Onzichtbare lijnen van het leven

De Limburger, 31 december 2021

Dit is de laatste dag van het jaar en ik mag de laatste column van dit jaar op deze plek schrijven. Wat een mooi moment, maar het zweet breekt me uit. Het aflopende jaar komt als een lawine op me af. Een lawine die straks het nieuwe jaar in valt. Vanochtend zwol hij aan, op de radio, en nu rolt hij de hele dag door. Ik moet de stemmen tot zwijgen brengen en mijn mobieltje de tuin in slingeren.

Wat zou ik u graag willen zeggen op de laatste dag van het jaar? Nu heb ik mijn telefoon nog in de hand. Ik scrol door de artikelen waarin wordt teruggeblikt, allemaal even belangwekkend, over de mensen in de gezondheidszorg, bij de politie, het onderwijs, de cultuur – na drie kabinetten-Rutte, vermeerderd met de agressie van een slepende pandemie, zijn ze uitgewoond. Artikelen over het gebrek aan woningen, de vervuilende kleding- vlees- en vliegindustrie, het gevaar van Poetin en Xi. Het gaat maar door. Ik zoek naar een gat, een uitweg, een spleet in de muur. Daar: de omikronvariant blijkt écht milder, het virus is op weg om een verkoudheid te worden.

Ik zou u graag willen helpen ontsnappen. Kijk niet meer om, kijk vooruit. Voel, er waait een andere wind. Er klinken andere stemmen. Er wordt gesproken over de menselijke maat en over de dingen die we samen kunnen. Luister naar de Israëlische schrijver Yuval Noah Harari die vertelt dat de Homo Sapiens het won van de Neanderthaler, niet omdat hij meer hersenen had (de Neanderthaler had zelfs een groter brein), maar omdat hij samenwerkte, omdat hij in staat was in grote groepen samen te werken.

De Homo Sapiens heeft ook het vermogen tot vertellen. Essentieel is het verhaal dat we onszelf vertellen om vooruit te komen. Naast het reële leven, het leven waarin we eten, werken en slapen, is er ons fictionele leven, het leven dat zich afspeelt in ons hoofd en waarin wij de held zijn, de motor van ons bestaan. We willen goed zijn, gewaardeerd worden, begrip krijgen, geliefd zijn. Geld en macht zijn middelen in dat verhaal, maar niet meer dan dat. De voortslepende pandemie heeft laten zien dat het sluiten van restaurants, cafés, bioscopen, theaters, niet alleen een kwestie van gederfde inkomsten is, maar vooral het verhaal van mensen die niet meer bij elkaar zijn.

Ik zou graag vooral jongeren een ontsnapping gunnen. Je zult jong zijn in deze complexe tijd. Je zo beperkt voelen in wat je zou willen en moeten doen: stoeien, praten, dansen, flirten, vrijen, drinken, reizen. En wat zijn ze al wijs. Ik lees een stuk over een jonge, twintigjarige zangeres, Froukje Veenstra, die zegt: ‘Ik heb nu gezien dat als de wereld voor een groot probleem staat, er niet zomaar een oplossing is. Er wordt gezocht, gefaald, uitgeprobeerd, en daarmee is ‘het systeem’, de mensen die de macht hebben, voor mij nu veel menselijker geworden’. Wat een ontsnapping uit het cynisme van veel volwassenen.

Ik neem me voor om niet zoveel te vinden, in het nieuwe jaar. Het is oudejaarsdag, tijd om de schermpjes weg te leggen en de stemmen tot bedaren te brengen. Ik denk aan een andere jongere van het afgelopen jaar, een van mijn studenten. Ik gaf ze de opdracht een ‘J’accuse’ te schrijven, een felle aanklacht tegen iets of iemand. ‘Ik beschuldig,’ schreef hij, ‘de walgelijke dominantie van taal die de emotionele en vooral genuanceerde staat van ons bestaan kapotmaakt.’ Daar: wat een inzicht. Want in werkelijkheid leven we tussen de woorden door, in zien en herinnering, in de talloze onzichtbare lijnen van het leven. Ik wens u een fantastisch 2022.

Reageer

Titel Verstappen ook een opgave

De Limburger, 17 december 2021

Wat te doen als je op je 24ste alles hebt bereikt? ‘De droom was om de Formule 1 te halen. Dan volgt ruim een jaar later de eerste overwinning en nu het kampioenschap. Alles is gelukt. Dit wilde ik bereiken. Alles wat nu volgt is een bonus.’ Aldus de bejubelde halfgod tegen de pers na zijn overwinning. Over de ervaring die ermee gepaard ging zei hij: ‘Deze emotie heb ik nog nooit gevoeld. Er komt niets bij in de buurt’.

Hij bracht ook het land in extase. Zelfs in mijn doorgaans rustige straat daverde het van geschreeuw en kabaal: os Limburgse jong als eerste Nederlander wereldkampioen Formule 1, de koningsklasse van de autosport! Dit jong had, als wonderkind en jongste debutant ooit, na zeven jaar zijn belofte ingelost. Kon het mooier? Maar wacht, Max Verstappen deelt de titel met zijn vader, de 49-jarige Jos Verstappen. ‘Titel van Max is ook titel van Jos’, kopte De Limburger.

