Adieu Calimero

De Limburger, 28 december 2017

Kunnen we het in het nieuwe jaar niet meer over de Limburgse identiteit hebben? Met koningin Máxima geloof ik niet dat dé Nederlander bestaat; dé Limburger bestaat ook niet. Dé Limburger is goed voor branding, voor promotie van de provincie. Een mens is geen merk. Een identiteit perkt in en maakt een maatschappelijk verschijnsel van je. Daar komen ongelukken van, waarschuwde de Libanees-Franse schrijver Amin Maalouf alweer twintig jaar geleden in zijn essay ‘Moorddadige identiteiten’. Als je mensen dwingt om te kiezen, stelde Maalouf – zelf Arabier, Fransman en christen – zullen ze in conflict komen met zichzelf en dat zal leiden tot frustratie, intolerantie en woede.

Laat het ook afgelopen zijn met het woord Calimero of Calimero-complex. Het is gedateerde beeldvorming, een zelfopgelegd clichébeeld. Als je iets maar vaak genoeg herhaalt, lijkt het vanzelf waarheid te worden, ja een feit. Maar het is mensenwerk, een constructie die je, in coaching jargon, proactief kan veranderen. Ik doe een voorzet. Ten eerste: het woord Calimero duidt op een minderwaardigheidscomplex, terwijl er bij de zuiderling eerder sprake is van een zeker superioriteitsgevoel ten aanzien van de onbeschaamde, te luid pratende Hollander. Het gaat om een gevoel van afkeer, of soms van plaatsvervangende schaamte – eigenlijk precies zoals ik dat in China gezien heb: westerlingen die hun stem verheffen, botweg een mening verkondigen, boos worden – daar worden Chinezen heel ongemakkelijk van. