jaren VVD gestemd, deze keer zal het, denk ik, 50 Plus worden.’

‘Ik heb geen goed nieuws voor je,’ schrijft een lezer uit het Limbrichterveld in Sittard. Hij heeft zich in de bewonerscommissie sterk gemaakt voor een fatsoenlijke renovatie van de buurt. ‘Bij mij achterom wonen alleen Limburgers die in de Jumbo al hun neus ophalen voor het kleurrijke personeel,’ schrijft hij. Op het koffieterrasje hoort hij hoe de mensen praten: ‘Dat het steeds erger wordt en hoog tijd dat er iets gaat gebeuren.’ En: ‘Weet je, die doen toch allemaal wat ze willen.’ Van Wilders en Trump liggen ze niet wakker, schrijft hij. ‘Het heersende gevoel is: die jongens verdienen een kans, laat hen het maar eens proberen.’

Hij heeft moeite met de slachtofferrol die lager opgeleide mensen wordt toebedeeld. ‘Mij baart de verontrustende onverschilligheid grote zorgen,’ schrijft hij. ‘Ik vind dat de ‘gewone mensen’ die jij bedoelt ook bekritiseerd moeten worden.’

 

 

 

 

 

Reageer

Limburger, kom uit je bubbel

De Limburger 15 februari 2017

 

‘De vraag is niet: wie zijn wij? De vraag is: wie willen we zijn.’ Aldus NRC-columnist Bas Heijne in Staat van Nederland, zijn pleidooi in de aanloop naar de verkiezingen. Heijne pleit in zijn boekje voor een nieuw engagement, voor een streven van politici en burgers om verder te kijken dan de partijprogramma’s en in debat te gaan met mensen buiten je eigen groep, je eigen bubble.

Nu de verkiezingen naderen zou ik de vraag van Heijne op Limburg willen betrekken. De vraag is niet: wie of wat is Limburg(s)? De vraag is: wie of wat willen we als Limburgers zijn? Toen ik zelf, Heerlenaar, na vijfentwintig jaar omzwervingen in de Randstad, Afrika en China vier jaar geleden neerstreek in Maastricht, kwam ik terecht in een veel opener, internationaler en zelfbewuster Limburg dan ik verwachtte. Ik geef les aan internationale studenten, mijn kapper is Roemeens, die van mijn eega Syrisch, bij de Albert Heijn om de hoek wordt in het Engels en Duits gekletst en van de nieuwe vrienden en kennissen die ik heb gekregen spreekt een deel Engels of met een harde g. In overleg, valt me op, laten mensen hun stem gelden en geven unverfroren hun visie of mening.

Maar wat zegt dit eigenlijk? Dit zegt toch vooral dat ik een goed opgeleide kosmopoliet ben die zich begeeft in kringen van gelijkgezinden. In Mariaberg zul je me niet snel tegenkomen, noch op de Heerlerbaan of in Venlo-Noord. De nieuwe, 21ste eeuwse Limburger bestaat dus niet; ‘de’ Limburger heeft wat mij betreft nooit bestaan. Dat er een vastomlijnde Limburgse identiteit zou zijn die Limburgers samenbrengt, verenigt, is niet alleen een illusie, maar vooral nogal onvruchtbaar. Beter lijkt het me om een voorstel te doen voor wat we nastreven in Limburg. Hoe creëren we een bedding waarin iedereen zich gezien voelt? Want dat er grote groepen zijn die zich ongezien weten, miskend voelen, hoef ik niemand te vertellen. Wat gaat dit betekenen? Gaan we straks opnieuw het voortouw nemen in de PVV-stem, zoals in 2010, toen een op de vier Limburgers op Wilders stemde?

Op miskenning – een karakteristiek die direct is terug te leiden tot de geschiedenis van de provincie – hebben Limburgers allang geen patent meer. ‘Steeds meer mensen,’ schrijft Heijne in Staat van Nederland, ‘met heel verschillende achtergronden hebben het gevoel dat ze door de samenleving niet als volwaardig worden gezien, dat ze niet echt mee mogen doen, of dat er op hen wordt neergekeken.’ Het stemrecht, partijprogramma’s gaan daar geen verandering in brengen. Wat dan wel?

