In Nederland

DE UITDAGING

[De Stemming, L1, 11 oktober 2015]

De Algerijns-Italiaanse schrijver Amara Lakhous onvluchtte in 1995 Algerije en belandde in Rome, waar hij sindsdien werkt als journalist. Hij is Algerijn, moslim en spreekt Arabisch, Frans, Italiaans en Engels.

Afgelopen zomer gaf hij een lezing getiteld ‘De uitdaging van diversiteit’. Daarin zei hij: ‘Het is bijzonder om in een land tot een minderheid te behoren. Het biedt je een geweldige kans om creatief te zijn. Je moet nieuwe antwoorden vinden en nieuwe vragen stellen.’

De twintiger Abdulrahman Kasem vluchtte vorig jaar uit Syrië. Hij belandde via Libanon en een levensgevaarlijke boottocht uiteindelijk in Weert. Tegen een journalist van De Limburger vertelde hij dat hij teleurgesteld is. Hij zei:
‘Ik word raar aangekeken als ik over straat loop. Het lijkt of mensen bang voor me zijn. Ik krijg geen contact. Wat doe je hier, wordt me gevraagd. Dit is niet wat ik me van Europa heb voorgesteld. Ik wil graag werken maar ik krijg geen baan. Als je me nu vraagt of het al die gevaren die ik heb doorstaan waard was, dan zeg ik nee. Ik was liever in Syrië gebleven met het risico te sterven.’

Ervaringen van vluchtelingen zijn net zo verschillend als er mensen zijn. In de discussie over de komst van vluchtelingen wordt voortdurend een voor of tegen gecreëerd: het zijn slachtoffers die wegvluchten uit een land in oorlog, nee het zijn calculerende migranten die precies weten naar welk land ze vluchten. Je zit in het Welkom kamp of je zit is het Wilders kamp. Kritische vragen en twijfels worden in beide kampen verontwaardigd van de hand gewezen.

Je vraagt je af of mensen die in een bootje stappen en vooraf een telefoonnummer op hun zwemvest schrijven met de tekst: ‘if I die please call my mom’ calculerende migranten zijn. Je vraagt je af of jonge jongens met Adidas sneakers, een i-Phone in de hand en torenhoge verwachtingen weerloze, zielige vluchtelingen zijn.

Ongebreidelde instroom van vluchtelingen is net zo onrealistisch als angst voor criminaliteit, terrorisme en testosteronbommen. Mij baart iets heel anders zorgen. De teleurstelling zoals Abdulrahman Kasem uit Weert die voelt. Dat je uiteindelijk liever in je eigen land was gebleven, zelfs na de gruwelijke overtocht. In een ander land helemaal opnieuw beginnen is geen sinecure. Ook geslaagde vluchtelingen houden een knoop in hun maag. Lees het interview in De Limburger van gisteren met de Noord-Koreaanse schrijfster die naar China vluchtte. Ze zegt daarin: ‘Veel mensen zijn geschokt als ik zeg dat ik Noord-Korea mis. De mensen. De omgeving waar ik opgroeide. Ik droom van de dag dat Noord- en Zuid-Korea worden herenigd. Dan ga ik terug.’

Hoe gaan we voorkomen dat groepen vluchtelingen zich straks terugtrekken in hun eigen wereld, met enkel lotgenoten als gezelschap en een nostalgie naar het oude leven in Syrië? Hoe kunnen ze een por in de ribben krijgen waardoor ze hun verblijf in Nederland, of ze nou over een paar jaar teruggaan of niet, als waardevol gaan zien? Als we daar nu niet over nadenken, zitten we straks met een verloren generatie en met een geweldig probleem.

[luister hier naar de column in de radiouitzending De Stemming]

Reageer

In Nederland

IDENTITEIT

[De Stemming, L1, 13 september]

Alweer bijna twintig jaar geleden, in 1996, schreef de Libanees-Franse schrijver Amin Maalouf het essay Moorddadige identiteiten. Amin Maalouf ontvluchtte in 1975, bij het begin van de burgeroorlog in Libanon, zijn land en kwam met vrouw en kinderen via Cyprus in Frankrijk terecht, in Parijs.

Maalouf behoorde tot een christelijke minderheid in Libanon. In de kelders van zijn ouderlijk huis runde zijn grootvader een seculiere school. Deze grootvader – die het Ottomaanse, het Franse en het onafhankelijke Libanon had meegemaakt – koesterde het ideaal van een verlicht Libanon, een verlichte Levant, waar een mengeling van culturen – islamitisch, christelijk, joods – zou gaan zorgen voor een ongekende beschavingsbloei.

Het mocht niet zo zijn. De Levant waarvan hij droomde, het gebied ten oosten van de Middellandse zee, Israël, Jordanië, Libanon, de Palestijnse gebieden en Syrië is nu een onstuimige zee van onrust en oorlog, bevolkt met groepen die zich hebben ingegraven in hun religieuze of etnische identiteit en elkaar tot op het bot wantrouwen en haten.

