De datahonger van de overheid

De Limburger, 29 januari 2021

Mijn dochter is het huis uit, dus ik had de afgelopen jaren geen kinderopvang nodig. U misschien ook niet. Wat zouden wij ons dan druk blijven maken over de kinderopvangtoeslagenaffaire? Ze krijgen dertigduizend euro, de gedupeerden, en hun schulden worden kwijtgescholden. Prima. En nu voorwaarts, want er is nog meer te doen in dit land.

Ik – en misschien u ook – maak me intussen wel een beetje zorgen over mijn komende belastingaangifte, gezien de chaos van afgelopen jaar. Zou de belastingdienst u en mij een waarschuwing sturen? Dat doet ze namelijk bij sommige mensen. Mensen die in scheiding liggen krijgen bijvoorbeeld een brief waarin staat dat mensen die gaan scheiden vaak fouten maken. Misschien krijgen wij ook wel zo’n brief, met de mededeling dat mensen van wie de kinderen het huis uit zijn zich vaak vergissen in de aangifte. Maar hoe weten ze dat eigenlijk bij de belastingdienst?

Heel eenvoudig: dat komt doordat zij slimme Big Data-analisten in dienst heeft. Wiskundigen die naar hartelust door de gegevens van alle Nederlanders grasduinen. Ze zoeken in die data naar het gedrag van groepen belastingbetalers. Welke factoren hangen zoal samen met het verkeerd invullen van de inkomstenbelasting? Als blijkt dat het vaker mensen zijn van wie de kinderen de deur uit zijn, dan zou het nuttig zijn als ze u en mij eens wat meer monitoren, om dan vervolgens nog wat meer data over ons te verzamelen en daar dan een geautomatiseerde bewerking op los te laten.

Dan blijkt ineens dat wij de afgelopen jaren een paar steken hebben laten vallen. Waardoor wij te weinig belasting betaalden en nu dus logischerwijs geld moeten terugbetalen inclusief een boete vanwege het verkeerd informeren van de belastingdienst. Wij krijgen ook een brief van het Openbaar Ministerie: het herhaaldelijk foutief invullen van onze aangifte duidt op valsheid in geschrifte, en dat is een misdrijf. We worden voor de strafrechter gedaagd.

U snapt wat ik probeer te doen: ik wil u ervan doordringen dat de toeslagenaffaire geen losse flodder is, geen uit de hand gelopen miskleun. Integendeel. Het afgelopen decennium heeft de overheid Big Data zo gretig omarmd dat niemand echt begrijpt hoe het werkt. ‘De meeste Big Data-systemen van de overheid zijn black boxes,’ schreven onderzoeksjournalisten Maurits Martijn en Dimitri Tokmetzis vijf jaar geleden al in hun veelbesproken boek Je hebt wél iets te verbergen – over de ingrijpende gevolgen van de datahonger naar persoonlijke gegevens van bedrijven en overheden.

De journalisten beschrijven hoe de kluwen aan publieke en private datastromen een verknoopte ‘dataspaghetti’ is geworden. Hoe private partijen voor de overheid algoritmes bouwen die bedrijfsgeheim zijn. Met andere woorden: de overheid heeft zelf geen zicht op het hart van het systeem. Aleid Wolfsen, voorzitter van de Autoriteit Persoonsgegevens, de jonge, onafhankelijke waakhond van onze gegevens, eiste begin deze week van het Inlichtingenbureau – een databedrijf dat gemeenten helpt bij fraudeopsporing – opheldering over hun werkwijze. ‘Het is een dataoceaan waar veel instanties gebruik van maken, maar waarvan niemand weet wat er nu precies gebeurt,’ aldus Wolfsen.

De controle door het parlement waar Pieter Omtzigt terecht zo op hamert wordt gehinderd door een gebrek aan digitale deskundigheid. In december werd ondanks de aanzwellende toeslagenaffaire geruisloos een nieuwe datawet aangenomen. Die wet geeft de overheid vrij spel met onze gegevens: alle publieke en private databronnen mogen aan elkaar gekoppeld worden zonder dat het doel hoeft te worden omschreven. De boodschap is: overheden, ga gerust je gang.

Intussen mist de Autoriteit Persoonsgegevens slagkracht door gebrek aan personeel. Er moet nu snel veel meer geld naar onze waakhond. Dit is het moment.

 

Reageer

Zoals Limburg, maar wel beter

De Limburger, 15 januari, 2021

Een vlucht naar voren, wie verlangt er niet naar? Het vreselijke jaar achter ons laten. Verlost zijn van de kakafonie aan stemmen die allemaal tegelijk hun nood roepen, van de intensivisten, de verpleegkundigen, de ondernemers in cultuur, retail, horeca en evenementen, de werklozen, de thuiswerkers, de leraren, de kinderen, de ouderen, de jongeren, de eenzamen…

Satirisch verslaggever Diederik Smit wist het op radio 1 treffend neer te zetten. Op de vraag ‘is de verlenging van de lockdown een goed idee of desastreus’ antwoordde ‘algemeen deskundige Jaco Ackerboom’ met een dolgedraaid staccato aan deskundigenquotes: iedereen heeft gelijk, maar niemand weet het precies.