Vorig jaar liep er rond deze tijd in Maastricht een opmerkelijk project: Common Carnaval, een tijdelijke carnavalsvereniging, opgericht om nieuwkomers in de stad, van studenten tot vluchtelingen, actief te verbinden met bewoners. Er vond onder meer een ontmoeting plaats tussen vluchtelingen uit de ‘Raad van Elf’, onder wie de Syrische Prins Ali, en leden van Buurttheater Mariaberg. Over en weer werden de gevoelens op tafel gelegd, werd het hart gelucht – van de werkloosheid en armoede in Mariaberg en de argwaan tegen asielzoekers tot de angst van vluchtelingen om voor crimineel te worden aangezien. Zoals een van de leden van het Buurttheater opmerkte: ‘Je spreekt elkaar niet, he? Wij worden gebombardeerd met negatieve beelden van asielzoekers, maar we zien nu dat het gewone mensen zijn.’

Het antwoord ligt in ontmoetingen met mensen voor wie je angst, afkeer voelt. Mensen die anders denken dan jijzelf. Dat vraagt inlevingsvermogen en moed, meer moed dan ‘zeggen waar het op staat’. Ik stel voor dat iedereen voor 15 maart zorgt voor een ontmoeting met iemand die je totaal niet ziet zitten, met wie je het volslagen oneens bent. Praat met iemand die alle politici zakkenvullers vindt en al jaren niet meer stemt. Zoek een bijeenkomst op van (oud)vluchtelingen en informeer naar de toekomstplannen van een Syrische jongere. Loop naar een groepje jongeren in een wijk waar je nog nooit geweest bent en vraag eens naar hun dromen. We hebben nog een paar weken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reageer

In Nederland

petra-deStemming-L1-InNederland-klein

DOKTER ZJIVAGO

[De Stemming, L1, 19 juni 2016]

Toen ik nog in Shanghai woonde, droomde ik van een bezoek aan de boekhandel. Ik zag mezelf Athenaeum Boekhandel in Amsterdam binnenstappen en een grote stapel boeken afrekenen. In Shanghai heb je natuurlijk ook boekhandels, zoals de Xinhua boekhandel, een pand van zeven verdiepingen, waar iedereen verdiept is in de Chinese karakters.

Op de bovenste verdieping is ook een hoek met Engelstalige boeken. Die zijn op geheimzinnig-Chinese wijze gerangschikt, zodat je Shakespeare aantreft naast Carson McCullers en Salman Rushdie naast Walt Whitman. Pas nu, achteraf, blijkt dit de perfecte manier om boeken te aan te schaffen die je niet wilde kopen, maar waar je later heel erg blij van wordt – klassiekers als The Great Gatsby, The old Man and the Sea, en Catch 22.

Toentertijd was ik me niet bewust van de rijkdom van deze gang van zaken, gebrand als ik was op een bezoek aan een boekhandel met de laatste nieuwe boeken, vers van de pers. Op het moment dat ik, tijdens een vakantie in Nederland, dan eindelijk zo’n boekhandel binnenliep, werd ik zo overweldigd door al die nieuwe boeken die me toeschreeuwden en aanstaarden, dat ik uitgeput en met lege handen naar buiten kwam.

In mijn rijke Shanghaise boekstapel vond ik laatst de klassieker To Kill a Mockingbird, het beroemde boek van de Amerikaanse schrijfster Harper Lee uit 1960, twee jaar later een filmklassieker met Gregory Peck in de hoofdrol.

Tot mijn verbazing bleek bij lezing dat driekwart van het boek helemaal niet gaat over Atticus Finch, de advocaat die een onschuldige zwarte man verdedigt, maar over zijn achtjarige dochter Scout Finch, een stoer, intelligent meisje, een kleine rebel die opgroeit in het Alabama van de jaren dertig, en die met messcherpe blik haar omgeving bekijkt: het kleingeestige, benauwende dorpsleven tijdens de crisisjaren, de armoede, de klassenverschillen en de rassenscheiding.

De grote kracht van het boek bleek te liggen in het gekozen perspectief, een terugkijkende ik-persoon, waardoor de lezer zowel met de argeloosheid en onschuld van de jonge Scout meekijkt, als met de oudere Scout die de gebeurtenissen in het perspectief van de geschiedenis van Alabama plaatst. Een prachtig boek, maar om hele andere redenen dan ik dacht.