Amin Maalouf werd in Frankrijk een gerenommeerde schrijver. Hij won de Prix Goncourt en werd hij lid van de prestigieuze Academie Francaise. In zijn essay Moorddadige identiteiten pleit hij voor het recht van mensen om tot meerdere identiteiten tegelijk te behoren. Zelf is Maalouf Arabier, christen en Fransman. Elke immigrant, zegt hij, moet je de mogelijkheid geven om te zeggen: ja, ik hoor bij het land waar ik woon, en ik hoor ook bij het land waar ik vandaan kom. Als je mensen dwingt om te kiezen dan creëer je ‘moorddadige identiteiten’, want als mensen gedwongen worden om te kiezen zullen ze in conflict komen met zichzelf en dat zal leiden tot frustratie, intolerantie en woede.

Hier in Limburg hebben we iemand die heel hard werkt aan het verspreiden van dit gedachtengoed: de Bosnisch-Nederlands-Limburgse documentairemaker Sergej Kreso. Kreso vluchtte in 1993 uit voormalig Joegoslavië, belandde in Echt en werd documentairemaker. Hij maakte onder meer de documentaire Vraem Luuj, over vier immigranten die Limburgs dialect leerden en in het dagelijks leven plat kalle.

Vorig jaar verscheen van hem Asielzoeka’s, over jongeren die hun jeugd samen in een asielzoekerscentrum doorbrachten. Ze kwamen uit Afghanistan, Armenië of Joegoslavië en werden hechte vrienden. Inmiddels hebben ze elk een eigen leven, in Limburg, Noord-Holland of Overijssel. Vaak verlangen ze terug naar de afgesloten, saamhorige wereld van het asielzoekerscentrum, waar ze lief en leed deelden en ze een gezamenlijke geschiedenis hebben.

Vraem Luuj en Asielzoeka’s zijn komende week te zien tijdens Docfest, het eerste Limburgse documentairefestival in Maastricht, waar Kreso speciale gast zal zijn. Intussen heeft Kreso een zeer Limburgse film gemaakt die binnenkort op het Nederlands Filmfestival in premiere gaat: MijnstreekComplex, over Heerlense jongeren en hun opmerkelijke verbondenheid met de mijnstreek en het mijnverleden, waar ze eigenlijk niet zoveel van weten.

Op de vaak gestelde vraag of Kreso zich meer Nederlander of meer Bosniër voelt, zegt de filmmaker: ‘Ik voel me als een moderne nomade die met wijd open ogen naar de wereld kijkt waarin hij op dit moment leeft, maar die de wereld waar hij vandaan komt nog niet vergeten is.’

[luister hier naar de column in de radiouitzending De Stemming]

Reageer

In Nederland

IEDEREEN EEN ROBOT EN EEN BASISINKOMEN!

[De Stemming, L1, 21 juni 2015]

Persoonlijk kan ik niet wachten tot de robotisering een alledaags verschijnsel is geworden. Het vooruitzicht van zo’n robotmannetje dat je opdrachten kunt geven en dat jou dan vriendelijk toeknikt! Terwijl ik aan deze column werk, pakt hij de stofdoek, tilt met zijn fijne robotvingertjes alle voorwerpen voorzichtig op en stoft de kamer. Ik aai hem over zijn hoofd en geef hem instructies om de badkamervloer te dweilen. Mijn hulpje kraait van plezier, want hij herkent mijn stem en hij voelt dat ik blij wordt van al die klusjes die hij voor mij doet.

Fictie? Nee, hij is binnen handbereik, zo’n mannetje! Een bedrijf uit Roermond heeft al zo’n vriendelijk robotje aangeschaft. Hij heet Nao, herkent gezichten en voelt aan of iemand vrolijk of gedeprimeerd is. Hij kan stofzuigen, doet aan tai ji en kan gymlessen geven.
De ondernemer uit Roermond ziet in eerste instantie vooral mogelijkheden in verzorgingstehuizen voor Nao. Hij kan basistaken uitvoeren, waardoor zorgmedewerkers meer tijd hebben voor menselijk contact. Maar hij kan ook de eenzaamheid een beetje verdrijven, omdat-ie al zo menselijk is.

Bij de ondernemer thuis is Nao inmiddels deel van het gezin. Stinkjaloers ben ik. Nu ik weet dat Nao bestaat beginnen allerlei huishoudelijke taken op mijn zenuwen te werken – de tijd die ik kwijt ben aan stompzinnige dingen die voortdurend terugkeren, zoals stoffen en het dweilen van de keukenvloer.

