De illusie van een romanticus

De Limburger, 19 april 2019

De Belgische premier heeft onlangs excuses gemaakt voor de manier waarop kinderen uit gemengde relaties in de voormalige koloniën – Congo, Rwanda en Burundi – zijn behandeld. Uit vrees voor rassenvermenging werden de kinderen in de jaren vijftig bij hun zwarte moeders weggehaald en naar België gestuurd. Daar kwamen ze terecht in weeshuizen en bij adoptiegezinnen. Ze hebben nooit de Belgische nationaliteit gekregen en waren statenloos. Veel kinderen weten nog steeds niet wie hun moeder is.

In een interview met NRC zegt een van hen, de 71-jarige filmmaker Georges Kamanayo, dat hij zijn moeder vond na een zoektocht van tien jaar, zonder enige medewerking van de Belgische overheid. Hij moest het zelf maar uitzoeken. Hij maakte er in 1999 een documentaire over, waarin hij vertelt hoe zijn moeder afstand van hem deed door een document te tekenen dat ze niet kon lezen. Hij was dertien jaar toen hij in België arriveerde.

Kamanyano is al sinds 1974 bezig met lobbyen voor erkenning. Niemand wilde het verhaal horen. ‘Politici hadden nog te veel connecties met de kolonisatie,’ zegt hij nuchter. ‘Jonge mensen hebben dat veel minder, zij zien dat dit een schande was.’ Dat er na zoveel jaar eindelijke gerechtigheid is, gebruikt hij niet als aanklacht, maar ziet hij als een overwinning. De excuses heeft hij als welgemeend geaccepteerd; hij ervaart ze als een stimulans om door te gaan met zijn strijd voor rechtvaardigheid. Kamanyano was ook op het journaal, oprecht ontroerd door het moment waarop de excuses werden uitgesproken. Hij reageerde met een treffende mildheid. Hij noemde het ‘formidabel’ dat België nu erkent dat er misstanden zijn geweest en dat men er iets aan wil doen.

Dat is groots. En stemt tot nederigheid, zou ik zeggen, als het gaat om uitspraken over onze Europese beschaving. Het ‘boreale’ Europa dat Baudet als een idylle voorstelt, heeft veel leed veroorzaakt. Leed dat nog steeds doorsijpelt, niet alleen hier, maar op tal van plekken in de wereld, en dat gelukkig naar buiten komt via journalistiek, literatuur, kunst. Dan horen we verhalen die we niet kenden en begrijpen we ineens gevoeligheden die we niet zagen. En realiseren we ons dat we in Europa misschien een gemeenschappelijke geschiedenis hebben, maar dat iedereen verschillende herinneringen heeft.

Zo weten we dankzij de verhalen van Reggie Baay dat de herinneringen van mensen uit voormalig Nederlands-Indië scherp uiteen kunnen lopen. In zijn boek ‘De njai. Het concubinaat in Nederlands-Indie’ uit 2008, schetst hij het leed van de ‘njai’, de huishoudster en minnares van menige koloniaal die meestal ook de moeder van zijn kinderen werd. Voor de kinderen werd de moeder vaak verzwegen. Ze kregen een stiefmoeder of werden bij familie in Nederland ondergebracht; de moeder zelf werd teruggestuurd naar de kampong.

In de Indische gemeenschap is de njai decennialang een taboe geweest. Indische mensen met een kleurtje beweerden allemaal dat ze Italiaans of Portugees bloed hadden, nooit Indisch, want dat haalde hun status omlaag. Terwijl élke Indische familie, zegt Baay die zich beroept op veel onderzoek, wel een inheemse voormoeder heeft. Dus mogelijk ook Thierry Baudet, met een overgrootmoeder van Indische afkomst. En uiteindelijk hebben we allemaal een kleurtje, want de boreale (borealis, Latijn: noordelijk) mens was zwart, lees ik in het weekblad van de Universiteit Maastricht. Hij leefde tienduizend jaar voor Christus in Noordwest-Europa en had donkere ogen en een getinte huid.

Intussen heeft de boreale wereld van Baudet nooit bestaan. Het is de illusie van een romanticus die is doorgeschoten, een wensdroom die berust op ideeën van de eigen superioriteit die teruggaan tot de ideologie van de nazi’s en de fascisten van Mussolini. Een utopie die leidde tot vernietiging.

 

 

Reageer

Kom met betere antwoorden

De Limburger, 5 april 2019

Schelden, dreigen, de vuisten ballen, met de doosjes van de medicijnen smijten: je maakt het allemaal mee, vertelt de Heerlense apothekersassistente. Het was al een trend de afgelopen jaren, zegt ze, maar sinds er steeds meer medicijnen niet leverbaar zijn, is de agressiviteit aan de balie gestadig opgelopen. ‘We worden dagelijks voor van alles en nog wat uitgemaakt, geldwolven, afzetters. Mensen begrijpen niet dat wij er niets aan kunnen doen.’

Voor apothekersassistenten is de maat vol. Zij staan machteloos, terwijl de agressie een direct gevolg is van de keuzes van regering en zorgverzekeraars. De verzekeraar bepaalt welke medicijnen vergoed worden en dat is volatiel, net als de beurskoersen. Want verzekeraars hanteren een ‘preferentiebeleid’: per werkzame stof vergoedt een verzekeraar één middel. De ene dag wordt een middel vergoed, de volgende dag wordt het vervangen door een ander middel dat goedkoper is. Producenten van goedkope pillen zitten tegenwoordig vooral in India en China en problemen in de productie of aanvoer leiden tot prijsschommelingen.

Geneesmiddelen verdwijnen ook geregeld van de Nederlandse markt, omdat de afzet minder interessant is: klein land, lage medicijnprijzen en relatief laag medicijngebruik. Dan is zo’n preferent middel in de Nederlandse apotheek ineens op en moet de apothekersassistente op zoek naar een alternatief. Maar dat wordt dan niet vergoed, dat moet de patiënt zelf betalen. Per maand moeten apothekers bij 580.000 recepten op zoek naar een alternatief. Het tekort aan medicijnen is de laatste jaren snel opgelopen. In 2014 waren minder dan 100 medicijnen tijdelijk of definitief niet beschikbaar, in 2018 waren dat er 769 (cijfers apothekersorganisatie KNMP).

Daar sta je dan als apotheekmedewerker met een mooie publieke taak: de juiste match maken tussen mens en medicijn, en krijg je ‘stom wijf! fascisten! ik trek je over de balie!’ en medicijndoosjes naar je hoofd geslingerd. Begrijpelijk dat een groeiend aantal apothekersassistenten – zeker in sociaaleconomisch zwakke regio’s waar mensen veel geld kwijt zijn aan zorg –  niet meer met plezier naar het werk gaat. Van dienstverleners zijn ze agressiemanagers geworden. Daarom gaan ze op 1 mei, de Dag van Arbeid, actie voeren. Hoe wrang. De partij ‘van de arbeid’ heeft de afgelopen twee decennia vrolijk meegedanst in de liberale tango, waarin de markt koning is. Wie beschermt hen?

Het KNMP vraagt de overheid om op te treden tegen de uitwassen van de markt. De kosten van niet-beschikbaarheid moeten voor rekening komen van de partijen die hier invloed op hebben: de zorgverzekeraar en fabrikant. Leveringszekerheid moet onderdeel zijn van de inkoopvoorwaarden die verzekeraars met leveranciers overeenkomen. En apothekers moeten de vrijheid krijgen om bij een tekort de patiënt het beste alternatief te bieden zonder dat die daar extra voor moet betalen.

‘Vrijheden kunnen in diskrediet raken als het gevoel van onveiligheid groeit,’ schrijft Paul Scheffer, hoogleraar Europese studies en publicist, in zijn essaybundel De vorm van vrijheid, waarin hij de gevolgen van de globalisering analyseert. Wat er in de apotheek speelt, is een demonstratie van wat er gebeurt als je de markten opengooit, maar er niet voor zorgt dat de mensen die de negatieve gevolgen ervan ondervinden beschermd worden.

Een groeiend gevoel van onveiligheid, zegt Paul Scheffer, drijft mensen naar partijen met grootse beloften van geborgenheid. En de middenpartijen staan erbij en kijken ernaar. Ze zijn voortdurend bezig met crisismanagement. Kom met betere antwoorden, is Scheffers oproep. Dat is de opdracht van de middenpartijen, en van een ‘sociaal Europa’. Stel hardere eisen aan de grote verzekeraars en farmaceuten, en maak ze verantwoordelijk voor de uitwassen van hun metier.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reageer

Kom op met dat quotum

De Limburger, 22 maart 2019

Marga Klompé werd in 1956 de eerste vrouwelijke minister van Nederland. In 1967 had ze de eerste vrouwelijke premier kunnen zijn, maar ze wimpelde het af: ze vond zichzelf onvoldoende financieel-economisch onderlegd. Klompé, die uitstekend in de dossiers zat, zeven jaar ervaring als minister had, en ook nog buitenlandervaring. Dit lees ik in De ongehoorde helft, waarin historicus en journalist Paul van der Steen de eerste vrouwen op het politieke pluche portretteert.

Een halve eeuw later hebben we nog steeds geen vrouwelijke premier. ‘Stilaan,’ zegt Van der Steen voorzichtig in zijn voorwoord, ‘neig ik toch echt naar afspraken en quota.’ Tijdens zijn studie, begin jaren negentig, was hij nog faliekant tegen positieve discriminatie. Het zou vanzelf wel goed komen, dacht hij, want op zijn opleiding waren de vrouwen ver in de meerderheid.

Het is, bijna dertig jaar later, niet vanzelf goed gekomen. De doorstroom van vrouwen naar de politieke top lukt nauwelijks, hoewel er al jaren kandidaten genoeg zijn. In 2010 pleitte Neelie Kroes daarom voor een quotum. Jaren eerder vond ze nog dat vrouwen zelf moesten knokken; intussen was ze ervan overtuigd geraakt dat vrouwen naar de top belemmerd werden.

Op dit moment is 36 procent van alle parlementariërs vrouw. De PvdA heeft nog nooit een vrouw op nummer één voor de Tweede Kamerverkiezingen gezet. Het kabinet Rutte III telt 24 bewindslieden, van wie tien vrouw. Een fifty-fifty verdeling, waartoe president Macron en premier Trudeau besloten, vond hij niet aan de orde. ‘Mijn streven is de beste mensen te vinden,’ zei Rutte in 2017.