NRC Handelsblad schetste de contouren van de ‘ontwrichting XXXL’ die op ons af komt. In detailhandel, horeca, evenementenbranche en toerisme dreigt een overcapaciteit aan mensen met talent en ervaring. In de zorg slepende vermoeidheid en een blijvende gebrek aan capaciteit. In de cultuur een ravage. In de winkelstraten een destructie van verliezers. Nieuwsplatform Wij Limburg bericht over een dreigende ‘tsunami aan faillisementen en ontslagen’. Winkeliers die met spaargeld net het hoofd boven water hielden staan nu op het punt ten onder te gaan.

De malaise zal straks nog breder zijn: als de overheidssteun stopt en tal van ondernemingen en organisaties alsnog in het ravijn glijden. Aan de andere kant van het spectrum: forse winsten van supermarkten en technologiediensten. Wat gaan die profiterende bedrijven doen, laten die hun (flex)medewerkers meedelen? Hoe moet het verder met de tegenstelling tussen iedereen met een stabiel inkomen en de rest die dat niet heeft, met de zwakke positie van zzp’ers en degenen met een flexcontract?

Naast circa vijf miljoen werknemers in vaste dienst zijn er inmiddels twee miljoen flexibele werknemers en meer dan een miljoen zzp’ers. Dat is meer dan een derde van de beroepsbevolking zonder vaste baan. Ik vraag me af over wie ze het hebben als er op het nieuws wordt gemeld dat ‘de’ werkenden er in 2021 op vooruit zullen gaan. In sectoren als onderwijs en cultuur is het uurtarief voor zzp’ers in geen jaren verhoogd.

En na dit annus horribilis komt straks een nog kolossalere crisis op ons af: die van het klimaat. Wie gaat dit alles het hoofd bieden? Gaan we dat opnieuw overlaten aan een uiterst beperkt team van bestuurders, enkel gekozen op basis van een partijkleur? Moeten we ons straks opnieuw verlaten op beloften van partijpolitici? Dezelfde politici die ervoor zorgen dat burgers moeten meedraaien in de carrousel van de marktwerking. Draai je niet mee, dan val je eraf en ben je een loser. Dan worden er discriminerende algoritmes op je losgelaten en word je nagejaagd als fraudeur.

Ook politiek links is met de carrousel meegegaan. Lodewijk Asscher heeft sorry gezegd. Zijn geloofwaardigheid is zo groot als een duimschroef: hij draait eraan en het wordt alleen maar pijnlijker. Dat de progressieve partijen de afgelopen vier jaar niet in staat zijn geweest om zich samen te pakken is verbijsterend. Het kan alleen maar betekenen dat posities belangrijker zijn dan de drang om verandering te bewerkstelligen. Zonder fusie is progressief links verwaarloosbaar. Terwijl de achterban er al jaren op aan dringt, geven de partijleidingen niet thuis – waarmee het landsbestuur opnieuw wordt overgelaten aan liberalen, conservatieven en populisten.

Wat we nodig hebben is een team van mensen met de beste expertise én de meeste empathie. Met Pieter Omtzigt (CDA) én Renkse Leijten (SP). Bestuurders die een langetermijnvisie hebben én tegelijk knopen kunnen doorhakken. Een regering die door iedereen wordt gedragen, om de crises het hoofd te bieden: een nationaal kabinet, waarin alle partijen vertegenwoordigd zijn. Ja, zoiets als de Limburgse buitenparlementaire constructie, maar dan een slag beter.

Reageer

Hoop, verbeelding, toewijding

De Limburger, 24 december 2020

Hoop is een strategie voor losers, hoorde ik iemand op de radio zeggen. Daar zit wat in: als hoop betekent dat je zit te wachten tot het beter wordt, dan is dat nogal pover. Beter is het hoop een handje te helpen. Het vaccin dat nu door het Europese geneesmiddelenbureau is goedgekeurd, is ontwikkeld door het Turks-Duitse echtpaar Ugur Sahin en Özlem Türeci. Sahins vader werkte in een Ford-fabriek in Keulen als gastarbeider, Türeci was de dochter van een Turkse arts, werkzaam in een klein ziekenhuis in Nedersaksen.

Ze ontmoetten elkaar tijdens hun studie medicijnen en groeiden uit tot twee superslimme, gedreven onderzoekers: ook op hun huwelijksdag brachten ze een aantal uur in het laboratorium door. Toen het paar in januari over het virus las wist het genoeg: ze stortten zich met hun bedrijf BioNTech op de ontwikkeling van een vaccin om hoop een zetje te geven.

Een diepe buiging daarvoor – ik val niet in de doelgroep, maar als ze me vragen laat ik me graag publiekelijk vaccineren. Ik kan niet wachten tot dit voorbij is, dit slalommend vermijden van de medemens. Toch zijn er mensen die zich de hoop uit handen laten slaan. ‘Ik voel meer voor een gezonde leefstijl en de 1,5 meter maatschappij,’ tekende een journalist op uit de mond van een verpleegkundige. Een zorgmedewerker nog wel, iemand die werkt voor de ander. Liever de slalom dan de omhelzing, echt?

Toch begrijp ik het wantrouwen wel. De bedrijven met hun winstmaximalisatie voor de aandeelhouders, de macht van de zorgverzekeraars, de onbetrouwbaarheid van de overheid (de toeslagenaffaire!) – wie zou niet gaan twijfelen? Voor de twijfelaar is twijfel zelf de hoop: op verandering, op een ommekeer, op erkenning.