En weet u wat-ie kost? Tienduizend euro! Daar kan geen zzp’er tegenop.
Al die rotkarweitjes en rotbaantjes gaan dus in de toekomst verdwijnen.
De wc-juffrouw zal niet meer bestaan. In haar plaats komt een robot die ook aan het eind van de dag nog vrolijk de lap over de wc-bril haalt en je een fijne dag wenst. Champignonplukkers, afwassers, kartonvouwers – ze gaan allemaal tot het verleden behoren.

Een schrikbeeld, zegt u? Nee, hoor, want die wc-juffrouw, die afwasser en die kartonvouwer hebben dan hopelijk in de toekomst een of andere vorm van basisinkomen.

Het basisinkomen leeft, linksom of rechtsom. Ook de gemeente Maastricht bereidt een experiment voor. Afgelopen woensdag was er een debat over, in een volle zaal, met als uitgangspunt: als er steeds minder werk is, dan moet een basisinkomen in elk geval onderzocht worden.

Het aantal mensen in de bijstand groeit en al deze mensen worden tot passiviteit gedwongen: de godganse dag zijn ze bezig de eindjes aan elkaar te knopen en de regeltjes te volgen, bang dat ze gekort worden.

Uit eerdere experimenten is gebleken dat mensen met een basisinkomen actiever worden. Er is een prikkel om geld te verdienen, ze kunnen iets van het geld investeren in een eigen bedrijfje, een korte opleiding. Ze worden optimistischer, gezonder.

Ook veel zzp’ers en flexwerkers komen nauwelijks boven een bestaansminimum uit. In de creatieve beroepen, de kunst, de muziek, het toneel, de literatuur, werken mensen vaak voor een appel en een ei – ach, u doet dit toch voor uw plezier, moet u er ook nog geld voor? Kijk eens, hier is een flesje wijn voor u.

Ik zeg: iedereen een robot en een basisinkomen!
En met dit vooruitzicht wens ik u een prachtige zomer.

[luister hier naar de column in de radiouitzending De Stemming]

Reageer

In Nederland

CRISIS

[De Stemming, L1, 31 mei 2015]

Ik zou weleens willen weten: hoever zitten we nu eigenlijk in de crisis. Aan het begin, in het midden, of toch al aan het eind? En hoe lang duurt een crisis gemiddeld?

Sinds 2008, toen de crisis uitbrak, horen we een paar keer per jaar dat er voorzichtig economisch herstel in aantocht is. In de tweede helft van het jaar zullen we een lichte groei zien, nee in de eerste helft van volgend jaar, nou nee, wacht even, de groei heeft niet doorgezet, maar in het viérde kwartaal, mensen, dan gaan we het écht zien: misschien wel 0,6 procent!

Het wordt tijd dat we onze conclusies trekken. You get what you get and you don’t get upset. Oftewel: dit is het, hier moeten we het mee doen. Als we de twintigste-eeuwse fixatie op doorlopende economische groei loslaten, moéten we wel veranderen – is een van de gedachten van Jan Rotmans, beter bekend als De Kantelaar.

Ooit was Rotmans hier in Maastricht de jongste hoogleraar van Nederland, nu is hij hoogleraar Transitiekunde aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam en tevens oprichter van Nederland Kantelt, een vernieuwingsbeweging die Nederland duurzamer en mensgerichter wil maken. De boodschap is: we hoeven als individuen, als consumenten niet machteloos toe te zien hoe we met z’n allen op een totale black-out afstevenen als gevolg van vallende banken, frauderende bestuurders en stroperige processen. We kunnen daar zelf iets tegenover stellen en proberen de oude mechanismen te laten kantelen.

Afgelopen week hoorde ik drie willekeurige, prikkelende berichten. Ten eerste: pensioenfonds ABP wil niet dat Shell gaat boren in het noordpoolgebied. ABP heeft voor ongeveer een miljard aan aandelen in Shell en wil een gesprek over Alaska.

Shell voert, zoals u misschien weet, een uiterst misleidende reclame over schone energie, maar zet in werkelijkheid uitsluitend nog in op fossiele brandstoffen: olie en gas. Verbijsterend en schandalig, zegt Rotmans. Hoe kun je nou de belangrijkste ontwikkeling in de wereld, de verduurzaming van de energiesector, stelselmatig negeren? Nog afgezien van de foute landen die we van ons af kunnen schudden als we niet meer afhankelijk zijn van fossiele energie.

Ten tweede: Een jonge ondernemer, Bernd Damme, is een start-up begonnen in man-made diamonds, diamanten die niet uit mijnen komen, maar die via een ingewikkeld technisch proces gemaakt worden door mensen. Denkt u zich eens in: geen bloeddiamanten meer, geen smerige kinderarbeid, en wat betekent dit mogelijk voor andere kostbare delfstoffen, zijn die misschien ook maakbaar?