De beste mensen – dat is altijd het argument. Maar wie bepaalt dat? Hoe wordt dat oordeel gevormd? En zitten er soms geen middelmatige mannen op de beste plekken? Mogen middelmatige mannen wel op de beste plekken en vrouwen niet? Ik ga geen lof van de middelmatigheid zingen, maar dit is wel een belangrijk punt. De enorme stijging van het aantal studenten in de afgelopen dertig jaar is vrijwel volledig toe te schrijven aan de prestaties van meisjes. Sinds 2006 zijn er meer vrouwelijke studenten dan mannelijke. En ze doen het beter: halen hogere cijfers en studeren sneller af. Het kwaliteitscriterium voor vrouwen is in dit licht nogal merkwaardig. Het gaat er dus om de beste mensen te vinden, met de nadruk op ‘vinden’. ‘Je moet wel de guts hebben net iets langer door te zoeken,’ zei Feike Sijbesma, de baas van DSM, vorig jaar.

Over bedrijven gesproken, minister Van Engelshoven (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) gaf in maart vorig jaar aan dat bedrijven nog een jaar kregen om het wettelijke streefcijfer van 30 procent vrouwen in de top te behalen. Verleden jaar was het aantal vrouwen in de raden van bestuur nog nauwelijks 11 procent, in de raden van commissarissen 15 procent. Een speciale commissie adviseerde voor het eerst om een afdwingbaar quotum in te stellen in de raden van bestuur en commissarissen. De tijd van stimuleren en hopen dat het goed komt is voorbij, stelde de commissie. Van Engelshoven: ‘Ik ga in 2019 afrekenen.’

We zijn benieuwd. Maar het gaat natuurlijk niet alleen om topposities. Evenredigheid moet gelden voor alle mogelijke posities in organisaties. En laten we ophouden over de excuus Truus. Middelmatige mannen zijn een normaal verschijnsel. Vrouwen hoeven niets bijzonders te zijn. Ze hoeven niet de beste te zijn. Vrouwen zijn niet beter, niet slechter, ze vormen gewoon de helft van de bevolking. Zorg dus voor een evenredige man-vrouw verdeling en stel quota in. We lopen achter. België, Duitsland, Noorwegen, IJsland, Spanje, Frankrijk en Italië hebben al quota.

 

 

 

Reageer

Wie brengt het stemplezier terug?

De Limburger, 8 maart 2019

Om nog even in carnavalstaal te blijven: Partij Niks, Lijst Nul gaat op 20 maart weer de grootste worden. Sinds 1999 stemt namelijk meer dan de helft van de mensen niet in de verkiezingen van de Provinciale Staten. Van al die carnavalisten die afgelopen week opgewonden en dolblij door de straten trokken, kan de meerderheid het niet boeien, dat provinciaal bestuur en die senaat.

Wat te doen? Wie trekt zich dit aan? Raakt het politici in het algemeen? In Limburg? Bijna een op de drie kiezers, lees ik, wil de stembus gaan gebruiken om af te rekenen met Rutte III. Dus dat trekt mensen nog naar het stemhokje: om een regering af te straffen. Boeh! Weg ermee! Zouden er nog mensen zijn die opgewonden de straat opgaan om ergens voor te zijn? Die het spannend vinden om te gaan stemmen? Die geloven dat het anders kan? Die een alternatief zien?

Ik kom ze amper tegen. Ik hoor ze niet. Wie moeten we dit aanrekenen? Rutte III? Dat zou te gemakkelijk zijn. Grote groepen mensen voelen zich niet meer vertegenwoordigd. Door geen enkele partij. Ik ben een van hen. Ik weet het niet meer. Volgens de Peilingwijzer gaat populistisch-rechts (PVV en Forum voor Democratie) winst boeken (samen 22 %). Dat is dan toch vooral het gevolg van de verlamming van partijen in het midden en op de linkerflank.

Waarom zijn Groen Links, PvdA, SP en D66 niet in staat om hun verschillen opzij te zetten, over hun eigen schaduw heen te springen en een nieuwe, brede partij te vormen? Ze kunnen hun licht opsteken bij de ideeën van de Green New Deal in de VS: de toekomst moet liberaal, groen én sociaal rechtvaardig tegelijk zijn.

D66-voorman Rob Jetten gaf deze week een interessante voorzet met zijn Kerdijklezing. Hij zei dat er hoognodig een aantal muren gesloopt moeten worden: tussen mensen mét en zonder zekerheid, tussen mensen mét en zonder vermogen, tussen hoogopgeleiden voor wie flexwerk vrijheid is en anders geschoolden voor wie dat een vloek is. Tussen mensen met en zonder macht. Jetten komt met een aantal concrete voorstellen. Waarom zeggen PvdA, Groen Links en SP niet: yes, laten we dat samen gaan doen! Met de Christen Unie, 50+ en Partij voor de Dieren kunnen ze samen 47 procent van de stemmen halen.

Gaan ze die stap nu eindelijk zetten? Dit is het moment. Er zijn waarschuwingen genoeg geweest. Van de commissie-Remkes: de erosie van de democratie ligt op de loer. Van Kim Putters, directeur Sociaal en Cultureel Planbureau: ‘Er hangen in Nederland veel gele hesjes aan de kapstok.’ En van tal van politiek journalisten, schrijvers, commentatoren. De boodschap is: het kan zo niet langer. De technocratische politiek is uitgewerkt.