Maar ik wilde ergens anders heen met deze column. Ik had me namelijk verheugd op de ster van Bethlehem. Afgelopen maandag hadden we haar kunnen zien als het niet zo bewolkt was geweest: een hemellicht net zo fel als die aan het begin van onze jaartelling, toen de drie koningen onderweg waren naar de stal in Bethlehem. De gedachte aan dat licht vond ik zo hoopvol, dat ik wel naar een plek had willen reizen om het te zien, een hoogvlakte in Spanje, een woestijn in het Midden-Oosten.

Toen realiseerde ik me dat behalve het vaccin vooral de verbeelding hoop geeft. Het verhaal van Josef en Maria, die vergeefs van deur tot deur gaan op een koude, donkere winterdag, de besneeuwde stal, het kindje Jezus in doeken gewikkeld in een kribbe van stro, verwarmd door de adem van de os en de ezel, en de drie koningen, Balthasar, Melchior en Caspar, die zich naar het westen spoeden op hun kamelen, begeleid door een betoverend-heldere ster – het is een van de mooiste, hoopvolste verhalen uit de wereldgeschiedenis.

Verbeelding is het wat mij aan de gang heeft gehouden, het afgelopen jaar. Verbeelding die mens en dier leven inblaast. Een mens: ik las Wolf Hall, het boek waarin de Britse schrijfster Hilary Mantel de zestiende-eeuwse staatsman Thomas Cromwell tot leven bracht, zo toegewijd dat de man aanraakbaar werd. Ik zag Gunda, de nieuwste documentaire van de Russische grootmeester van de slow cinema Victor Kossakovsky, waarin het varken Gunda de hoofdrol speelt. Gunda, met haar dozijn biggetjes die ze aan het eind verliest aan de slachterij, sleepte me mee tot aan het confronterende einde: ze kijkt ons, de kijkers, secondenlang recht in de ogen. Om de film te kunnen maken stond Kossakovsky maandenlang om vier uur ’s ochtends op om voor de stal te posten. Toewijding, verbeelding, verhalen van hoop, daarmee wens ik u een Zalig Kerstfeest!

 

 

 

 

Reageer

De rare fratsen van een leider

De Limburger, 11 december 2020

Hoe komt iemand erbij om vijfenzeventig jaar na de Holocaust antisemiet te zijn? In een tijd waarin er eindelijk meer aandacht komt voor verzwegen onrecht tegenover joodse families? Geroofd joods bezit, bijvoorbeeld. In een jaar waarin de koning in zijn toespraak tijdens de Nationale Dodenherdenking refereerde aan zijn overgrootmoeder, Wilhelmina, die joodse medeburgers vanuit Londen onvoldoende had gesteund, ‘al was het maar met woorden’.

‘Bijna iedereen die ik ken is antisemiet,’ zou Forum voor Democratie-leider Thierry Baudet gezegd hebben op een partijdiner. Het was een reactie op een discussie over het antisemitisme in de jongerenafdeling van Forum, waarover meerdere partijleden zich zorgen maakten, onder wie Eerste Kamerlid voor Forum, Nicki Pouw-Verweij. Baudet vroeg zich af waar haar kruistocht tegen het antisemitisme vandaan kwam. Ze repliceerde: maar iedereen is toch tegen antisemitisme?

Pouw-Verweij beschreef dit voorval in een brandbrief aan het partijbestuur. De brief lekte uit, kwam in handen van de media en werd vervolgens bevestigd door twee andere partijprominenten. De rest is geschiedenis: Baudet weigerde maatregelen te nemen tegen de jongeren, de partij viel uit elkaar en er kwam een ledenraadpleging over Baudets positie. De leden stemden met 76 procent voor het behoud van Baudet als leider.

De grote vraag is: hoe komt het dat vertrokken partijgenoten al niet veel eerder afstand namen van Baudets dubbelzinnige antisemitische houding? Hoe konden ze Baudets geflirt met extreemrechts gedachtengoed verdragen? Gebrek aan feitelijke kennis kan het niet geweest zijn: er is een berg aan stukken over de gedachten en opvattingen van de Forumleider, niet in het minst van zijn eigen hand. En er verschenen twee inzichtelijke boeken over hem: Mijn meningen zijn feiten door Harm Botje en Mischa Cohen, en De partij dat ben ik door Chris Aalberts.

Die laten zien hoe verhullend het woord ‘geflirt’ eigenlijk is: Baudet heeft al jaren een grote belangstelling voor nationalistisch-racistische intellectuelen, als twintiger bracht hij een bezoek aan de oude Le Pen, hij dineerde met de bekende white supremacist (witte mensen zijn superieur) Jared Taylor en hij heeft diverse ontmoetingen gehad met figuren uit rechtsextremistische hoek die er antisemitische ideeën op na houden. Allemaal om de geest te slijpen, volgens Baudet. Beschuldigingen van waardering en bewondering voor de ideeën van deze mensen wijst hij standaard als kleingeestig en mal van de hand: ‘trial by media’ immers.

Zijn partijgenoten besloten zich dus blind en doof te houden. Dat is een kunst die je blijkbaar makkelijk afgaat als je je ingraaft in het drijfzand van de onwrikbare overtuiging. En zie er dan maar eens uit te komen. Baudet vertegenwoordigde een ander geluid op rechts. En als dat geluid als muziek in je oren klinkt en je hebt de ambitie om iets te veranderen, moet je meebewegen. Dan ben je bereid wat rare fratsen te slikken van de leider die de verandering aanzwengelt. Vooral als die zijn provocaties met een brede lach en een knipoog ventileert. Humor toch?