Mijn Shanghaise boekenstapel slinkt en de zomer is in aantocht. Gelukkig heb ik een recensie bewaard van een provinciegenoot die alles weet van Russische kunst en literatuur: Sjeng Scheijen. Het is een recensie uit De Volkskrant over de nieuwe vertaling van Dokter Zjivago, de Russische klassieker van Boris Pasternak uit 1958, en beroemd vanwege de gelijknamige film met Omar Sharif en Julie Christie.

Scheijen zegt dit over het boek: Het is een monumentale roman die een wereldbeeld representeert waarin menselijke relaties belangrijker zijn dan economische; een complex boek met allerlei parallelle plots, een complexiteit waarmee Pasternak onderstreept dat de werkelijkheid zich niet laat rationaliseren, maar moet worden beleefd en gevoeld.

Voor deze zomer ligt het 652 pagina’s dikke Dokter Zjivago klaar. Het wordt een onverwachte leeservaring, dat is zeker volgens Scheijen. De slotwoorden van zijn recensie luiden: ‘Doe de telefoon uit, breng de kinderen bij oma en opa. Steek een kaars aan en lees Zjivago. Geluk is mogelijk, maar je moet het willen.’

En met deze woorden wens ik u een prachtige zomer.

[luister hier naar de column in de radiouitzending De Stemming]

Reageer

In Nederland

HARRIE

[De Stemming, L1, 29 mei 2016]

Een paar weken geleden betoogde een van de gasten hier aan tafel dat er te weinig aandacht is voor goed nieuws. Toch zijn veel media er al enige tijd van doordrongen dat positieve, bemoedigende verhalen beter scoren bij de lezers dan negatieve.

Ook dagblad De Limburger is zich daarvan bewust. Zo bekommert de krant zich met enige regelmaat om de kwetsbare medemens. Series verhalen over ouderen, kinderen en zwakkeren die buiten de boot dreigen te vallen en toch doorzetten, laten zien dat de krant middenin de samenleving wil staan, met het hart op de juiste plaats.

Afgelopen vrijdag voegde De Limburger een bijzondere categorie toe aan de groep kwetsbare Limburgers die best ’ns in het zonnetje mogen worden gezet: de Zuid-Limburgse penose. Bandido-president Harrie Ramakers, woonachtig in Nieuwstadt, prijkte pontificaal op de voorpagina, compleet met presidentshesje en Bandidosketting. ‘GEKETEND’ luidde de opening krant.

Arme Harrie wacht nu al een jaar op z’n proces. Precies een jaar geleden werd hij in z’n onderbroek afgevoerd en nu zit hij thuis te kniezen. Al z’n spaarcentjes stak hij in z’n Harley, en nou hebben ze z’n motor in beslag genomen. Een biker zonder motor, piept Harrie, is als een cowboy zonder paard.

Harrie is heus geen pieper, zegt hij tegen De Limburger. Want echte bikers piepen niet. Maar van de krant mag Harrie vier pagina’s ongestoord volpiepen – vier! Rijkelijk gelardeerd met beelden van Harrie’s getatoeëerde lijf. Zoveel pagina’s kreeg zelfs Jos Verstappen, de trots van Limburg, niet.

Wat piept Harry? Dat het zo oneerlijk is dat hij zijn motorvrinden niet meer mag zien. Dat hij in de sportschool met de nek wordt aangekeken. Dat het allemaal laster is van het Openbaar Ministerie dat hij zich inliet met drugs, afpersing of wapens.

Ja, hij is wel eens veroordeeld wegens wapenbezit, maar dat zegt niks, want politie en justitie, dat zijn een stelletje onnozele Heini’s, en burgemeersters een stel domme dorps-sheriffs. Ze zijn allemaal jaloers op hem, op het vrije leven van de brothers – de Bandidos, man, dat is de Champions League van de motorclubs!

Enfin, Harrie is in wezen dus een hartstikke goeie peer, die zich in het dagelijkse leven bezighoudt met z’n pitbull, z’n Mechelse herder en z’n exotische vogels. Want Harry, 52 jaar, zit al jaren in de WAO en heeft verder niks omhanden.