Maar er wordt niet geluisterd. In een ongemakkelijk essay, waarmee hij heel Italië de gordijnen in joeg, vatte de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco de situatie – want overal in Europa speelt hetzelfde probleem – als volgt samen: het pact tussen de elite en het volk is kapot. Het vertrouwen dat een elite, in ruil voor zekere privileges, waakt over een gemeenschappelijke leefruimte waarin het voor iedereen goed leven is, is gesneuveld. De elites zijn in een diepe verdoving en ze hebben maar één antwoord op het morrende volk: ‘there is no alternative’.

Er zitten tal van goede, intelligente, oprechte mensen in de politiek, maar het helpt niet meer. Er gaapt een peilloos gat, waar elke dweper met een vlotte babbel gebruik van kan maken. De vraag is: hoe forceren we een stop? Stemplicht, zoals in België, is geen oplossing. Stemplezier, dat moet terugkomen. Wie doorbreekt de impasse?

 

 

 

 

 

 

Reageer

Een spannende spionagefilm (Hoffman is niet beter)

De Limburger, 22 februari 2019

Als je thuiskomt uit het buitenland en Max Verstappen is van de voorpagina’s van de krant verdrongen door een spionage-affaire in je eigen stad, dan moet je daarbij zijn, vind ik. De eerste avond van de extra raadsvergadering over de Maastrichtse spionage zat vol. Gelukkig kun je het debat ook thuis online live volgen.

De tweede avond was ik er vroeg bij. Ik viel middenin de match. Het was even puzzelen om het schaakbord helder te krijgen, maar uit de stukken en tweets van De Limburger-verslaggever Philippens maakte ik volgende stand van zaken op: een recherchebureau was heimelijk op Maastrichtse ambtenaren losgelaten, omdat ze ervan verdacht werden vertrouwelijke notulen te hebben gelekt. Er was email onderschept en vier ambtenaren waren onaangekondigd onderworpen aan een intimiderende ondervraging in de kelders van het stadhuis.

De betreffende notulen bleken echter helemaal niet zo geheim. Sterker: de ambtenaren, kaderleden van de vakbond, wilden ermee hun achterban waarschuwen. Want in die notulen stond dat de Maastrichtse VVD-wethouder John Aarts (personeelzaken) zei dat hij wilde laten onderzoeken of er ambtenaren ontslagen konden worden als ze zich bleven verzetten tegen een nieuwe organisatie, waarin diensten van Maastricht, Sittard-Geleen en Heerlen werden samengebracht.

Deze gespreksrondes waren veel spannender dan de rondjes die Max Verstappen draait. Want hopen dat een speler een race wint is mooi, maar het is veel spannender om te kijken of iemand goed kan verliezen. Het begon met een ronde tussen Aarts en Manon Fokke (PvdA, oppositie).

Aarts, verbolgen: ‘In de krant wordt het beeld geschetst van een wraakzuchtige wethouder. Ik word geframed. Dat vind ik niet fair.’

Fokke: ‘Nee, u bent de Engel van Maastricht.’

Aarts: ‘Er zijn dingen die je niet in notulen opneemt.’

Fokke: ‘Dus het mag wel gezegd worden, maar niet genotuleerd worden?’

Aarts: ‘Het is volstrekt natuurlijk: persoonsgevoelige zaken notuleer je niet.’

Fokke: ‘Dat soort dingen hoor je niet over je eigen ambtenaren te zeggen. Ik verwacht van een wethouder van de gemeente Maastricht dat hij zijn eigen werknemers verdedigt.’

Aarts: ‘De ambtenaren hadden het vertrouwen in mij opgezegd.’

Fokke: ‘Ik mis zelfreflectie. Heeft u nu niet zelf het gevoel: als het overleg klapt ben ik er zelf ook debet aan?’

Aarts: ‘Dat vind ik geen faire vraag. Natuurlijk heb ik zelfreflectie. Had ik het anders moeten doen? Dat vind ik moeilijk. Daar heb ik geen antwoord op.’

Fokke, even later: ‘Toen die notulen op straat zijn gekomen, waarom bent u toen niet gewoon het gesprek aangegaan?’

Aarts: ‘We wilden met die ambtenaren gaan praten, maar kregen een ander advies van de advocaat.

Op dit punt wierp Simona Maassen (partij M:OED) zich in de strijd: ‘Recherchebureau Hoffman heeft vijftigduizend euro gekost. Dat wordt gedragen door de gemeente Maastricht. Waarom heeft u niet gewoon aangifte gedaan van lekken?’

Aarts: ‘We wilden de-escaleren.’

Maassen: ‘U noemt de-escaleren het inzetten van een recherchebureau?’

Aarts: ‘Dat heb ik niet gedaan, dat was de beslissing van de gemeentesecretaris.’

Toegeven dat je verkeerd bezig bent geweest, daar ging het om in deze wedstrijd. Je een goede verliezer tonen. Maar het gebeurde niet, sterker: een motie van wantrouwen tegen Aarts kreeg geen meerderheid. Een motie van afkeuring tegen het hele college haalde het ook niet. De coalitie, inclusief SP, Groen Links en D66, sloot de rijen. Vertrouwen is goed, maar Hoffman is beter!

Nu moeten de scherven bijeengeveegd, de wonden gelikt. Misschien een tip: schaf eens een boek aan over hedendaags leiderschap. Dat draait allemaal om vertrouwen. Effectieve leiders zijn niet bang voor kwetsbaarheid. Ze durven te luisteren naar mensen met stevige kritiek. Maar ja, dat is kennelijk lastig voor bestuursmannen in Limburg.