Wanneer zou het omslagpunt gekomen zijn? Of is het een proces van rijping, wéten dat je naast een leider zit met wie je steeds minder geassocieerd wil worden, met wiens uitspraken je langzamerhand niet meer thuis kan komen, en je dan afvragen op welk moment je nog een beetje schoon uit de beerput komt?

De Limburgse fractieleden van Forum mogen hun handen wel dichtknijpen dat hun zomaar een uitweg in de schoot werd geworpen. Vier van de zeven Statenleden stapten uit de partij – mensen op wie Baudet minachtend neerkijkt als ‘leden met een baantje in de provincie’. Ik wens de andere drie veel wijsheid toe. ‘Bijna iedereen die ik ken is antisemiet.’ En jij?

 

 

 

 

Reageer

‘Een beetje schuld’

De Limburger, 27 november 2020

Het slachtoffer de schuld geven – het is een klassieker als het gaat om seksuele intimidatie: ze had er (met haar korte rokje, met haar open blouse etc.) toch zélf om gevraagd? Elk weldenkend mens protesteert inmiddels tegen zo’n reactie, alhoewel je degenen die vinden dat het slachtoffer een béétje schuld heeft niet de kost zou willen geven. Maar dit terzijde.

Alhoewel, is het een terzijde? Het valt me op dat het idee van ‘een beetje schuld’ vlot uit de kast getrokken wordt als het gaat om het bedreigen van leraren die in de klas spotprenten laten zien die door sommige leerlingen als beledigend worden ervaren. Op de uitspraak van de premier dat ‘niemand het recht heeft om niet beledigd te worden’ volgden wat nukkige, verontwaardigde reacties: ja maar, beledigen is misbruik van het recht op vrije meningsuiting! ‘Ik wil niet dat iemand het recht heeft om mij zomaar te beledigen,’ schreef een briefschrijver naar deze krant.

Laat ik deze man uit de droom helpen. Het recht op vrijheid van meningsuiting is namelijk per definitie bedoeld voor ideeën en standpunten die jou niet bevallen, ja die jij als beledigend kan ervaren. Dat recht waarborgt een samenleving met een grote diversiteit aan denkbeelden en opvattingen. Het betekent uiteraard niet: een vrijbrief voor schelden en schreeuwen. Daar hebben we wetten voor die vallen onder de gemeenschappelijke noemer ‘uitingsdelicten’.

Daaronder valt onder meer opruiing (art 131), belediging van een groep mensen, wegens bijvoorbeeld ras, godsdienst of seksuele geaardheid (art 137c), aanzetten tot haat (art 137d), smaad (art 261) en laster (art 262). Met de wet in de hand kun je dus je recht halen, mocht je menen dat jouw recht met voeten is getreden. Dat probeerde Denk-voorman Farid Azarkan bijvoorbeeld die meende dat artikel 137c in het geding was bij het laten zien van een spotprent van een jihadist. Artikel 147 (godslastering) kon hij niet meer in de strijd werpen – het verbod op godslastering werd in 2014 afgeschaft. Hij pleitte dan ook voor een terugkeer van dat verbod, net als trouwens de SGP eerder dit jaar.

Iedereen wordt geacht de wet te kennen. Dat betekent dat niemand zich kan beroepen op onkunde of gebrek aan kennis als hij deelneemt aan het sociale verkeer. Maar waar doen we die kennis eigenlijk op? Lessen Burgerschap op school – gericht op ‘maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef’ – zijn mooi, maar als die niet gepaard gaan met lessen Recht blijf je als leerling verstoken van elementaire kennis van grondrechten: de rechten die burgers de vrijheid geven om zonder bemoeienis van de overheid te leven.

Met lessen Recht leer je leerlingen de discussie zuiver te voeren. Dat wil niet zeggen dat je geen oog hoeft te hebben voor gevoeligheden in de klas. Maar wie helder heeft wat vrijheid van meningsuiting omvat, leert dat andermans levensvisie evenveel bestaansrecht heeft. En mag er – in godsnaam – ook gelachen worden? Ironie en satire kunnen helpen om rigide standpunten te relativeren en staan in een lange Europese traditie.

De Franse Verlichtingsdenker Voltaire was er een meester in. In satirische gedichten nam hij de aristocratie, de kerk, religie, slavernij en kolonialisme op de hak, wat hem op woede, beledigingen en verbanning kwam te staan. Hij was niet te vermurwen. ‘Ik verafschuw wat u zegt, maar ik zal uw recht om het te zeggen met mijn leven verdedigen,’ luidt zijn bekende uitspraak.

De leraar die spotprenten laat zien is niet uit op belediging. Hij is bezig met bewustwording, geschiedenis, godsdienstvrijheid en vrijheid van meningsuiting. Met grondrechten. Hij draagt dus nooit ‘een beetje schuld’ als hij vervolgens bedreigd wordt. Dat moet voor iedereen, maar bovenal voor schoolbesturen, glashelder zijn.