Een wonderkind, ja, maar ook de zoon van een coureur die zelf graag wereldkampioen had willen worden. Een vader met een plan: hij ging de jongen die zo geweldig kon karten naar de Formule 1 dirigeren. „Dit is waar we het voor gedaan hebben”, zei vader Verstappen na afloop. „Tien, vijftien jaar van mijn leven heb ik gegeven om hem voor te bereiden op het grote werk. Vandaag heeft Max het afgemaakt. Meer dan Formule 1-wereldkampioen kun je niet worden.”

Maar dat is precies de uitdaging voor Max Verstappen in de toekomst: ben ik meer dan een Formule 1-kampioen? Het antwoord op die vraag kan hij nog een tijdje uitstellen. Hij kan de prestaties van Lewis Hamilton en Michael Schumacher overtreffen door acht keer wereldkampioen te worden. En omdat hij het levensdoel van zijn vader heeft ingelost kan hij daar lekker relaxed aan beginnen. Maar dan? En intussen? Hoe wordt Max Verstappen als mens? Het wereldkampioenschap kan voor Verstappen net zo goed uitpakken als een persoonlijk drama: voorbeelden genoeg van getroebleerde levens in de topsport, van voetballer Maradona tot golfer Tiger Woods.

De bedreigingen die op de loer liggen zijn fenomenaal: drugsverslaving (legio voetballers, turner Yuri van Gelder), seksverslaving (legio voetballers, Tiger Woods), depressie (Olympisch zwemkampioen Michael Phelps, legio voetballers), gokverslaving en andere financiële drama’s – in feite is het salaris van jonge mensen in sporten met buitensporige vergoedingen misdadig omdat het een golden ticket kan zijn naar een ongelukkig leven.

Als Verstappen met al die risico’s weet om te gaan – en hij is in de grond een nuchtere jongen – dan is er nog het beruchte zwarte gat dat na een topsportcarrière wacht. „Het leven leek grijs”, vertelde topsporter Kirsten van der Kolk (Olympisch kampioen roeien) in een interview. „In de topsport is alles extreem, zowel het verdriet als de blijdschap, dat is met geen enkele andere baan te vergelijken.” Hoe ga je daarmee om? Hoe gaat een partner daarmee om?

Het is een geweldige opgave voor Max Verstappen: een leven dat meer is dan Formule 1. Als hij slim is voert hij eens een goed gesprek met Lewis Hamilton, die zich na een even monomane start ook met de wereld is gaan bemoeien, en gaat hij te rade bij topsporters die tijdens hun carrière werkten aan een tweede identiteit. Hij zal het imago van de winnaar, van de verafgode held, moeten kunnen relativeren.Dat laatste is volgens psychiater en publicist Bram Bakker misschien wel het moeilijkste: de verslaving aan aandacht. „Als je de hele dag hoort hoe bijzonder je bent”, zei Bakker in een interview over topsporters, „ga je niet alleen geloven dat je goed kunt sporten, maar ook dat je een bijzonder mens bent.”

Reageer

Hoe ik een val overleefde

De Limburger, 2 december 2021

Een fietser – een jong meisje, zo bleek later, dat niet had opgelet – schoot van opzij tegen mijn fiets en ik vloog door de lucht. Zo, zo, dacht ik verbaasd, als dat maar goed afloopt. In een fractie van een seconde balden zich gedachten samen die in mijn hoofd door elkaar dwarrelden. Dus, dacht ik, terwijl ik door de ragfijne regen vloog, de minister van Volksgezondheid zegt dat Code Zwart nog ver weg is, terwijl een ziekenhuisbestuurder, David Jongen van Zuyderland, een man die zichtbaar op zijn tandvlees loopt (hoeveel ouder is hij intussen geworden?) in het tv-programma Buitenhof nogmaals een noodkreet slaakt en zich daarbij een voorbeeld van zelfbeheersing toont (hoe doe je dat, als iedereen boos is?). Noem het zoals je wilt, zei Jongen, donkerbruin of grijs, maar er sterven dus mensen.

Dan ben je als minister, dacht ik, wel door het ijs gezakt, met je dolle schoenen, die je de hele crisis door maar blijft dragen (drukken die schoenen soms uit dat je de boel moet blijven relativeren? Dat morgen weer een dag is, alles op zijn tijd, nietwaar?). Zou de minister (een minister!) die schoenen ook op werkbezoek dragen? Bij een bezoek aan de intensive care, wanneer hij hoort hoe de ene na de andere intensivist afhaakt, omdat het niet meer te doen is: patiënten behandelen die gereduceerd zijn tot lichamen, dag in dag uit, terwijl je bent opgeleid om mensen die zich in zo’n kwetsbare, hulpeloze staat bevinden, te begeleiden, te helpen er zo goed mogelijk doorheen te komen.

Wat we die patiënten aandoen is verschrikkelijk, zei de ic-verpleegkundige op de radio, we spuiten ze vol medicijnen, spierverslappers, slaapmiddelen, pijnstillers, te veel om op te noemen, en je kan alleen maar hopen dat de tijd zijn werk doet en dat ze het redden. Droeg de minister die schoenen ook toen hij onlangs het ‘manifest van verpleegkundigen’ in ontvangst nam? Of keek hij toen naar zijn schoenpunten, uit schaamte, omdat hij anderhalf jaar lang niets heeft gedaan aan de problemen die ervoor zorgen dat verpleegkundigen het massaal voor gezien houden?