 

 

 

 

 

 

Reageer

De kleurling bestaat niet

De Limburger, 8 februari 2019

‘Dit kan ik niet eten!’ In het buurtwinkeltje downtown Johannesburg gooit een man een plastic zakje met koekjes op de toonbank voor de betraliede kassa. Ik sta daar net een paar bananen af te rekenen. Het is zo’n typisch Afrikaans winkeltje waar je alle basale levensmiddelen kan vinden, van lucifers tot deodorant, van rijst tot boorzalf. De uitbater zit achter de kassa, een man uit Bangladesh zo te zien. Veel van dit soort winkeltjes zijn in handen van mensen uit het oosten: India, Pakistan, Bangladesh.

‘Het is over de datum,’ zegt de man, zonder mij een blik waardig te gunnen. ‘Geef me m’n geld terug.’ De winkelier pakt het zakje met koekjes op, wil ernaar kijken, maar besluit de zaak te laten rusten. Hij opent de kassa en schuift wat muntgeld onder de tralies door. ‘Zeker omdat ik zwart ben,’ zegt de man. ‘Als jij niet oppast laat ik de politie komen. Kunnen ze zien hoeveel bedorven producten jij aan ons verkoopt.’

Het is absurd: de winkelier is zwarter dan de zwarte man die briesend het winkeltje uit beent. Maar kleur is nog steeds een complexe en beladen kwestie in Zuid-Afrika. Indiërs en andere Aziaten hadden tijdens de apartheid een hogere status dan ‘kleurlingen’, die weer hoger in rang stonden dan zwarten (‘bantoes’). Gevoelens van wrok zitten diep en kleinigheden kunnen leiden tot plotselinge uitvallen van ergernis en woede.

Kleur ligt ook aan de basis van een diepgevoelde wrok van een groep Khoisan, die nu al maanden protesteert op de glooiende gazons aan de voet van de Union Buildings, de regeringsgebouwen in Pretoria. Vertegenwoordigers van de allereerste, oudste bewoners van Zuid-Afrika zitten in kleine tentjes bij elkaar en willen eindelijk gerechtigheid. Tijdens de apartheid werden de Khoisan bij de categorie ‘kleurlingen’ geveegd en in het nieuwe, democratische Zuid-Afrika, dit jaar alweer vijfentwintig jaar oud, kregen ze geen eigen rechten. Nu willen ze wettelijke erkenning: /xam als officiële taal, declassificatie als ‘kleurling’ en een First Nation status – met aanspraken op land en geld van de mijnen die nu op hun oude geboortegrond staan.

De jonge Zuid-Afrikaanse schrijver Sihle Khumalo windt zich in zijn boek Rainbow Nation My Zulu Arse op over het voortbestaan van de aanduiding ‘kleurling’. De term werd bedacht voor iedereen die noch blank noch ‘bantoe’ was: afstammelingen van relaties tussen Europese kolonisten en lokale Khoi en San (‘Bosjesmannen’), van politieke gevangenen en moslims uit Nederlands Indië, van kinderen uit alle mogelijke andere relaties van kleur. Er is nooit een kleurling-cultuur geweest, schrijft Khumalo, er zijn geen kleurling-tradities, geen kleurling-gewoonten. De kleurling bestaat niet, sterker: doe een bloedtest en je zult erachter komen dat iederéén kleurling is, van gemengd bloed.

Hoho, zegt Churchil Naude, een bruinman van Mitchells Plain, de uitgestrekte kleurlingenwijk achter Kaapstad. Naude is een kletsrymer, een rapper, die zich wel degelijk identificeert als bruin. Dat wil zeggen: hij komt uit een gekleurde gemeenschap met Afrikaans als moedertaal. Maar wel het bruine Afrikaans, met zijn eigen slang en klankkleur. Naude maakt zich er boos over dat het Afrikaans nog steeds gezien wordt als de taal van de witman, de onderdrukker, terwijl het grootste deel van de Afrikaanssprekenden bruin is. ‘De oorsprong van het woord is Afrika, dus hoe komt het dan dat Afrikaans een witmenstaal genoemd wordt?’ zegt hij. Hij dicht en rapt dus in het Afrikaans, waarmee hij stem geeft aan mensen uit Afrika – aan Afrikanen. Daar vallen ook witte mensen onder.

Volgt u het nog? Dit is Zuid-Afrika, een land dat wij Nederlanders ooit mee hebben vormgegeven. De taal bewijst het. Het maakt nog eens duidelijk dat Europa niet stopt bij de grenzen van Europa.

 

 

Reageer

Treinen door Zuid-Afrika

De Limburger, 25 januari 2019

Piepend en schurend arriveren we in Potchefstroom, op papier de tweede stop op weg naar Kaapstad, en we hebben al vier uur vertraging. De Shosholoza Meyl, die drie keer per week vanuit Johannesburg de veertienhonderd kilometer naar de Kaap aflegt, ronkt als een oude man door de eindeloze buitenwijken van Johannesburg: Maraisburg, Florida, Hamberg, Roodepoort, Witpoortjie, Luipaardvlei, en overal komt-ie knarsend tot stilstand. Waarom? Op de stations hangen zwarte scholieren in uniform, wachtend op de lokale boemel. Een straatverkoper probeert zijn slag te slaan en houdt een plastic zakje met bananen voor ons raam.