Reageer

De tirannie van verdienste

De Limburger, 13 november 2020

‘A fair shot’, zei Joe Biden, de kersverse president-elect, in zijn overwinningstoespraak. Dat is wat hij elke Amerikaanse burger gunt. ‘That’s all they’re asking for. A fair shot.’ ‘De eerlijke kans’ is een leitmotiv van Biden. Hij gebruikte het vele malen eerder: de middenklasse die opnieuw ‘a fair shot’ verdient, vrouwen die eindelijk ‘a fair shot’ moeten krijgen, en in het bijzonder zwarte vrouwen, die onderaan de ladder staan.

Dat klinkt ouderwets Amerikaans-optimistisch, een optimisme dat sleets is geworden. Biden zit met de beschamende werkelijkheid dat in tal van Amerikaanse staten en steden armoede en achterstelling het diepst snijden op plaatsen waar de Democraten aan de macht zijn, soms al decennia. Miljoenen Amerikanen, vele van Afrikaans-Amerikaanse afkomst, ervaren dagelijks het fiasco van Democratische bestuurders, die te weinig hebben ondernomen tegen het gebrek aan fatsoenlijke, betaalbare woningen, tegen de beroerde staat van hun scholengebouwen, de lage kwaliteit van het onderwijs, tegen woekerkredieten en ongecontroleerd politiegeweld.

In Amerika, het land van de onbegrensde mogelijkheden, zijn veel mensen al vanaf de wieg begrensd. Geen wonder dat het werk van de filosoof en Harvard-docent Michael Sandel er zo gretig aftrek vindt. In zijn recente boek ‘De Tirannie van Verdienste’ (The Tyranny of Merit) protesteert hij tegen het idee dat ‘de elite’ – hoger opgeleiden met goede banen, maar ook allerhande veelverdieners in bedrijfsleven, entertainment en sport – door eigen verdienste aan de top staat.

Wie hard leert en hard werkt wordt succesvol, wie dat niet doet, is zelf schuld – dat mantra van de eigen verdienste heeft ervoor gezorgd dat ‘de winnaars’ zelfgenoegzaam neerkijken op ‘de verliezers’. Entrez de Trumpstemmers, stelt Sandel. Althans, een deel ervan: de groep ‘achterblijvers’ die wraak neemt op mensen die zichzelf zo geweldig geslaagd vinden. Met Trump werd de definitie van ‘winners’ en ‘losers’ opgeschud.

Maar laten we eerlijk zijn, de tirannie van verdienste speelt niet alleen in Amerika. Een beginnende verzorger of verpleger verdient in Nederland 1141 euro bruto per maand, las ik deze week in De Limburger. Dit lage startsalaris is een erfenis uit het verleden: verzorgen en verplegen, dat was werk voor vrouwen en die hoefden niet betaald te worden, want die deden dat ‘erbij’. Verpleegkundigen – dat is zo’n groep stille, keihard werkende mensen die door de samenleving voor lief genomen is. Al jaren verzorgen ze onze dierbaren, verdragen oproep- en nachtdiensten, bijten op een houtje en houden zich koest.

Pas nu, nu die verpleegkundigen met de voeten protesteren en massaal vertrekken uit de zorg, begint tot ons door te dringen hoezeer we hen nodig hebben. Inderdaad: applaus is niet genoeg. De coronacrisis heeft het ons duidelijk gemaakt: het gebrek aan waardering voor de mensen die de boel draaiende houden en vaak ook nog het meeste risico lopen om besmet te worden: verzorgers, kassières, productiewerkers, schoonmakers, handhavers.

Het is een pijnlijke vraag: hoe is het gekomen dat er zo’n neerbuigende houding is ontstaan voor mensen die werken voor de publieke zaak? Voor verpleegkundigen, leraren, politiemensen, hulpverleners. En voor iedereen in de kunsten: theatermakers, muzikanten, kunstenaars, schrijvers. Zou jarenlang VVD-bewind er iets mee te maken hebben? Heeft de tirannie van verdienste zo diep in ons postgevat dat wie zorgt voor een ander, wie iets wil betekenen dat niet meteen in geld is uit te drukken, wie iets moois wil maken, een ontroering creëren, een loser is?

Is het kwartje gevallen bij de VVD? Het is in elk geval opmerkelijk dat die partij in haar nieuwe verkiezingsprogramma plotseling voor een ‘sterke overheid’ is. Voortschrijdend inzicht, puur opportunisme? Een greintje van het eerste zou hoop bieden – a fair shot voor Mark Rutte.

Reageer

Een buiging voor Griekenland

De Limburger, 31 oktober 2020

De zieke man van Europa, slecht bestuurd, spilziek. Een land dat Europa in een eurocrisis trok en waarover Jeroen Dijsselbloem in 2017 zei dat het niet al zijn geld aan ‘Schnaps und Frauen’ kon uitgeven om vervolgens de hand op te houden. Dat land was de herfstvakantiebestemming van onze koning: Griekenland. De ironie van het lot wil dat het koningspaar als reisdoel geen betere plek had kunnen kiezen. In plaats daarvan verlieten ze het inderhaast – tot verbazing van de Grieken zelf.