Schraapte hij met de punt van zijn schoen over de grond, toen een verpleegkundige hem vroeg: weet u wat dat gaat betekenen voor ons, als wij moeten zeggen: sorry, voor uw man is geen plaats meer aan de beademing? Weet u welke agressie dit gaat oproepen bij familieleden? Maar gelukkig, dacht ik ineens tevreden, vliegend richting asfalt, is er een stille meerderheid in dit land die dat alles wel begrijpt, die zich niet gek laat maken, die zich geen polarisatie laat aanpraten, die ook begrip heeft voor ongevaccineerden, die begrijpt dat we nu ons gedrag moeten aanpassen. ‘Wat moet, dat moet’, zei een jonge twintiger op het journaal over de maatregelen en hij glimlachte erbij.

En toen kwakte ik op straat en dacht ik: als ik nu maar niet in het ziekenhuis beland. Maar ik krabbelde overeind, tilde een broekspijp op en zag een straaltje bloed langs mijn been sijpelen. Nu moest ik natuurlijk boos worden op dat meisje dat er bedremmeld bijstond, of op de mensen om me heen. Er stonden zeker vijf mensen, jong en oud, die me een helpende hand toestaken. De een reikte me een zakdoekje aan, de ander wilde me naar huis brengen. En toen dacht ik ineens aan het prentenboek dat iedereen zou moeten lezen, De jongen, de mol, de vos en het paard, waarin het paard zegt: ‘Soms is haat het enige waar je over hoort, maar er is in deze wereld meer liefde dan je je ooit kunt voorstellen’.

Reageer

Een vat vol data

De Limburger, 19 november 2021

Vroeger was de mens een vat vol tegenstrijdigheden. Hij deed goede dingen en slechte. Hij was ruimhartig en bekrompen, gul en gierig, bang en overmoedig. Nu is de mens een vat vol data. Bij de overheid willen ze de menselijke maat terug, maar ze breken zich er het hoofd over, ze weten niet hoe: een mens is een burgerservicenummer (bsn). Dat wordt in de machine gestopt en via diverse algoritmes de digitale wereld in gebonjourd, bij Gods gratie – dat dan weer wel, want de mensen aan de knoppen hebben ook wel eens een dag dat ze met het verkeerde been uit bed stappen.

De machine, van de belastingdienst bijvoorbeeld, bevat zoveel systemen dat het graven naar de mens achter zijn bsn zoiets is als het mijnen van bitcoins. Geen wonder dat het maar niet opschiet met het repareren van het toeslagenonrecht. De medewerker moet zich weken door een woud van afkortingen en dossierstukken worstelen en heeft, om dieper in de systemen te kunnen zakken, een reeks schermen openstaan die om de zoveel tijd andere wachtwoorden eisen. Als hij bij de mens gekomen is, is hij uitgeput. Dan handigt hij zijn data over aan een andere medewerker – in godsnaam, doe het hiermee! – die de mens mag beoordelen.

Waarom vertel ik dit allemaal? Omdat ik een interview las met Haroon Sheikh, bij de Vrije Universiteit Amsterdam expert op het gebied van het gebruik van artificiële intelligentie (AI). Bij AI denken mensen aan futuristische vernieuwingen, superslimme robots die de wereld overnemen of digitale personificaties van onszelf, die in onze plaats zelfstandig beslissingen nemen. Wel, daar is niets futuristisch aan, stelt Sheikh, we zitten er middenin. Door AI praten we in informatiebubbels, komen groepen tegenover elkaar te staan, worden bedrijven steenrijk en supermachtig en goochelen overheden met onze levens. Er wordt, waarschuwt Sheikh, veel te veel vertrouwd op algoritmische besluitvorming en dit treft iedereen.

In de Eerste Kamer rinkelen nu de alarmbellen, mogen we hopen. De Senaat moet zich buigen over een nieuwe wet, de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (WGS) die regelt dat opsporingsinstanties op grote schaal gegevens mogen uitwisselen, zelfs met private partijen. Ondanks forse kritiek van onder meer de Autoriteit Persoonsgegevens, de waakhond van onze persoonlijke data, nam de Tweede Kamer de wet aan. „Net als in de toeslagenaffaire maakt deze wet het mogelijk om grote groepen mensen zonder aanleiding door de mangel te halen”, zei Aleid Wolfsen, voorzitter van de datawaakhond, vorige week. „De wet is veel te vaag en maakt het mogelijk dat bijna alles kan en mag, ook voor burgers die echt niks fout hebben gedaan.”

Dat is onze overheid, het schild van de zwakken. Maar denk ook aan AI in de gezondheidszorg of in de industrie. Een simpel voorbeeld is een handzeepautomaat die weigert bij een zwarte hand omdat hij is geprogrammeerd voor blanke handen. Denk aan medische behandelingen die niet werken voor vrouwen, omdat ze gebaseerd zijn op algoritmes met aannames en data gebaseerd op mannen. Denk aan een spookrijder die slaafs Google Maps volgde. En, nu wordt het gevaarlijk voor mijn vak, denk aan teksten die op basis van algoritmes geschreven worden. Met artificiële intelligentie kunnen inmiddels journalistieke artikelen geschreven worden en zelfs verhalen. Sterker, die zijn bijna even goed als teksten van ervaren schrijvers.

In Japan kunnen zowel mensen als machines jaarlijks meedingen naar een prijs voor de beste roman. De inzendingen worden in vier rondes beoordeeld door een jury. In 2016 haalde een machine de eerste ronde van de Hoshi Shinichi literatuurprijs. De jury vond het een goed gecomponeerde roman, maar er ontbrak wel iets aan. Ja, hoe zullen we het noemen. Menselijkheid?

Reageer

Profiterende burgers

De Limburger, 5 november 2021

Als Nederlanders iets niet kunnen uitstaan dan is het wel dat iemand (m/v) niet lijkt te werken voor zijn geld. Participatie betekent meedoen, maar de inzet van de Participatiewet was om grof te bezuinigen op allerlei vormen van steun en subsidie die mensen helpen te participeren. ‘Arbeidsverplichting’ is het sleutelwoord. Wie niet aan de regels voldoet, wordt aangevinkt en als verdachte beschouwd.

Dat er mensen zijn die bergen werk verzetten zonder dat ze ervoor betaald worden, daar heeft de wet geen boodschap aan. En kom niet aan met hobbyisme alstublieft. Mensen die iets moois voortbrengen? Fröbelaars op kosten van de samenleving. Dat iemand minder hoeft te betalen dan jij is in Nederland een onuitstaanbare gedachte. Dus hebben we geen zorgpremie naar inkomen (o nee, nivellering!). Maar omdat er toch grote groepen mensen zijn die de hoge zorgpremie niet kunnen betalen, krijgen ze een deel van die premie weer terug. Dan valt het niet zo op, dat sommigen ‘gratis geld’ krijgen.

Zo zijn er ook grote groepen die de dure kinderopvang niet kunnen betalen. Dus werd ook daar een omweg voor gevonden: de kinderopvangtoeslag. Wie voldoende verdient, heeft nooit met deze toeslagen te maken. En dat is precies de bedoeling. Ssht, vertel het niet verder. Maar toen kwam in het nieuws dat het voor handige ‘gastouderbureaus’ heel eenvoudig is om te frauderen met die toeslagen. Nederland was te klein. Schande, klonk het luid. Politici, journalisten, twitteraars, opiniemakers van rechts tot links, iedereen buitelde over elkaar heen van afschuw: rigoureus aanpakken! Fraude met toeslagen moet gewoon onmogelijk gemaakt worden, zei een SP-Kamerlid. Het wordt tijd om een virulent wantrouwen tegen de mens te koesteren, meende een columnist van De Telegraaf.

Dat was zes jaar geleden. Maar er was één probleem met het verhaal, stelt Jesse Frederik in zijn boek Zo hadden we het niet bedoeld. De tragedie achter de toeslagenaffaire: ‘De reportage kwam op het moment dat er al duizenden ouders per jaar het slachtoffer werden van de keiharde handhaving door de Belastingdienst.’ In Nederland was de toon echter gezet: het moest afgelopen zijn met gratis geld voor Jan en alleman die met de opbrengst van toeslagen in de zon lagen op Mallorca.

Als we het hebben over de toeslagenaffaire, zegt Frederik, onderzoeksjournalist bij De Correspondent, dan moeten we ook naar onszelf kijken. Naar hoe we met z’n allen een beeld hebben gecreëerd van ‘profiterende burgers’. Ook wij, journalisten en columnisten. Wij zetten, zegt Frederik, wel degelijk een trend. ‘Politici, ambtenaren, lezers, kijkers en luisteraars kalibreren hun verontwaardiging op onze berichtgeving.’ Mediagenieke incidenten worden opgeblazen, het publiek schreeuwt om daden en de politiek neemt draconische wetgeving aan.

En zo ligt het toeslagensysteem ons, net als de Participatiewet, als een steen op de maag. In de afgelopen tien, vijftien jaar heeft Nederland duizenden burgers afgeknepen en vertrapt en vervolgens worden nu honderden miljoenen uitgegeven om diezelfde burgers weer op de been te helpen: schuldsanering, medische en geestelijke zorg, gezinshulp, jeugdzorg etc.

Om niet te spreken van het menselijk kapitaal dat is aangetast. Het is de uiterste consequentie van de weigering om inkomensverschillen te verkleinen via een aantal simpele ingrepen, zoals gratis kinderopvang, zorgpremie naar inkomen, verlaging van de huur van sociale woningbouw. En wie profiteert eigenlijk het meest? Wie geld heeft en dat geld doorgeeft, geeft het nageslacht toegang tot theaters, opleidingen, bibliotheken, sportvoorzieningen, en: vrije tijd, tijd om niets te doen. De Nederlandse maatschappij is heel goed voor mensen met geld, terwijl de mensen die minder verdienen en niet kunnen terugvallen op bezit gewoon proberen om ook een goed leven te leiden.

Reageer

De menselijkheid van een dier

De Limburger, 22 oktober 2021

Ze werd gevonden in Changsha, in het hart van China, een miljoenenstad in de provincie Hunan. Zeg Hunan en je zegt Mao. Het Hunan Rapport is Mao’s meest invloedrijke essay. Hij schreef het na een verblijf van enkele maanden op het platteland waar hij opgroeide, als zoon van een welvarende boer. De strijd tegen de bezittende klasse moet van het platteland komen, stelde hij in 1927, en om de macht te kunnen grijpen is geweld noodzakelijk.

Zeg Hunan en je zegt Hunan hotpot, Mao’s favoriete gerecht, kip gekookt in chilipepers, zo heet dat je mond in brand staat terwijl je verhemelte tintelt en je tong verstijft. Dat hete gerecht is nodig om de meedogenloze, vochtige zomer van Hunan aan te kunnen. Als de stralen zweet langs je lichaam blijven lopen, snak je tegen lunchtijd naar een hotpot, want hitte bestrijd je met hitte. De mildere va­riant is goed voor de winter, wanneer een zacht gestoofde dog hotpot de vochtige kou uit je botten verdrijft.

In deze setting werd ze gevonden: Xiaohei, onze hond. Twee jonge zakenvrouwen uit Shanghai waren ’s ochtends in Changsha geland en wandelden ’s avonds, na een afmattende dag, door de stad, speurend naar een goed restaurant. Terwijl ze liepen vingen ze een zacht gejank op. Ze bleven staan en luisterden. Hun blik viel op een zijsteegje, waar een jonge hond, nog onvolgroeid, aan een paal bleek te zijn vastgebonden. Het ijzerdraad sneed in de hals en had een diepe wond veroorzaakt. Ze maakten het dier voorzichtig los, tilden het op en brachten het naar hun hotel.

Hoe het mogelijk was wilden de dames niet vertellen, maar ze kregen het voor elkaar om de hond, die ze Xiaohei hadden gedoopt – Zwartje, vanwege haar ravenzwarte vacht – mee te nemen op het vliegtuig terug naar Shanghai. Daar hechtte de dierenarts de wond. In de hals ontstond een indrukwekkend litteken, alleen zichtbaar voor wie haar ruwe haar opzij schoof. Daar zaten de dames, veertien hoog, met een hond in hun appartement. Voor dag en dauw op pad, ’s avonds laat thuis. Het was geen doen voor het arme dier en ze besloten op zoek te gaan naar een adoptiegezin. En zo deed Xiaohei haar intrede in ons leven in Shanghai, en belandde ze een paar jaar later met ons in Maastricht.

Ze is de meest wonderbaarlijke hond die ik ooit heb meegemaakt. Voor een straathond is ze de zelfbeheersing zelve. Zet eten voor haar neer en ze schrokt het niet op, maar benadert de kom onderzoekend, kalm, alsof ze eerst wil weten of het de moeite waard is. Geef haar een stukje worst en ze pakt het aan met de grootst mogelijke voorzichtigheid, bang om je te bezeren. Het liefst zit ze in de voortuin en bestudeert het leven in de straat, de spitse, fluweelzachte oren als ­antennes in de lucht.

Maar waar ik het met u over moet hebben zijn de ogen. Kijk in haar diepbruine ogen en je bent verkocht: je verdrinkt erin, de spiegel van de ziel. Een old soul noemde mijn vader haar: een wezen dat vele levens achter de rug heeft. Zachtmoedig, oneindig veel wijzer dan wij. Vorige week, na twaalfenhalf jaar, heeft ze ons verlaten. Sindsdien ben ik iets kwijt. Iets essentieels. Ik loop met mijn ziel onder de arm. Er zit een gat in mijn hart. Wat is het toch? En dan weet ik het: het was haar diepe, onvoorwaardelijke menselijkheid. Een compassie die wij als mensen vaak met de grootste moeite lijken te kunnen opbrengen.

Reageer

Ontspoorde ongevoeligheid

De Limburger, 8 oktober 2021

In 2006 was er een Amerikaans-Zwitserse student, John Koenig, die poëzie schreef. Het ontbrak hem vaak aan woorden. Daarom verzon hij nieuwe woorden voor emoties die nog geen naam hadden. Hij maakte er uiteindelijk een boek van: The Dictionary of Obscure Sorrows (Het woordenboek van duistere smarten). ‘Sonder’ was een van zijn woorden. Het was de naam die hij gaf aan het gevoel, de diepe gewaarwording, dat iedereen, inclusief de vreemden die je op straat passeert, een leven heeft dat net zo complex en veelomvattend is als dat van jou.

Geef iedereen die een publieke functie gaat bekleden een exemplaar van dit woordenboek. Voordat je aantreedt, dien je honderd woorden uit je hoofd te leren. Die handgeschreven woordenlijst hang je langs je computerscherm, het scherm waar namen uitrollen, van mensen gecategoriseerd door algoritmes. Rutte I (2010-2012), memoreerde politiek redacteur Tom-Jan Meeus dinsdag in NRC, besloot dat mensen na hun tweede vergissing hun uitkering moesten terugbetalen. Daarbovenop kwam nog 150 procent boete. Onzorgvuldigheden dienden te worden behandeld als fraude.