‘Omdat de machinist een idioot is!’ zegt de conducteur, een vermoeide blanke zestiger, het staatspensioen nabij. Hij is in de restauratiewagen gaan zitten en heeft een bord pap-met-vleis besteld. Zijn woorden, over de techniek van spoorwissels en stangen, gaan verloren in het oorverdovende gepiep van de volgende stop.

‘Hou rekening met een uur of zes vertraging,’ had onze landlord in Johannesburg gezegd. Trouwens, waarom gingen we met de trein? Alleen arme blanken nemen nog de trein. In de Shosholoza Meyl, zei ze, is het tegenwoordig  ‘spot the pinky’, zoek de blanke. Wel was Parkstation, het treinstation van Johannesburg, een jaar of wat geleden schoongeveegd van criminelen. Maar dat betekende niet dat je er voor je plezier heen ging.

‘Never leave your bags out of sight!’ In de wachtruimte toeterde de jonge zwarte perronchef  waarschuwingen door de megafoon. ‘De dief kan zomaar naast je zitten!’ Passagiers waren druk in de weer met het aansnoeren van tassen of deden een tukje tussen de koffers. Loos alarm? Not so, zei de boomlange, zwarte jongen naast ons. Het krappe t-shirt liet zijn spieren opbollen. Hij werkte als reisgids en was hier een half jaar terug op de meest elegante manier beroofd, vertelde hij glimlachend. Een man was plotseling naast hem komen zitten. ‘Heb je gehoord van de boeven hier?,’ had hij hem toegefluisterd en met zijn kin had hij naar een donker geklede figuur in een hoek gewezen. ‘Dat zijn wij.’ Op diens dij tekende zich de vorm van een wapen af. De lange, potige jongen had alles afgegeven, portemonnee, mobiel, geld, maar mocht tweehonderd rand houden.

Na Klerksdorp, de zon is in zachte gloed achter de horizon verdwenen, de lampjes in de coupe zijn aangeklikt, maakt de trein ineens snelheid. Als een hazewind schiet het lint van wagons door de avond, gulzig bielzen vretend. Loopt onze bestuurder nu niet al te hard van stapel? Tijd voor een drankje in het barcompartiment. Nee, de bar is gesloten, zegt de dame van de restauratie nors. ‘De ijskast is kapot.’ We kunnen frisdrank bij de keuken kopen. Op het in plastic gevat menu staan hamburgers, kip met friet en pap-en-vleis. Niet voor zwakke magen.

Het beddengoed wordt al gebracht, we zinken in de kussens, drinken onze cola en luisteren naar de ka-boom van de trein. Rust. Slow traveling door de nacht nu. De raampjes laten een zachte, warme avondwind binnen en het wordt koel in de coupe. Voor nog meer verkoeling schuiven we de deur open en laten de wind door het gangpad waaien.

Ineens schiet een bruine vrouw onze coupe binnen. ‘My gat is vol van die kaffirs!’, blaft ze tegen ons. Mevrouw heeft in de afgelopen uren zeker geen cola zitten nippen. In een woest betoog verklaart ze waarom ‘haar gat vol is’: als ze door het gangpad loopt gaat het zwarte treinpersoneel nooit voor haar opzij. Geen respect meer.  ‘Ja, jullie blanken houden van ze, maar ons pakken ze.’ De Shosholoza Meyl dendert voort, de lange nacht in.

Reageer

Het slechten van hagen

De Limburger, 10 januari 2019

In mijn buurt in Maastricht rukken de hekwerken op. Het doet pijn aan de ziel. Een mooie, volle meidoornhaag wordt uit de grond gerukt en een kil hekwerk komt ervoor in de plaats. Daar wordt dan een fletse klimop tegenaan geplant om een heg na te bootsen. Ik denk aan Johannesburg, waar ik jarenlang woonde: kampioen in muren en hekwerken. Een levende haag is daar een luxe, een frivoliteit die je je niet kan veroorloven om jezelf te beschermen tegen crimineel geweld. Maar hier?

Ik denk aan de heg in de proloog van The Mind of South Africa, het monumentale boek over Zuid-Afrika van journalist Allister Sparks uit 1990, het jaar dat Nelson Mandela vrijkwam. De ‘bittere amandelhaag’ waarover hij vertelt, is de uitgestrekte heg die Jan van Riebeeck bij aankomst in de Kaap liet aanleggen om de verversingspost van de VOC af te sluiten van de inheemse bevolking. Van Riebeeck had het consigne meegekregen zich niet in te laten met de plaatselijke Khoikhoi, behalve voor het verkrijgen van vee voor vers vlees. En zo trokken de eerste Europeanen in de Kaap zich terug in hun eigen enclave, afgesneden van de rest van het Afrikaanse continent.

Die haag, schrijft Sparks, was eigenlijk tweede keus. Want Van Riebeeck had de opdracht gekregen om een gracht te graven, dwars door het Kaapse schiereiland, waardoor er een heus Europees eiland zou zijn ontstaan aan de zuidpunt van Afrika. Maar de commandeur had er de mankracht niet voor en besloot dat een haag volstond. Wie de geschiedenis van Zuid-Afrika wil begrijpen, en de rol van Europa daarin, moet het beeld van de haag onthouden: daar ontkiemde de blanke psyche van Zuid-Afrika: we zonderen ons af en nemen wat we nodig hebben van de oorspronkelijke bevolking. Apartheid was de uiterste consequentie van die psyche, van die haag.