Want wat wil het geval: Griekenland hoort bij de top in Europa als het gaat om de aanpak van het coronavirus, het zit op de lijn van Scandinavische landen als Finland en Noorwegen. Hoe ze dat klaarspelen? Vanaf het begin volgden de Grieken met argusogen de verspreiding van het virus in Italie en toen daar de eerste doden vielen, wist men in Athene genoeg: als dit gebeurde in het welvarende Bergamo, met een uitstekende gezondheidszorg, hoe zou het Griekenland dan straks vergaan, met zoveel oude mensen en ziekenhuizen die piepen en kraken?

De Griekse regering stelde snel een divers ‘comite van specialisten’ aan, dat adviseerde om onmiddellijk in te grijpen: koste wat kost moest het virus buiten de deur worden gehouden. En zo werd daags na de eerste coronabesmetting in Griekenland het jaarlijkse, massale carnaval in Patra afgelast. In Nederland maakte toen nog niemand zich druk; carnaval werd bij ons gevierd in zalige onwetendheid.

Terwijl premier Rutte opriep om geen handen meer te schudden, begonnen ze in Griekenland het land dicht te gooien, eerst scholen en universiteiten, toen restaurants en musea, en tenslotte werd op 23 maart – met 695 bevestigde besmettingen en 17 doden – een complete lockdown afgekondigd: wie het huis wilde verlaten kon dit alleen met een geauthoriseerde sms op zijn mobiel.

Via dagelijkse zes uur-journaals werd de Griekse bevolking doordrongen van de noodzaak van de maatregelen. De boodschap: laten we om onze ouderen denken! Ouderen: bescherm jezelf, het gaat om een dodelijke ziekte, we willen jullie niet in onze ziekenhuizen hebben! Er kwam een coronawebsite met een plan en een exit-strategie: hoe de maatregelen geleidelijk aan zouden worden teruggeschroefd en iedereen straks weer naar buiten kon, op restaurant en familiebezoek.

Resultaat: 593 doden tot nu. Op 100.000 mensen heeft Nederland 41 doden, Griekenland 5 (bron: WHO). Het dagelijks aantal nieuwe besmettingen schommelde in oktober rond 850 – om in Griekenland corona te krijgen moest je bijkans een snotterende student in de Atheense metro vragen om in je gezicht te hoesten.

Toch lopen nu ook in Griekenland de aantallen op. Daarom moet iedereen overal, binnen en buiten, een mondmasker dragen. In Athene is een nachtklok ingesteld, 65-plussers wordt ten zeerste aangeraden in zelfisolatie te gaan. Verder gaat het dagelijks leven door, op een paar hotspots na. De horeca blijft gewoon open.

Nee, de Grieken hebben niet de wijsheid in pacht. Elk land is anders en maakt daardoor andere afwegingen. Maar ze zijn wel zo slim geweest om de situatie in Italie meteen goed te duiden. Ze zijn doortastend geweest in hun besluitvorming. Ze hebben een consistente communicatie met hun burgers gevoerd en een helder exitplan geformuleerd, waardoor ze de bevolking meekregen met de maatregelen en zo hun ouderen beschermden.

In plaats van een ‘mea culpa’ had Rutte de vakantie van het koningspaar te vuur en te zwaard kunnen verdedigen. Hij had de kans kunnen grijpen om de Grieken te bedanken en een diepe buiging te maken: dat de familie Van Oranje onbezorgd vakantie kon vieren in het land van de schrandere Odysseus, terwijl in zijn eigen land langzaam het doek valt.

Reageer

Wel weten, maar niet voelen

De Limburger, 16 oktober 2020

In Amerika kun je in familie- en vriendenkring de politiek beter links laten liggen. Voor je het weet lopen de gemoederen zo hoog op dat een scheuring dreigt: woede, slaande deuren, het einde van jaren vriendschap. Sinds Trump is het onderwerp zo hachelijk geworden dat de meeste mensen er met een brede boog omheen laveren, als bezoekers van een kroeg om een hoestbui.

De kroegen zijn dicht, maar in Nederland zitten we ook niet meer zo gezellig onder ons. Corona is een hete aardappel geworden, een ideologie, een heilig geloof – en alle vurig beleden geloven hebben nu eenmaal de makke dat er weinig plaats is voor andersdenkenden. Familieleden staan plotseling schreeuwend tegenover elkaar op straat, omdat de een achter de maatregelen staat en de ander niet.

In Friesland was er de zoon die tegen zijn vader ageerde. De vader was woedend over de invoering van mondkapjes op school. Op een filmpje is te zien hoe hij – keurige vijftiger, overhemd, stropdas, lange jas – zich bij de ingang van de school van zijn zoon posteert om te gaan demonstreren, terwijl een handlanger opzichtig met de Nederlandse vlag zwaait.

‘Ik sta helemaal niet achter wat hij allemaal zegt,’ zei de zoon op Instagram over zijn vader. ‘Hij zit bij Viruswaarheid. Hij weet hoe ik er over denk. Vertel de waarheid, hij verzwijgt die.’ Viruswaarheid stelt op haar website dat het coronavirus ‘niets bijzonders’ is en vergelijkbaar met een normale griep. Derhalve zijn alle maatregelen, ook mondkapjes, tegen het virus flauwekul en een ‘aanval tegen de democratische rechtsstaat’.