Wat Harrie ongeschikt maakt om te werken, komen we niet te weten. Bij verhalen over kwetsbare provinciegenoten vind je meestal een kadertje waarin een en ander wordt geduid: achtergronden, cijfers, feiten.

Bij het verhaal over Harrie niets van dat alles. Geen helder internationaal kader met informatie over het criminele verschijnsel waar types als Harrie deel van uitmaken. De praktijk leert dat motorclubs vaak fungeren als dekmantels voor georganiseerde misdaad. Daarom worden ze nu verboden in landen als Duitsland.

Duitsland – op een steenworp afstand van Harrie en zijn maten in Nieuwstadt. Wat is de achtergrond van de harde aanpak in ons buurland, wat zijn de criminele feiten die eraan ten grondslag liggen en hoe precies willen onze buren hun Harries aanpakken?

De lezer komt het niet te weten. En zo wordt Harrie een empathisch goed- nieuws-verhaal dat nooit in die categorie had moeten vallen. Een criminele vijftigplusser is geen kwetsbare bejaarde.

[luister hier naar de column in de radiouitzending De Stemming]

Reageer

In Nederland

HEERLEN & HET MODERNISME

[De Stemming, L1, 8 mei 2016]

Is het nou eens afgelopen met de nostalgie rond die klotemijnen? Zo luidt de titel van een van de verhalen uit de onlangs verschenen bundel Wilde Flora – een bundel met 26 verhalen uit en over Limburg, uitgegeven door Uitgeverij Leon van Dorp in Heerlen. Is het nou eens afgelopen met de nostalgie rond die klotemijnen is een prachtverhaal van Peter Lenssen, die eerder al een roman over het mijnverleden schreef.

Drie vrienden zitten op een terrasje op het Pancratiusplein, onder de rook van de Pancratiuskerk. Ze zijn al aardig in de olie en hun verhalen komen flink op stoom. Een van de drie vertelt in zinderende bewoordingen over zijn familie van drie generaties mijnwerkers: zijn overgrootvader, een boerenknecht die naar de mijn trok en verongelukte op zijn eerste werkdag. Zijn grootvader, die onder druk van de kerk eveneens mijnwerker werd en op 38-jarige leeftijd sneuvelde bij een ontploffing. En zijn vader, die het langer uithield, en die tot zijn dood elke avond aan de zuurstof lag.

Dit is de erfenis van de mijnen in Zuid-Limburg. Over de rug van duizenden arbeiders werd Heerlen een van de rijkste steden van Nederland. Over de vloek van die monocultuur is inmiddels veel gezegd. Over de zegen veel minder. Heerlen laat nu met twee tentoonstellingen zien wat er sinds de jaren dertig van de vorige eeuw gebouwd werd dankzij dat zwarte goud. In Schunck is ‘Mies en de erfenis van het modernisme’ te zien, over de invloed van Bauhaus-architect Mies van der Rohe; in het Stadhuis wordt de relatie tussen Heerlen en het Stedelijk Museum in Amsterdam in beeld gebracht.

Heerlen werd een stad in de voorhoede van het modernisme. De bekendste architect in de regio werd Frits Peutz, die niet alleen Schunck en het Stadhuis bouwde, maar ook het Royal Theater en de Stadsschouwburg. Maar er is veel meer. In en om Heerlen liggen meer dan 100 modernistische gebouwen. 41 van die gebouwen zijn te zien in de buitenvitrines van Schunck.

Daaronder vallen ook woonwijken en winkels uit de jaren zestig: Vrieheide, de woonwijk Welten, winkelcentrum ’t Loon, allemaal ontworpen door Peter Sigmond, een architect uit Boedapest die in 1956 Hongarije was ontvlucht. Sigmond was de architect van de wederopbouw, een man die bouwde met vooruitgangsoptimisme: ook voor de gewone mensen moest er licht en ruimte zijn.

Die modernistische erfenis van Heerlen is goud waard en kan een publiekstrekker worden, zeker als straks het Maankwartier klaar is.
Er moet een plek komen waar die erfenis permanent zichtbaar wordt gemaakt. Ik stel voor dat die plek het Stadhuis van Peutz wordt. Dat prachtige, merkwaardige Stadhuis, waar nu doodse stilte heerst en de dienstdoende ambtenaar verstoord opkijkt als je er als bezoeker voor de deur staat.