Ten derde. In Maastricht wordt nagedacht over het basisinkomen. Het gegeven is dit: Maastricht slaagt erin dubbel zoveel mensen aan het werk te helpen als in voorgaande jaren, maar het aantal mensen in de bijstand blijft groeien. En niet alleen in Maastricht, de trend is landelijk. Het aantal banen neemt simpelweg af, door de robotisering en de voortgaande flexibilisering van de arbeidsmarkt.
‘Als werk voor iedereen een illusie is, dan moet een basisinkomen niet langer taboe zijn,’ vindt wethouder Sociale Zaken André Willems.

Drie berichten, die de kiem van verandering in zich dragen. Geld voor mensen aan de onderkant, zonder dat ze gecriminaliseerd worden, onbesmette edelstenen die je op bestelling kunt laten maken, en een onaangeraakte, smetteloze Noordpool.

[luister hier naar de column in de radiouitzending De Stemming]

Reageer

In Nederland

KLUIZENAAR

[De Stemming, L1, 3 mei 2015]

In De brief voor de koning, het beroemde kinderboek van Tonke Dragt, maakt hoofdpersoon Tiuri een vervaarlijke tocht door de bergen en bereikt tenslotte de hut van Menaurus, de kluizenaar.

Ik moest aan dit boek denken toen ik afgelopen week in de bergen was, weg van het nieuws, de wanen van de dag, weg ook van het koude weer – op mijn berg was het warm en droog.

De Brief voor de koning is een moderne klassieker – na meer dan vijftig jaar is het nog steeds een van de best verkochte kinderboeken.

Het boek bevat de ingrediënten van een oerboek. Ten eerste is er het geheim. De brief die Tiuri naar de koning van Unauwen moet brengen, bevat zeer geheime informatie. Ten tweede is er de reis. Tiuri moet een reis vol obstakels en hinderlagen ondernemen om de brief te kunnen bezorgen. En ten derde is er de opdracht: de brief moet bezorgd worden – de veiligheid van het land van Unauwen staat op het spel. En, nog veel belangrijker: zijn eigen eer.

Een geheim stuwt een boek voort, de lezer wil het weten. Een reis biedt de kans op ontmoetingen, gevaren, oponthoud en onverwachte zijpaden, waardoor de hoofdpersoon zichzelf leert kennen. De opdracht is het hart van het boek: het geeft de hoofdpersoon een doel en daarmee de kans op groei, verlossing, wijsheid.

De aankomst van Tiuri bij de hut van kluizenaar Menaurus is een rustpunt. Tijd voor contemplatie. Hoe nu verder?
Zouden er nog kluizenaars bestaan, vroeg ik me op mijn eigen berg af, mensen die zich terugtrekken uit het burgerleven en op een berg, in een kloof, in de woestijn gaan leven en zich in alle rust overgeven aan het nadenken over het leven?

Hoe mooi zou het zijn als je na een lange, vermoeiende reis bij zo’n hut aankomt en je een wijze man of vrouw om goede raad kunt vragen. Hoe nu verder?
Maar wie voelt er nog een opdracht in het leven?

Een week of twee geleden sprak een columnist van de International New York Times van de moral bucket list, het morele lijstje van de dingen die je nog zou willen doen. Tegenover het CV, het curriculum vitae, dat ingezet wordt voor de carrière plaatste hij het lijstje van morele deugden die meestal pas bij begrafenissen ter sprake komen: was hij of zij vriendelijk, eerlijk, liefdevol, sociaal? Had hij of zij compassie, moed, humor?

Iedereen zou, stelde de columnist, net als met het CV, vanaf de basisschool de opdracht voor een moreel lijstje moeten krijgen. The Big Me, het Grote Ik, moet compensatie krijgen van de Grote Ander, het Grote Andere – het besef dat we niets zijn zonder anderen, dat je kunt streven naar geld, aanzien, status, maar dat dat nooit genoeg zal zijn om een vervulbaar leven te leiden.

Misschien dat alleen op deze manier fraude en bedrog zoals nu bij de NS in Limburg voorkomen kan worden. ‘Uiteindelijk is iedereen te koop,’ zei een bedrijfsrechercheur over de kwestie. ‘Het lijkt op rupsje-nooit-genoeg. Iemand die al veel geld heeft, wil nog meer.’

Het lijkt de ziekte van deze tijd. Wie eraan lijdt, de René de Beeren en de Toine Gresels van deze wereld, raad ik aan: lees De brief voor de koning of ga op zoek naar een kluizenaar in een oeroude bergkloof.

[luister hier naar de column in de radiouitzending De Stemming]

Reageer

In Nederland

DE ZIEL VAN LIMBURG

[De Stemming, L1, 5 april 2015]

Een voorstelling over de ziel van Limburg – zo wordt de eerste productie van de twee nieuwe artistiek leiders van Toneelgroep Maastricht, Michel Sluysmans en Servé Hermans, aangekondigd.  ‘Waar het vlakke land gaat plooien’ heet-ie en het gaat over de onmogelijkheid er te gedijen: ‘Wie van Limburg is, groeit nergens weer opnieuw’.