Vaak schuilt er achter zo’n verhaal een ander verhaal. Uit de berichtgeving van de Leeuwarder Courant blijkt dat de jongen woedend is op zijn vader omdat deze hem verwaarloost. Hij woont bij zijn moeder en heeft zijn vader al weken niet gezien, omdat de man ‘hele dagen achter zijn laptop zit’. Ziet u het beeld voor u? Een man, hele dagen gefixeerd op zijn scherm. Werkloos geworden? In elk geval iemand die de aansluiting met de samenleving lijkt kwijtgeraakt, die zich in een hoek gedrukt voelt, mogelijk gekrenkt, tekortgedaan. Vandaar de Nederlandse vlag als attribuut: ooit was Nederland het land waarin hij zich goed voelde.

Ik moet denken aan Danny V. uit Heerlen. Danny die begin september CDA-politicus Pieter Omtzigt belaagde in Den Haag, samen met een groep andere mannen en vrouwen die de coronapandemie onzin vinden en de maatregelen ertegen vrijheidsberoving. Ze riepen onder meer: ‘mensen zoals jullie, die het Nederlandse volk voorliegen, hebben geen flauw benul van wat er aan de hand is.’

Een opmerkelijke zin, die suggereert dat de regering niet weet hoezeer zij getroffen zijn. Of, misschien wéten ze het wel, maar ze voelen het niet. En hebben ze niet een punt? Klopt het niet dat de ene groep hoog en droog zit in coronatijd, terwijl de andere groep de klappen krijgt?

In een column in The New York Times stelde Thomas Friedman onlangs dat Biden alleen de Amerikaanse verkiezingen kan winnen als hij in staat is de kiezers uit de werkende klasse aan te spreken, die mensen die vier jaar geleden puur uit wrok op Trump stemden – omdat ze de mensen haten die op hen neerkijken, mensen met universiteitsdiploma’s, met veilige banen en geldbuffers.

Voor het eerst zie ik een kans dat de VVD in maart gaat verliezen. De horeca, het MKB, de kleine zelfstandigen – zij ervaren dat de regering wel weet maar niet voelt wat de coronamaatregelen voor hen betekenen. Ze bouwen een wrok op, voelen zich miskend, gekrenkt. En wrok, weten ze in Amerika inmiddels, is een van de krachtigste politieke sentimenten die er bestaan.

 

Reageer

Het imperium praat terug

De Limburger, 2 oktober 2020

Toen ik in China woonde was het een mythische, vaste grap: het verhaal van de Nederlandse zakenman die om goede sier te maken zijn Chinese zakenpartner een Delfts Blauwe vaas cadeau doet. Oeps. Een geval van onwetendheid die je duur kan komen te staan. De Chinese partner vertrekt geen spier, maar zal het voor altijd onthouden, want het Delftse aardewerk is een imitatie van het beroemde Chinese porselein dat vanaf het begin van de zeventiende eeuw in Nederland arriveert met de schepen van de VOC, de Verenigde Oost Indische Compagnie.

Het luxe, blauwwitte porselein wordt een hebbeding voor de Hollandse elite en in Delft zien de pottenbakkers dan ook een gat in de markt: eigen ‘Chinees’ porselein dat precies lijkt op het origineel, inclusief de geschilderde Chinese voorstellingen: figuurtjes, waaiers, prieeltjes. Alhoewel de Chinese kaolien – een uiterst fijne, witte klei – in Nederland ontbreekt en de Delftse pottenbakkers het doorschijnende effect met tinglazuur nabootsen, loopt hun aardewerk als een tierelier: in 1700 zijn er maar liefst 33 keramiekbakkerijen in Delft.

In het Bonnefanten in Maastricht geeft de Chinese kunstenaar Ni Haifeng antwoord op deze geschiedenis. Hij vroeg Delftenaren om wat dagelijkse gebruiksvoorwerpen in te leveren – schilmesje, perforator, blikopener – en stuurde die naar Jingdezhen, sinds de elfde eeuw dé Chinese productiestad van porselein. De pottenbakkers maakten de voorwerpen na in blauwwit porselein en stuurden ze terug. Ziedaar: een koekje van eigen deeg. Delftse voorwerpen in ‘Delfts Blauw’.

Ni’s werk is deel van ‘Say it loud’. In deze tentoonstelling ‘praat het imperium terug’ – een begrip dat de Indiase schrijver Salman Rushdie in 1982 lanceerde. Hij schreef: ‘the Empire writes back with a vengeance!’ (het imperium schrijft terug en hoe!), doelend op de literaire stemmen uit de oud-koloniën die een nieuw verhaal, hun eigen verhaal, plaatsen tegenover de aloude verhalen van de schrijvers uit de ‘moederlanden’.

In Bonnefanten zijn het kunstenaars die terugpraten. Eeuwenlang meende Europa de wetten van schoonheid en kunst te kunnen dicteren, al het andere als inferieur wegwuivend – hoogstens goed om her en der wat van te jatten en te gebruiken voor persoonlijke faam. Zo antwoordt de Amerikaanse kunstenaar Kahlil Joseph met het videowerk BLKNWS, waarin hij op twee schermen historisch en actueel ‘zwart’ nieuws laat zien.

Bijvoorbeeld een interview met de Afrikaans-Amerikaanse kunstenaar Kerry James Marshall die spreekt over de oorsprong van moderne kunst. Onderwijl schieten op het belendende scherm beelden voorbij van Afrikaanse maskers en van het werk van Picasso en Matisse. De maskers lijken bijna één op één gekopieerd door de beroemde Spaanse en Franse kunstenaar. ‘Wij waren ruw materiaal,’ zegt Marshall, ‘de moderne kunst is afgeleid van Afrikaanse esthetica’.