Het ‘risicoclassificatiemodel’ van de Belastingdienst ging vooral ratelen op dubbele nationaliteit. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) deed er onderzoek naar en concludeerde dat zowel de ‘geautomatiseerde risicoselectie’ als de individuele speuracties van fraudejagers discriminerend waren. In dat onderzoek werd de AP tegengewerkt. De Belastingdienst ontkende aanvankelijk dat dubbele nationaliteit in hun systemen werd verwerkt. „We hebben diverse keren moeten dreigen met een last onder dwangsom of een boete om antwoord op onze vragen te krijgen”, zei AP-voorzitter Aleid Wolfsen vorig jaar.

Geef ambtenaren ook een exemplaar van de Quiet 500, de inmiddels bekende, schurende tegenhanger van de Quote 500 met de rijkste Nederlanders. In de nu derde editie van de armoedeglossy komen ze aan het woord, de mensen uit de algoritmes van de kabinetten Rutte, diep in de schulden door fouten van Belastingdienst, UWV en gemeente. Bij nader inzien: laat maar zitten, dat armoedeblad. „Het is aapjes kijken”, zei Renske Leijten (SP) deze week op tv over het stille-armoedemagazine. Ze dwong met Pieter Omtzigt (toen nog CDA) een parlementair onderzoek naar de toeslagenaffaire af. Het is nu toch algemeen bekend, zei ze korzelig, wat armoede en schulden met mensen doen.

In dezelfde tijd dat Rutte I besloot vergissingen van mensen te criminaliseren, besloot CDA-Kamerlid Wopke Hoekstra geld te steken in een bedrijf dat zetelde in een belastingparadijs. Hoekstra had zich dat „niet gerealiseerd”. Een vergissing. „Achteraf is dat onzorgvuldig geweest”, zei hij. Hij biechtte nog een vergissing op: een belegging via belastingeiland Guernsey. Die was hem „min of meer opgedrongen” via zijn toenmalige werkgever, zei Hoekstra. Een plus een, dat zijn twee vergissingen.

Een van de woorden in Het woordenboek van duistere smarten van John Koenig is het woord ‘herlom’ (ik neem even een Nederlands equivalent). Het heeft de volgende betekenis: ‘een weemoedig voorteken van het eerste teken van de herfst – een subtiele koelte in de schaduwen, een geritsel van dode bladeren die op het trottoir zijn achtergebleven, of een streng ganzen die als de secondewijzer van een klok over je hoofd heen veegt’.

Ik hoor het geritsel van dode bladeren. Ik zie de ganzen vertrekken, in een lange sliert. Er was een kabinet dat aftrad vanwege wat mensen is aangedaan. Er kwamen verkiezingen. Uit de uitslag van de verkiezingen bleek dat een omvangrijk deel van het volk niet geraakt was door het leed dat mensen was berokkend. Hetzelfde kabinet gaat door. Laat ik een nieuw woord bedenken. Voor de ongevoeligheid van mensen voor het leed van anderen, ook al is dat leed breeduit verteld en vertoond. Stompvol?

Reageer

Verhalen van de andere kant

De Limburger, 24 september 2021

„Ik schaam me voor mijn onwetendheid”, zegt de student, „en ik ga er iets aan doen.” Het gaat over kolonisatie en dekolonisatie. Om te kunnen praten over dekolonisatie moet je eerst iets van de geschiedenis weten. Daar schort het aan, zo blijkt. „Op school leerde je zakelijke feiten”, zegt de student, „Suriname was een kolonie van Nederland en werd in 1975 onafhankelijk. In 1949 kwam er een einde aan het Nederlandse koloniale bewind in Indonesië, na een serie politionele acties. Maar de impact daarvan, wat dat allemaal voor mensen betekende, daarover ging het niet.”

Gelukkig is er de laatste jaren meer aandacht voor de menselijke verhalen achter de feiten. De verhalen van de andere kant: het imperium praat terug met levensverhalen. Zo vertelde schrijver Alfred Birney, zoon van een Nederlandse moeder en een Indische vader, tijdens het tv-programma Zomergasten hoe hij door het leven ging met een steen op zijn rug, een last overgedragen door zijn vader. Die had eind jaren veertig met de Nederlandse ‘politionele acties’ meegevochten en meegefolterd om de Indonesische onafhankelijkheid te helpen voorkomen. Wie echt wil weten wat oorlog is, zei Birney, die moet zich maar door zijn boek De tolk van Java heen worstelen. Daarin doet hij een boekje open over de misdaden van het Nederlandse leger. Aan het schrijven ervan hield hij letterlijk een gebroken hart over.

Veelzeggend was het fragment uit het Polygoonjournaal dat Birney liet zien, van de terugkomst van soldaten in Nederland. Als ze over de loopplank de kade opstappen, worden enkelen geïnterviewd. Ze krijgen vragen over wat ze in Nederland gaan doen, of het vriendinnetje op hen wacht. „Daar wordt de geschiedenis al onder het tapijt geschoven”, zei Birney. Geen enkele vraag over de oorlog of over het land waar ze vandaan kwamen. „Er is ze nooit gevraagd wat ze hebben meegemaakt. Niet in 1955, niet in 1960, niet in 1965, nooit!” Pas nu, zei Birney, horen we de levensverhalen.