Peutz had met zijn Stadhuis, of Raadhuis, een multifunctioneel gebouw in gedachten, waar plaats zou zijn voor exposities, muziek en debat. Nu Heerlen de stad wil promoten onder de noemer Urban, is het tijd voor een daad. Jaag de ambtenaren het Stadhuis uit en creëer een Urban Centre, met plaats voor de modernistische erfenis van Heerlen, voor een Grand Café, voor muziek en debat, en eindelijk eindelijk een terrasje op het Raadhuisplein. Ja, laat het nou eens afgelopen zijn met de nostalgie rond die klotemijnen.

[luister hier naar de column in de radiouitzending De Stemming]

Reageer

In Nederland

HET GELUK VAN BEMELEN

[De Stemming, L1, 17 april 2016]

Als u de kans krijgt, moet u via ‘L1 Uitzending Gemist’ de documentaire ‘De bewakers van Bemelen’ van filmmaker Hans Heijnen zien. Het is een film over de nadagen van het traditionele dorp Bemelen, vlakbij Maastricht. Een dorp met een harmonie, een kerk, een voetbalclub en een Raad van Elf, van verenigingen die bestaan bij de gratie van de laatste dorpsfiguren.

Tot die dorpsfiguren behoren Pierre en Willy Pittie, twee broers van in de zeventig, die nooit getrouwd zijn en nog steeds in hun ouderlijk huis wonen. Pierre en Willy hebben het druk in hun dorp. Ze dweilen de kleedlokalen van het voetbalhonk, schenken thee tijdens een bijeenkomst van de vogelwerkgroep, harken mee met de schoffelwerkgroep en brengen bezoekjes aan zieke en zwakke dorpsgenoten.

Vijfentwintig jaar geleden won Willy Pittie een auto in de Duitse lotto. De wagen staat trots voor de deur, een glanzend gepoetste rode Audi. Op de vraag wat hij zou doen, mocht hij op een dag een miljoen winnen, antwoordt Willy: ‘Niks….niks….alles zo laten als het is.’ Ook broer Pierre vindt het leven goed zoals het is. ‘Ik wil graag dat alles hetzelfde blijft,’ zegt hij, al geeft hij toe dat er ‘soms gewoon iets moet gebeuren.’

Pierre en Willy zijn vertegenwoordigers van wat de meeste mensen niet meer kennen: intense tevredenheid met het hier en nu, met het eigen leven in de eigen omgeving. Het leven is goed zoals het is. Droog constateert Pierre dat hij waarschijnlijk nog zo’n 3000 dagen te leven heeft. Willy leest elke dag de overlijdensadvertenties en merkt op: ‘Zolang je er zelf niet bijstaat, gaat het nog goed, he?’

Net voordat je als kijker de kans krijgt om het oude dorpsleven te gaan bejubelen: de gemeenschap, de zorg voor elkaar, het genieten van een eenvoudig leven zonder gejaagdheid, doen de zwakke karakters van het dorp hun intrede. Mensen die nauwelijks van de bank afkomen, wier leven al vijftig jaar stilstaat, wier gesprekken zo schraal zijn geworden, dat je als kijker ongemakkelijk begint te schuiven, dat je je begint te schamen.
Geen nostalgisch portret dus van een mooi, uitstervend dorp, maar een portret van mensen die zich weliswaar veilig bij elkaar voelen, maar bij wie ook nieuwsgierigheid en verlangen lang geleden gedoofd zijn. De kijker die hoopte in het oude dorp een antwoord, een weerwoord te vinden op de rat-race waarin hij zichzelf bevindt, komt dus bedrogen uit.

Wat dan?, vraagt die kijker zich af. Wat is dan het alternatief voor het leven waarin permanent gerend wordt, waarin meer uren gemaakt moeten worden voor hetzelfde of zelfs minder geld, waarin de vrije tijd opgaat aan opvoeding, mantelzorg en huishouden, waarin alles geagendeerd is en niets meer kan bloeien door simpelweg te fröbelen en niets te doen.

De ondraaglijke platheid van het bestaan, noemde schrijfster Sana Valiulina het onlangs zo treffend in NRC Handelsblad. De mens als economisch wezen, een grondstof in de neoliberale economie, een resource waarmee winst gemaakt wordt. Geen wonder dat er mensen zijn die het niet meer kunnen bijbenen en die vooral een emotie hebben: boosheid.