In 2019 viert Zuid-Afrika het vijfentwintigste jaar van zijn democratie, nog altijd een duizelingwekkend wonder, want het had helemaal fout kunnen gaan. Daaraan herinnert Evita Bezuidenhout de wereld in haar laatste wekelijkse videobrief van 2018. Want Evita, het alter ego van de Zuid-Afrikaanse cabaretier Pieter-Dirk Uys, is nog altijd alive and kicking sinds deze grande dame tijdens de apartheid vilein de absurditeit van de Zuid-Afrikaanse raciale situatie aan de kaak stelde.

Er is zoveel conflict en verdeeldheid, zegt Evita, kijk naar de Brexit, kijk naar Amerika onder Trump, waarom zeggen we niet gewoon tegen de wereld: leer van Zuid-Afrika! Als wij ons met elkaar konden verzoenen, dan kan iedereen het. Waar zouden we geweest zijn als Nelson Mandela de gevangenis had verlaten vol woede? Maar hij deed iets veel slimmers. Hij bracht het oude gezegde in praktijk: ‘omhels je vijand, het zal zijn reputatie verwoesten’. En zo slechtte hij de haag tussen het apartheidsregime en de zwarte bevolking.

Een mooie les, aan het begin van het nieuwe jaar, met Nederlandse en Europese verkiezingen op stapel. De heggen zijn hoog. Laten we ons tegen elkaar uitspelen zoals in Groot-Brittannië is gebeurd of zijn we in staat tot verzoening? In elk EU-land smeult een leave-vuur dat makkelijk opgestookt kan worden. Evita’s woorden doen een appel op de redelijkheid van politici, pers en columnisten – laten we ons verleiden tot woede en extreme standpunten? Kies je ervoor makkelijk te scoren, omdat een op de spits gedreven standpunt gegarandeerd aandacht oplevert? De grootste uitdaging wordt het slechten van de psychologische haag tussen burgers en Brussel: gaat de Europese politiek het gros van de mensen bereiken dat doorgaans helemaal niet stemt? Burgers voor wie Europa het eliteproject blijft van technocraten, terwijl Europa zoveel meer is? Omhels je vijand: een verantwoordelijkheid van ons allemaal.

 

 

Reageer

Minder dingen, meer tijd

De Limburger, 28 december 2018

De afgelopen weken bogen mijn studenten zich over de vraag wat ze als kritische consumenten kunnen doen om de wereld te veranderen. Rücksichtslos sneden ze in eigen vlees, deze millennials. Hun generatie was ‘egocentrisch en lui’, schreef een studente, gewend om alles op afroep te bestellen: ‘liefhebbers van Foodora, Thuisbezorgd, Deliveroo of zelfs Uber Eats. Geen enkele andere generatie koopt zoveel als wij. Wij winkelen anytime, anyplace, anywhere.’

Wat nu? Allemaal zijn ze zich bewust van hun eigen gedrag, en zijn ze begonnen er iets aan te doen: de een is vegetarisch geworden, de ander koopt alleen nog tweedehands kleding, de derde koopt geen plastic flesjes meer. Want het kan zo niet langer, zeggen ze. Er moet een einde komen aan het snelle consumeren, aan de vervuilende kledingindustrie, aan uitbuiting en moderne slavernij, aan het verwoestende plastic in het water, aan het dierenleed en de vervuiling van de vleesindustrie…

Maar wat scheelt het, wat haalt het uit wat je zelf doet? Een grote machteloosheid daalde neer. Was het niet allemaal een druppel op een gloeiende plaat? En welke bedrijven kon je nog vertrouwen? Een student kwam erachter dat zelfs de biologische tofu die ze had gekocht totaal niet duurzaam bleek. Biologisch bleek sowieso niet slim, had een student onderzocht: het kost meer landbouwgrond en is dus slecht voor de natuur. De studenten snakten naar adem.

Neem maar afscheid van de doldwaze samenleving die het consumeren tot religie heeft verheven, stelt de historicus Philipp Blom in zijn boek Wat op het spel staat. Daarin waarschuwt hij dat er grote veranderingen op handen zijn, maar dat de grote massa geen idee heeft van wat haar te wachten staat. We slaapwandelen met open ogen, verblind door kortetermijndenken en hebzucht. Blom gaat terug in de geschiedenis en schetst het ontstaan van de consumptiemaatschappij. Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelden de Amerikanen de theorie van transformative consumerism: groeiende consumptie zou leiden tot stabiliteit en vrede. De consumerende mens kon zichzelf via consumptie een identiteit aanmeten, een gevoel van erkenning krijgen. Een huis, een auto, een wasmachine, een ijskast, meubels, porselein, kleding, schoenen, vakantie – met al die dingen kon hij laten zien dat hij iemand was, kon hij zich onderscheiden en zich gewaardeerd voelen.

Deze formule is in het welvarende westen uitgewerkt. De meeste mensen hebben de meeste dingen. Om een Wende te bewerkstelligen, zegt Blom, moeten mensen hun erkenning, ja zingeving, uit iets anders zien te halen. Dat is de crux, wil je de grote massa meekrijgen in een ommekeer. Mooi gezegd, maar hoe? Hoe ontstaat dit zonder opgelegd paternalisme: die sneakers, die auto, die jurk, die sofa, dat servies gaan u geen erkenning en geluk brengen?