Eigenlijk, zegt de student, weet ik alleen iets over het menselijke aspect van kolonisatie door de literatuur. Oeroeg van Hella Haasse, Multatuli’s Max HavelaarHoe duur was de suiker? van Cynthia McLeod. Maak van literatuur een apart keuzevak, stelde schrijver Daan Heerma van Voss onlangs voor. Gewoon lezen en erover praten: wat hebben we in vredesnaam gelezen? Goed idee. Nog beter: verbindt de vakken geschiedenis en literatuur met elkaar. Verhalen van mensen, van levens, hangen immers niet in het luchtledige.

Hoe belangrijk het is die twee met elkaar te verbinden, blijkt wel uit het incident in Urk, waar jongeren voor de grap in naziuniformen de straat op gingen. Of uit de actie van demonstranten tegen de coronamaatregelen, die een Jodenster opspeldden. Of uit het feit dat voetbalsupporters elke keer weer opnieuw racistische en antisemitische leuzen roepen. Gebrek aan kennis van het verleden, ja, maar nog veel meer: een gebrek aan gevoel voor wat dat verleden voor mensen heeft betekend en nog steeds betekent.

De Urker jongeren zijn nu in gesprek gegaan met de tachtigjarige Lous Steenhuis-Hoepelman uit Amsterdam, die als peuter het concentratiekamp overleefde. Ze was woedend en wilde absoluut met de jongens praten, ook al raadde haar dochter het haar af. De Urker jongeren schrokken van haar verhaal en bleken totaal geen idee te hebben van wat ze teweeg hadden gebracht; ze hadden enkel een ‘verrassingsfeestje’ georganiseerd met ‘het leger’ als thema. De Holocaust-overlevende vond excuses niet genoeg en neemt de jongens binnenkort mee naar Kamp Westerbork. „Het moet niet alleen blijven bij een gesprek met een oude mevrouw”, liet ze de regionale krant weten.

Reageer

Revolte in de rolverdeling

De Limburger, 10 september 2021

Toen mijn moeder in 1961 ging trouwen, stopte ze met werken. Ze had een leuke baan bij een reisbureau dat busreizen naar Oostenrijk, Zwitserland en Italië aanbood: Kurort Weggis, het Gardameer, Bolzano.Vliegen was nog niet in beeld, met de bus naar de bergen, naar het zuiden, was de gedroomde vakantie. Zelf was ze nog nooit op die plekken geweest, maar ze verkocht de reizen met haar verbeelding: mevrouw, het mediterrane leven is iets heel anders! Na het avondeten gaan mannen en vrouwen flaneren in de zwoele avondlucht…

Maar toen ze trouwde, was dat dus afgelopen. De wet die bepaalde dat getrouwde vrouwen ‘handelingsonbekwaam’ waren, was weliswaar in 1956 afgeschaft, maar ook daarna was het nog jarenlang normaal dat vrouwen stopten met werken zodra ze in het huwelijk traden. Tot 1971 bleef zelfs in het wetboek staan dat de man het ‘hoofd van de echtvereniging’ was en de vrouw aan hem ‘gehoorzaamheid was verschuldigd’.

Rechtshistoricus Madeleijn van den Nieuwenhuizen (29) verzamelt verhalen over die tijd waarin vrouwen vastzaten in het keurslijf van kinderen en huishouden. Tegelijk voert ze actie voor een standbeeld van Corry Tendeloo, het PvdA-Kamerlid dat als een leeuw streed voor de afschaffing van de gewraakte wet. ‘De geschiedenis van deze handelingsonbekwaamheid’, stelt Van den Nieuwenhuizen op de website van haar project (handelingsonbekwaam.nl), is volledig afwezig in ons collectieve geheugen – met name dat van de jongere generaties. ‘Tendeloo en haar strijd staan niet in geschiedenisboeken voor middelbare scholen en ontbreken in contemporaine discussies over emancipatie.’

Onthoud dus de naam Corry Tendeloo als het weer eens gaat over waarom vrouwen zoveel parttime werken. Zonder Corry waren we in Nederland nog langer achterlijk geweest. Het beeld van de man die het inkomen verdient en de vrouw die voor de kinderen zorgt is door de jaren heen zo diep verinnerlijkt dat het voor veel mensen nog steeds de norm is zonder dat ze het beseffen: bij het gros van de stellen met kinderen is het doodnormaal dat de vrouw meer voor de kinderen zorgt dan de man en dat de man meer inkomen heeft dan de vrouw.

Maar nu moet het afgelopen zijn met die luie vrouwtjes. De oningevulde vacatures rijzen de pan uit en jullie zitten te niksen! Schaam je, jullie zijn hard nodig voor de economie, hup, werken! Het Centraal Plan Bureau schetste in een recente studie hoe fors het inkomen van vrouwen daalt zodra er kinderen komen: tot wel 46 procent ten opzichte van vrouwen zonder kinderen. ‘Kindboete’ heet dit. Maar wat ligt eraan ten grondslag dat vrouwen minder gaan werken? Toegang tot kinderopvang, ja, maar vooral toch de keuzes die ouders maken, blijkt uit de studie: de traditionele rolverdeling is uiterst hardnekkig.