Ach nee toch, dacht ik. Dus de eerste voorstelling van twee dertigers, zelf al vijftien jaar weg uit Limburg – de een vertrok naar Amsterdam, de ander naar Gent – gaat over het Limburgse minderwaardigheidscomplex. Gaat over de naweeën van de sluiting van de mijnen.

In de zomer gaan ze Shakespeares Othello doen, las ik in een interview. Dat gaat volgens Servé Hermans over hoe een gesloten gemeenschap als Limburg omgaat met buitenstaanders. ‘Zacht racisme’, zei hij. ‘Als iemand van buiten hier passeert, moet altijd benoemd worden dat hij anders is.’

Hebben ze onder een steen geleefd?, vroeg ik me af. Of hebben ze een tunnelvisie op Zuid-Limburg ontwikkeld: een Limburg dat vastzit in ofwel het Bourgondische sjabloon, zoals schrijfster Marente de Moor laatst zo treffend opmerkte, het keurslijf van gezelligheid, ofwel in het sjabloon van het verongelijkte, misdeelde, argwanende Limburg, het Limburg van: ze moeten altijd ons hebben, ons wordt niks gevraagd, hier wordt het toch niks.

Ik ben zelf vijfentwintig jaar weggeweest uit het Zuiden. Ik vond een ander Limburg terug, zelfbewuster, opener, ambitieuzer, veelkleuriger en vooral wereldser. In de wijk waar ik woon hoor ik naast Maastrichts dialect Engels, Duits en Frans. Ik hoor Arabisch en Chinees. Ik vertrok om de wereld in te gaan, en de wereld is naar Limburg gekomen. Ik ga naar de Turkse buurtwinkel, ik zie meisjes met hoofddoekjes bij Albert Heijn. Mijn kapster komt uit Roemenië, de winkelier ernaast uit Iran. De kapper van mijn eega is van Marokkaanse afkomst, woont in Luik en heeft een winkel in Maastricht. Hier in café Forum ontmoette ik Abbie Chalgoum, een jongen van Marokkaanse afkomst, die Jezus speelt in de Passiespelen in Tegelen.

Afgelopen week was ik bij een buurtbijeenkomst. Het was de eerste bijeenkomst waarin bewoners van oudsher en migranten met elkaar in gesprek gingen over hun wederzijdse angsten. De angst of het gezin naast je misschien radicale denkbeelden heeft. De angst of het groepje jongens op straat je gaat uitschelden, omdat je een hoofddoek draagt.

Wat me opviel was dat sommige buurtbewoners van Marokkaanse afkomst het sjabloon van verongelijktheid hebben geadopteerd: onze kinderen krijgen hier toch geen baan. Het heeft eigenlijk geen om werk te zoeken. Als je een Marokkaanse achternaam hebt, word je sowieso niet aangenomen.

Ik ging kijken naar de voorstelling over de Limburgse ziel en hield mijn hart vast. Ik werd totaal verrast. Wat een performance – want dat was het, geen toneel, maar een gig: zang, poëzie en cabaret ineen, humoristisch, wervelend, verrassend. Het was theater, helemaal gebouwd op de kracht van Limburg: de muziek.

Dat belooft wat. Mochten deze getalenteerde jongens op zoek zijn naar onderwerpen, dan weet ik er wel een: hoe zes Maastrichtenaren naar het kalifaat vertrokken, een zich opblies, een ander omkwam, en hoe men nu in Maastricht de wonden likt. Over de ziel van Limburg anno 2015.

[luister hier naar de column in de radiouitzending De Stemming]

Reageer

In Nederland

DE VLOEK VAN DE MIJNEN

[De Stemming, L1, 15 maart 2015]

Het was een soort tropengeneeskunde, vertelde een Amsterdamse psychiater over zijn werk in Heerlen en Hoensbroek de afgelopen jaren. ‘De achterstand is enorm. Er zijn veel psychische problemen, vaak in samenhang met armoede, huiselijk geweld, drugs en werkloosheid die van vader op zoon wordt doorgegeven.’

De psychiater was vooral geschrokken van de eenzaamheid van veel mensen met problemen. In Amsterdam, vertelde hij, had hij vaak gewerkt met Marokkaanse migranten. Die kwamen meestal samen met een familielid op het spreekuur en konden zo rekenen op emotionele steun. In Hoensbroek zag hij bij de patiënten -geboren en getogen Limburgers- een heel ander beeld: geen familie, geen betrokkenheid van de buurt.