Zo antwoordt de Singaporese kunstenaar Kent Chan met de installatie ‘Hot House’. Terwijl je plaatsneemt in de doorzichtige keet, die langzaam steeds warmer en vochtiger wordt, vertelt Chan in een video zijn verhalen over ‘de tropen’ als koloniaal gegeven, als het geromantiseerde beeld van de westerse, beschaafde mens die de ‘inlanders’ zelf met dedain bekijkt: bij zoveel hitte zijn die lui niet bij machte om na te denken. ‘Geluid reist bij hoge temperatuur sneller,’ zegt Chan, ‘maar het duurde meer dan honderd jaar voordat Singaporese kunst in het westen gehoord werd.’

En zo formuleert de Maastrichtse kunstenaar Juul Sadée, die al decennia samenwerkt met een groep Molukse vrienden, een antwoord op de overheersende Nederlandse beelden en verhalen over Indië, het rijk van Insulinde, dat voor veel lokale (én Nederlandse) vrouwen geen ‘gordel van smaragd’ was, maar een eenzaam eiland van smart. Europa is niet langer het epicentrum van de wereld, het is tijd voor de ontelbare verhalen van de andere kant.

Reageer

De smaak van vlees

De Limburger, 18 september 2020

In Roermond is een van de laatste slagers gestopt. Thei van Cruchten, 69 jaar, stopt na tweeënveertig jaar met zijn slagerij, berichtte De Limburger. In heel Roermond zijn er nu nog twee slagers over, vertelde de slager. En dat voor een stad als Roermond, die lang rijk was aan slagers. Hoe kon dat gebeuren? ‘Mensen weten niet meer hoe vlees moet smaken en wanneer het goed smaakt,’ zei hij.

Ik geloof dat hij daarmee de essentie verwoordde. Want de feiten zijn bekend: de supermarkt kwam, de vleesindustrie kwam, de grote slachthuizen kwamen. De slager als vakman – als slachter én verwerker van vlees – is zo goed als verdwenen. De afstand tot het dier is zo groot dat het zelfs bij slagersopleidingen vrijwel alleen gaat om het ‘produceren van vleesproducten’. Het vlees is al dood, onthaard en uitgebeend. Dat gebeurt in de grote slachthuizen, door arbeidsmigranten, aan de lopende band. De een hakt, de ander snijdt.

In mijn jeugd woonde ik tegenover een slager. In zijn koelcel hingen grote karkassen, waarvan ik af en toe een glimp opving als ik in de winkel stond te wachten tot ik aan de beurt was. Dat kon zelfs met twee klanten in de zaak lang duren, want er werd oneindig lang gekletst. Dan kon ik alles goed bekijken, de vleeshaken met de hammen, het bloederige hakblok, het witte, besmeurde schort van de slager, zijn handen. Terwijl ik wachtte overviel me een lichte misselijkheid. De zware, weeë lucht. Zelfs in de huiskamer van de slager, waar ik weleens kwam, kon ik die geur ruiken.

Decennialang was het vooruitgang: voor iedereen elke dag een stukje vlees. Het vlees lag in een schap in de supermarkt, losgezongen van de slager: het was een ‘vleesproduct’ geworden. Je nam het voor lief als het helemaal niet zo lekker was – je gooide het in de vuilnisbak of gaf het aan de hond. Volgende keer beter.

Iedereen weet dat dat tijdperk voorbij is. De vleesindustrie, als kolossale vervuiler, betekent regressie. En de meeste mensen realiseren zich opnieuw dat er een dier gedood moet worden voor een vleesproduct. Het moet geslacht worden. Dat gebeurt in twee stappen, ik citeer nu de informatie van het Nederlandse Voedingscentrum: ‘eerst wordt het bedwelmd met koolzuurgas (CO2) of krijgt het een elektrische schok. Het bewusteloze dier wordt daarna gedood door een pin in het voorhoofd, een steek in het hart of door de halsslagader door te snijden.’

Als ik zoiets simpels lees wil ik al vegetarisch worden. Want mag je vlees eten als je zelf niet bereid of in staat bent een dier te doden? Je moet ergens beginnen, daarom eet ik nog maar twee keer in de week vlees. Goed vlees. Niet van de supermarkt of van een keurslager die zich niet met dierenwelzijn bezighoudt, maar van een lokale, duurzame boer. Er zijn alternatieven genoeg, ook in de stad.

Ik denk daarbij aan de woorden van slager Van Cruchten, aan hoe vlees moet smaken. Ik denk aan de slagerij tegenover mijn ouderlijk huis en ik realiseer me dat smaak niet alleen gaat over wat je in je mond stopt. Het gaat om veel meer. Je eet vlees van een dier dat een behoorlijk leven heeft gehad, dat in een wei heeft gestaan, niet in een megastal. Bij een boer die bezig is met dierwelzijn. Het gaat om smaakbeleving. En het is niet duurder: als je minder vlees eet, kun je er meer voor betalen.

We stellen zoveel belevingseisen aan een kopje koffie – de barista is de nieuwe vakman. Waarom zou je niet meer eisen stellen aan een stukje vlees?

 

Reageer

« Vorige pagina« Vorige items « Vorige pagina · Volgende pagina » Volgende items »Volgende pagina »