Aan de broers Pierre en Willy Pitty is de beker van het hedendaagse leven voorbij gegaan. Zij schoffelen, schenken thee en maken af en toe een ritje in hun glanzend-rode wagen.

[luister hier naar de column in de radiouitzending De Stemming]

Reageer

In Nederland

FERRAN ADRIA IN MAASTRICHT

[De Stemming, L1, 27 maart 2016]

Twee Catalanen waren afgelopen week in het nieuws. Eerst Ferran Adria, die de beste kok ter wereld genoemd wordt en die dankzij Marres -Huis voor Hedendaagse Cultuur- een bezoek bracht aan Maastricht. En toen Johan Cruijff, voor velen de beste voetballer ter wereld.

Johan Cruijff leidde jarenlang het beste voetvalteam ter wereld, FC Barcelona, Ferran Adria het beste restaurant ter wereld, El Bulli aan de Costa Brava, niet ver van Barcelona.

El Bulli werd bekend als het restaurant waar je een half jaar van te voren moest reserveren. Waar je in plaats van een voor-, hoofd- en nagerecht een stroom aan kleine gerechtjes geserveerd kreeg, elk een volledig nieuwe culinaire uitvinding. Een uitvinding die niet alleen om smaak draaide, maar om een totaalsensatie van mond, neus, ogen en oren. Een beleving.

De meesterkok experimenteerde erop los met alle mogelijke ingredienten en technieken – Das Parfum van Patrick Suskind was zijn inspiratie.
Dat hij daarbij ook chemische processen en poeders inzette, lag in de lijn van zijn totale overgave, of moet je zeggen monomanie, aan het scheppen van nieuwe sensaties, van ‘creatieve emoties’ zoals hij het zelf noemt.

Het leverde twee van zijn befaamdste gerechten op: de Verdwijnende Ravioli en de Sferische Olijf. De Verwijnende Ravioli is gemaakt met Japanse obulato, een soort suikerpapier dat oplost zodra het in je mond landt; de Sferische Olijf is een kunstmatig geconstrueerde olijf gevuld met olijfsap die juist in je mond ontploft.

Die olijf werd een van de exemplarische gerechten van wat de moleculaire keuken ging heten, een keuken die naar verloop van tijd -en in de handen van minder vaardige koks- uitmondde in een karikatuur van zichzelf: een kille, technische keuken, alleen nog gericht op de ontwikkeling van spectaculaire noviteiten.

Ferran Adria was in Maastricht om te koken, te praten en handtekeningen uit te delen. In Centre Ceramique ging hij in dialoog met het publiek. De superkok bleek een kleine, beminnelijke Spanjaard, die van alle vragen lange, gepassioneerde monologen maakte, waar voor het grootste deel geen touw aan vast te knopen was. Niemand die er aanstoot aan nam: hier sprak een genie.
Aan wie doet u dit denken?
Precies, aan Johan Cruijff, het grote idool van Adria. Als kind wilde hij voetballer worden en Cruijff was zijn held. Het verhaal gaat dat Adria Cruijff ooit om een handtekening vroeg.
Stelt u zich voor hoe dat gegaan is:

Cruijff: Vaak moet er iets gebeuren, voordat er iets gebeurt.
Adria: Je raakt geprikkeld en dat is dat.
Cruijff: Er is maar één moment dat je op tijd kunt komen. Ben je er niet, dan ben je óf te vroeg, óf te laat.
Adria: Want als je over de rand gaat, dan wordt het niks meer, dus je moet tot aan de rand gaan.
Cruijff: Je moet schieten, anders kun je niet scoren.
Adria: Het moet exploderen, niet plakken.
Cruijff: Je moet een gat laten vallen en er dan zelf inlopen.
Adria: Je moet niet iets doen, je moet creëren.
Cruijff: Maar ja, je gaat het pas zien als je het doorhebt.
Adria: Precies! Pas als je er goed over nadenkt, gaat het goed.

Met andere woorden: voetbal is geen oorlog, maar koken.

[luister hier naar de column in de radiouitzending De Stemming]

Reageer

« Vorige pagina« Vorige items « Vorige pagina · Volgende pagina » Volgende items »Volgende pagina »