Ik las dit allemaal in het universiteitsblad Observant, in een speciale bijlage over  de Oostelijke Mijnstreek, de ongezondste regio van Nederland. De levensverwachting is hier twee jaar lager, de sterftecijfers zijn het hoogst, de inwoners lijden het meest aan psychische stoornissen, jongeren zitten hier het vaakst in de jeugdzorg en er worden nergens zoveel bijstandsuitkeringen verstrekt als hier.

En dit is nu al decennia zo. Het meest deprimerend zijn de cijfers en observaties over jongeren. Er wordt veel gerookt, te vet gegeten en het opleidingsniveau komt bij tweederde van de jongeren niet boven het VMBO uit, terwijl er weinig werk is voor laagopgeleiden.

Frank Soomers, die als huisarts al 31 jaar in een praktijk in Kerkrade werkt, maakt zich vooral daarover boos: het gebrek aan werk, aan vooruitzicht. ‘Dat neem ik de overheid zeer kwalijk,’ zegt hij. Dat gebrek aan perspectief draagt bij aan de passiviteit en gelatenheid in de streek. Want dat blijkt een terugkerend kenmerk van de Oostelijke mijnstreek: de lethargie.

Als verklaring van zowel de ongezonde leefstijl als de passiviteit verwijzen de artsen en onderzoekers geregeld naar het mijnverleden. Mijnwerkers verdienden relatief goed en konden zich daardoor een zekere luxe permitteren: veel alcohol, tabak en vlees. Daarnaast regelden de mijnen alles voor hun werknemers: huisvesting, onderwijs en allerlei medische en sociale voorzieningen.

‘Tropengeneeskunde’. Inderdaad, de Oostelijke Mijnstreek vertoont de symptomen van een ontwikkelingsland. Het gaat gebukt onder de erfenis van wat in Afrikaanse landen de ‘resource curse’ wordt genoemd, de vloek van de grondstoffen: hoe meer kapitaal er in de grond zit, hoe minder een land, een bevolking zich breed-economisch en -sociaal ontwikkelt.

Laten we het eens onder ogen zien: de mijnen zijn meer een vloek dan een zegen geweest voor Zuid-Limburg. Ze hebben een monocultuur en een onderklasse opgeleverd. Ze hebben verhinderd dat de bevolking initiatiefrijk werd, op zoek ging naar gevarieerde manieren om geld te verdienen en de streek te ontwikkelen. Niet de sluiting van de mijnen is het drama van de Oostelijke Mijnstreek, maar de komst ervan.

‘Een mentaliteitsverandering,’ zegt Frank Soomers, de doorgewinterde huisarts in Kerkrade, ‘dat is het enige dat helpt. Begin bij de peuterspeelzalen en de scholen en hopelijk zie je dan over dertig jaar resultaat.’

Hoe trek je de kinderen, de jongeren van de Oostelijke Mijnstreek uit het moeras – dat, en alleen dat, moet de opdracht zijn van het Jaar van de Mijnen en IBA Parkstad.

[luister hier naar de column in de radiouitzending De Stemming]

Reageer

In Nederland

DE VAN ROSSUMS IN MAASTRICHT

[De Stemming, L1, 22 februari 2015]

De Van Rossums waren in Maastricht. Heeft u het meegekregen, de drie beroepsknoteraars die een aantal steden bezoeken en een programma mogen volmopperen over wat ze zien?
In De Wereld Draait Door mochten ze zichzelf presenteren. Daar zaten ze, ongewassen, ongekamd, huiskloffie aan, neuspeuterend – het summum van Hollands amusement: drie onappetijtelijke mensen die klagen, zeuren en brommen. Het is niks en het deugt niet. En dat is humor.

Het trio – Maarten, Vincent en Cis, geïntroduceerd als historicus, architect en kunsthistorica – trapte af in Maastricht, aangekondigd als de meest on-Nederlandse stad van Nederland. ‘Dat zal de Van Rossums aanspreken,’ sprak de olijke stem van Philip Freriks, die als verteller het programma aan elkaar praat. Moest de kijker zich nu schrap zetten?

Ze begonnen met een glas wijn op Chateau Neercanne. Nu ging het komen, een eerste schimpscheut over Limburgers die denken dat ze wijn kunnen maken.
‘Die wijn is hier gemaakt, in Nederland,’ was de openingszin van broer Vincent. ‘Dat kunnen wij ons toch niet voorstellen, dat zo’n fantastische, frisse witte wijn niet uit de Loire streek komt, maar gewoon uit Zuid-Limburg!’

Het viel me op dat het trio er een stuk verzorgder uitzag, voor de gelegenheid hadden ze het haar gewassen en een schone trui aangetrokken. Met het glas wijn in de hand keken ze genoeglijk uit over het weidse heuvelland.
‘O, jongens kijk nou toch eens,’ jubelde broer Vincent. ‘Hallo hey, zijn we nog in Nederland, of zijn we in een geblindeerd busje naar Frankrijk gereden?’