Er is dus een revolte nodig. Vakbond CNV zwengelt die nu aan. De bond gaat inzetten op een werkweek van 30 uur met behoud van salaris. Hallo?, roepen de werkgevers, en wijzen naar hun voorhoofd. Jawel, zegt CNV, want het is hoog tijd voor een nieuwe balans: een op de vijf werknemers zit tegen een burn-out aan en diverse proeven tonen aan dat een kortere werkweek mensen gelukkiger, efficiënter en productiever maakt. En als mannen minder gaan werken, zullen vrouwen juist meer gaan werken, stelt de vakbond: ‘Met een 30-urige werkweek zijn beide partners in staat om zorg en werk evenwichtig te verdelen, om beide carrière te maken en beide ook genoeg pensioen op te bouwen’. In IJsland wordt er al volop mee geëxperimenteerd en ook bij Unilever in Nieuw-Zeeland zijn proeven gaande. Vraag dus niet aan ‘vrouwen’ wat ze kunnen doen, vraag je af wat je zelf kunt doen.

Reageer

Vrouw, man, mens

De Limburger, 26 augustus

Ik was even weg uit de actualiteit, maar de actualiteit wilde maar niet weg uit mij. Je kunt je voornemen je dagelijkse media-inname te limiteren, maar die zoekt als water zijn weg. Zo had ik een drie-generaties-discussie met mijn moeder en mijn dochter over rolpatronen. Mijn moeder gelooft dat bepaald mannelijk gedrag ‘in het beestje’ zit, mijn dochter protesteert daar heftig tegen en is ervan overtuigd dat rolpatronen zijn gevormd en dat er iets tegen te doen is.

Want ja, dat er iets tegen de heersende ‘mannelijke norm’ gedaan moet worden is een no brainer voor haar en haar generatie, het staat buiten kijf: eeuwen hebben ‘we’ de mannelijke dominantie moeten verdragen en nu is het wel genoeg geweest. Die ‘we’ zijn niet alleen vrouwen, benadrukt mijn dochter: het zijn net zo goed mannen die lijden onder de machonorm. Dat begint al bij opmerkingen over hoe vrouwen en mannen eruit (horen te) zien. Dat vrouwen voortdurend beoordeeld worden op hun uiterlijk is langzamerhand wel doorgedrongen, maar dat mannen die afwijken van de norm doelwit zijn van een verbazingwekkende manifestatie van haat, is nog niet geland.

Zo kunnen vrouwen die zich mannelijk kleden toch als vrouwelijk gezien worden, maar de man die zich vrouwelijk kleedt, waagt zich in een gevaarlijke arena. Wat zou er, zei mijn dochter, bijvoorbeeld gebeuren als een man op kantoor een parelsnoer zou dragen? „Dat zou ik hem niet aanraden”, zei mijn moeder. „Dat zal onmiddellijk tegen hem gebruikt worden, dat is gewoon de realiteit.” Maar als we zo blijven denken verandert er niets, wierp mijn dochter tegen. „Dan zie ik geen toekomst.”

Een paar dagen later was er de nagellak-ophef: Lars uit Glanerbrug mocht van zijn baas niet met gelakte nagels achter de Jumbo-kassa zitten. Vanwege het conflict stapte Lars op. „Zie je wel”, zei mijn moeder. Een dag later kreeg hij een baan aangeboden bij een andere supermarkt. We leven niet meer in de prehistorie, vond de supermarktmanager die het aanbod deed. „Zie je wel”, jubelde mijn dochter. Het Algemeen Dagblad hield een peiling onder zijn lezers, van 28.000 stemmen vond 66 procent het belachelijk om bij een mannelijke kassamedewerker nagellak te verbieden.

Nu denkt u: hou toch op, in Afghanistan worden elementaire vrouwenrechten de nek omgedraaid en wij zeuren over nagellak? Maar dat is te gemakkelijk. Goed beschouwd is Bidens terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit Afghanistan de erkenning van een kolossale fout: je kunt een land geen manier van leven opdringen met het pistool op de borst.

Aanvankelijk dacht ik dat Biden in zijn speech domweg eerlijk was: het is gewoon America first en dat hele idee van nationbuilding was er maar bijgesleept om de bezetting te kunnen verkopen. Maar dat is helemaal niet waar: de VS wilden wel degelijk democratie en vrijheid brengen. Sterker: de Amerikaanse zelfoverschatting leidde tot de kokervisie dat dit in Afghanistan ging lukken. De speech van Biden was dus een staaltje ouderwets machtsvertoon: niet toegeven dat je fout zat, maar benadrukken dat nationbuilding absoluut niet de bedoeling was en dat Amerika daar dus ook niet op afgerekend kan worden.

Maar wie afgelopen week de verhalen van vrouwen in Afghanistan las, kan niet anders dan concluderen dat de aanwezigheid van Amerika en de ‘coalitie van bereidwilligen’ de Afghaanse vrouwen ongelooflijk veel gebracht heeft: school, werk, opleiding, onafhankelijkheid, vrijheid. En tussen die verre uitersten, de Talibanstrijder, de man-met-geweer, en de vrije, onafhankelijke, non-binaire mens, de mens die noch man noch vrouw wil zijn, ligt een uitdagende ruimte waarin blijvend nagedacht kan worden over wat het betekent mens te zijn.

Reageer

« Vorige pagina« Vorige items « Vorige pagina · Volgende pagina » Volgende items »Volgende pagina »