Zie ik het goed, dan is er onder jongeren al een proces bezig: ze willen het consumptieve leven niet meer, of in elk geval niet als erkenning van wie ze zijn. Ze willen vooral tijd, voor muziek, voor beleving, voor het leven. En misschien zijn we minder blind: deze week was in het nieuws dat de Vegetarische Slager, het bedrijf van Jaap Korteweg, die akkerbouwer die na de varkenspestuitbraak vegetariër werd en besloot ‘vegetarisch vlees’ te gaan maken, is gekocht door Unilever. Reden: de groeiende markt voor vleesvervangers.

Zelfs bij de VVD lijken ze wakker te worden. NRC-redacteur Tom-Jan Meeus sprak de naaste adviseur van Rutte, de 66-jarige Ben Verwaayen. Wat zegt-ie? Dat grote bedrijven hun winst op duurzame wijze moeten maken, dat ze moeten inzien dat de belasting die ze afdragen geen kostenpost is maar een bijdrage aan de maatschappij.

Ik wens u voor het nieuwe jaar: minder vlees, minder kleren, minder spullen. Meer tijd.

 

Reageer

Hemingway en de gele hesjes

De Limburger, 13 december 2018

In 1937 publiceerde Ernest Hemingway zijn roman To Have and Have not. Hij was er al aan begonnen in 1933, middenin de jaren van de Grote Depressie. Hij woonde in Key West, aan de uiterste zuidpunt van Florida, zo’n 170 kilometer van Havana. Daar schiep hij Harry Morgan, de hoofdpersoon van het boek, een rauwe held met een sportvissersboot en een talent voor vissen.

Harry heeft een vrouw en drie dochters en om het hoofd boven water te houden neemt hij verveelde rijken mee op dagtripjes – opgeblazen mannen die zijn aanwijzingen negeren, waardoor ze zijn dure uitrusting naar de gallemiezen helpen. Op een dag wordt hij besodemieterd. Een klant die hij twee weken lang elke dag mee op zee nam, gaat in Key West geld halen om hem te betalen maar komt niet meer opdagen. Harry is blut en zijn visgerei is kapot.

Hij raakt verzeild in rum- en mensensmokkel en zinkt steeds dieper weg in de criminaliteit. Hij wordt beschoten, verliest een arm, zijn boot wordt geconfisqueerd. Door een advocaat komt hij in aanraking met de high society van Key West, mensen van het goede leven die hun dagen slijten op het terras, glas in de hand. Harry probeert zijn leven op de rails te krijgen, maar hij komt niet vooruit en gaat ten onder.

Hemingways roman werd met gemengde gevoelens ontvangen. Een onevenwichtig boek, met een boodschap die er te dik bovenop lag, was de kritiek. Was de grote stilist een politiek commentator geworden? Maar Hemingway zag het anders. Hij had als jonge journalist in Amerika en Europa – tijdens de Eerste Wereldoorlog en de jaren daarna, toen hij correspondent werd in Parijs – gezien wat armoede en geringschatting doet met mensen en hij maakte zich grote zorgen over de toenemende ongelijkheid. Met veel anderen deelde hij een droom van een rechtvaardiger wereld, onder wie David Bruce, een man uit de Amerikaanse expat kring waarin Hemingway zich in Parijs bewoog.

David Bruce vervulde verleden week een bijzondere rol in de oratie van Mathieu Segers, hoogleraar eigentijdse Europese geschiedenis aan de Universiteit van Maastricht. In een vlammend, urgent betoog schetste Segers hoe Bruce in Parijs verliefd werd op de Franse actrice Yvonne Printemps. Hij vond haar het toppunt van vrouwelijkheid en zag in haar de belichaming van de ware esprit van Parijs, van Europa.

Na de Tweede Wereldoorlog werd Bruce de eerste Amerikaanse ambassadeur in Parijs en hij had één grote missie: die esprit beschermen tegen een terugkerende schaduw van armoede en economische neergang die opnieuw zou kunnen leiden tot nationalisme, woede, geweld en oorlog. Vandaar het Marshall Plan, dat Europa erbovenop moest helpen; Bruce werd er in Parijs de leidsman van.

Het bestrijden van armoede werd het hart van de Amerikaanse missie in Europa. Dat hield ook in: een gevecht tegen ongereguleerde kapitaalmarkten. Controle van de kapitaalmarkt, stelde Segers, is opnieuw zeer relevant. Ooit lag de strijd tegen ongelijkheid aan de basis van de Europese integratie, maar sociale bescherming lijkt er minder en minder toe te doen. Is dat, vroeg Segers zich af, wat de gele hesjes ons willen duidelijk maken? Immers, zo zei hij, de geschiedenis heeft laten zien dat Europa heen en weer beweegt tussen licht en donker, ancien régime en revolutie.

Hemingway liet zijn roman To Have and Have Not eindigen met deze laatste woorden van zijn stervende held: ‘No matter how, a man alone ain’t got no bloody fucking chance.’ Een statement: alleen samen met anderen kan de mens zich te weer stellen tegen het kwaad, tegen het onrecht, in zijn eentje is hij niets. Daar ligt precies de opdracht van Europa.

 

 

 

 

Reageer

« Vorige pagina« Vorige items « Vorige pagina · Volgende pagina » Volgende items »Volgende pagina »