Maastricht kon vervolgens bijna niet meer stuk. Van de Stokstraat tot het Bonnefantenmuseum, van het Stadhuis tot de ambachtelijke frieten in de Wycker Brugstraat.
Regiobranding Zuid-Limburg had het niet beter kunnen doen. Het programma trok een miljoen kijkers, dus tel uit je winst.

Maar voor een programma over mopperkonten was het nogal teleurstellend, dus of die kijkers terugkeren is de vraag. Wie had niet gehoopt op wat vileine bespotting van de stad Maastricht en Limburg in het algemeen? Als je dan toch beroepscriticasters aan het woord laat, laat ze dan ook hun rol spelen, zou je zeggen. Kom op met de meedogenloze blik van buiten.

Wat, dacht ik, als de Van Rossems met carnaval het Vrijthof hadden bezocht?

Mensen, mensen wat een ellende!
Kijk eens naar die kolossale geluidskar die die klereherrie produceert en met z’n decibellen het hele plein overheerst!
Ik dacht dat carnaval hier beroemd was om z’n zaate hermenies, van die kleine fanfares die zo gezellig muziek maken?
Nou, daar hoor je hier op het plein echt he-le-maal niets van!

Aan zo’n commentaar had Maastricht nog wat gehad.

Laten we ons geen illusies maken over de opinies van de Van Rossums. In een interview zei Cis, de kunsthistorica, dat ze teleurgesteld was dat ze voornamelijk Nederlandse steden bezochten. ‘Ik vind dit maar een suf land met vervelende mensen.’
Op de site van 1Limburg plaatste een kijker een fragment uit de quiz De Slimste Mens, waarin Maarten Van Rossum figureert. In dat fragment zegt hij: ‘Ik vind dat Maastricht best aardig, maar de rest van die provincie, daar hadden we nooit aan moeten beginnen.’

Zo kennen we hem weer. ‘Hier zijn de Van Rossums’, reageerde een kijker droogjes: ‘dat noem je nou zendtijd verkloten.’

[luister hier naar de column in de radiouitzending De Stemming]

Reageer

In Nederland

NARRATIEF

[De Stemming, L1, 18 januari 2015]

Deze week bekeek ik het glossy magazine van Al-Qaida op internet. Die glossy heet Inspire, Inspireer, en geeft uitleg over de heilige oorlog, profielen van dappere martelaren en diverse tips; tricks voor aanstormende jihadi’s, waaronder instructies voor het maken van brandbommen en andere explosieven.

Het verontrustende van het blad was dat het zo normaal oogde: gladde vormgeving, opiniestukken, achtergronden en eindigend met een gedicht. Dit is het leesvoer van een jongere die eenmaal in het narratief van de revolutie zit.

Het narratief, the narrative – dit woord dook deze week verschillende keren op. ‘Het verhaal’ is niet de goede vertaling. Het narratief betekent: de uitgezette lijn, het kader, het vastomlijnde verhaal met een duidelijk doel.

Moslimjongeren die radicaliseren raken in de ban van het narratief van de rechtvaardige strijd. Eenmaal binnen dat narratief is het heel moeilijk ze daar weer uit te krijgen. Welk narratief stellen wij daar tegenover, vroeg ik me de afgelopen dagen af. Wij reiken geen afgebakend kader aan, geen vastomlijnd doel anders dan: je in vrijheid kunnen ontwikkelen, ongeacht je afkomst, geloof, ras of politieke voorkeur. Maar welke verhalen bieden zoekende jongeren de mogelijkheid tot identificatie, tot inspiratie?

Wat gebeurt er op scholen? Op de beide debatavonden in Maastricht en Sittard miste ik ervaringen van docenten. Op de radio hoorde ik de uit Weert afkomstige Trudy Coenen, sinds jaar en dag docent aan een vmbo-school in Amsterdam. Coenen kijkt helemaal niet op van leerlingen die de jihad wel tof vinden, de holocaust ontkennen en roepen dat de Franse cartoonisten het toch zeker zelf schuld zijn. Coenen laat al die kinderen hun zegje doen, maar daagt ze tegelijkertijd uit om met feiten en argumenten te komen, niet alleen maar met meningen en emoties.

Coenen vond het een slechte zet dat een vmbo-school in Heemskerk een cartoon van Charlie Hebdo weghaalde, omdat moslimleerlingen geklaagd hadden. Je moet naar leerlingen luisteren, zei Coenen, maar ook voor iets staan. Ga maar in gesprek, maak maar duidelijk dat dit in Nederland tot de persvrijheid behoort.

De directrice van de vmbo-school legde in De Telegraaf uit dat moslim-leerlingen emotioneel op de cartoon reageerden: ze zagen alleen het beeld, begrepen de Franse tekst niet en zagen de nuances niet.

Ja, daar zit wel een begrijpelijk probleem. Het is mooi dat de laatste jaren de beta-vakken zo’n opmars hebben gemaakt – daar heb je toekomst in, daar kun je iets mee studeren waarmee je een goede baan vindt. Maar met verhalen, met literatuur, met geschiedenisonderwijs schop je de leerling een geweten, om met Louis Paul Boon te spreken.

Wat betekent satire en ironie? Wat is de rol van de nar en wat is het verschil tussen feit en fictie, tussen feiten en meningen? Boeken, romans, bieden de beste aanleiding om het over ethische kwesties, morele dilemma’s te hebben. Romanfiguren de beste manier om je in te leven in personen die anders denken, anders zijn. Stof Oeroeg af, haal Schuld en Boete van de plank, lees het Huis van de Moskee, vertel over Max Havelaar, over Raskolnikov, De Uitvreter, Anna Karenina en de man die in een kakkerlak veranderde – en luister naar wat leerlingen te vertellen hebben.

[luister hier naar de column in de radiouitzending De Stemming]

Reageer

In Nederland

GEEN NIEUWS
[De Stemming, L1, 14 december 2014]

Toen ik nog in Zuid-Afrika woonde, ontmoette ik geregeld mensen die zeiden dat ze de krant niet meer lazen, niet meer naar het nieuws keken. Te deprimerend. Car-jackings, corruptieschandalen, armoede – hoe kon je leven in zo’n land? Het was beter maar gewoon je leven te leiden – en gelukkig is dat in Zuid-Afrika als geprivilegieerd blanke niet zo moeilijk, zeker als je uitzicht hebt op de Tafelberg en tegen het einde van de dag naar het strand trekt met je picknickmand en fonkelwijn.

De afgelopen week ging ik de nieuws-ontduikende Zuid-Afrikanen begrijpen: de krant, het nieuws begon een enorme weerzin bij me op te wekken, ingeluid door een rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau over de tweedeling in de maatschappij, zij tegen wij, de elite tegen de rest, de rest tegen allochtonen.

Wat een land: als je de verschillen maar breed genoeg uitmeet, gaat iedereen erin geloven. De elite, de allochtonen, de moslims, de kansarmen, de kunstenaars – en de rest. Scheidt alles van elkaar en je hebt een land dat geregeerd wordt door wederzijds wantrouwen – nee, ermee wordt opgezadeld. Kijk eens hoe boos, verontwaardigd, gefrustreerd, woedend we zijn op elkaar. En hoe triomfantelijk werden de uitkomsten van het onderzoek gebracht: aantrekkelijke mensen vinden sneller een baan dan onaantrekkelijke mensen. Tjonge, een eye-opener.

Laten we met z’n allen eens een week lang geen media, nieuwe of oude, tot ons nemen – wat zullen we gelukkig worden. Eindelijk tijd om een boek te lezen, en niet de top 10, maar iets heel anders, zoals We gingen achter hamsters aan van Bibi Dumon Tak, waarin ze verslag doet van het werk op een dierenambulance. Welvaarts-geneuzel, verhalen over een ambulance speciaal voor dieren? Het boek laat via honden, zwanen en hamsters in nood juist de Nederlandse samenleving in al z’n diversiteit zien.

Ga naar de film Bon Dieu, de Franse succeskomedie, waarin verschillen in kleur en cultuur op een luchtige, humoristische manier vertolkt worden. En mocht u toch voor de buis zitten, kijk dan naar Het Voordeel van de Twijfel, een programma over filosofie op het Vlaamse Canvas. Daarin wordt gezocht naar de betekenis van filosofen als Seneca, Nietzsche en Epictetus in ons dagelijks leven.

In de eerste aflevering – Worden we beter van tegenslag? – volgden we een echtpaar dat z’n halve huis weggevaagd zag tijdens een meedogenloos onweer. Vanaf de overkant van de straat, waar ze zolang een huurhuis hadden betrokken, keken ze uit op hun halve huis, hun gedecimeerde kapitaal. Van de programmamakers kregen ze een boek van Diogenes, de filosoof die in een ton leefde.

Het echtpaar nam het boek lankmoedig aan en vertelde dat ze er aanvankelijk kapot van waren, de grond was onder hun voeten weggeslagen. Maar na een tijdje realiseerden ze zich hoeveel geluk ze hadden met hun buurtgenoten, hun vrienden en bekenden, hun kinderen, die allemaal waren komen helpen.

Toen Alexander de Grote Diogenes kwam opzoeken bij zijn ton en vroeg wat hij voor de wijze man kon doen, antwoordde Diogenes: kunt u alstublieft uit mijn zonlicht gaan staan?
Laten we tot oudjaar uit de schaduw kruipen en ons koesteren in de zon.

[luister hier naar de column in de radiouitzending De Stemming]

Reageer

« Vorige pagina« Vorige items « Vorige pagina · Volgende pagina » Volgende items »Volgende pagina »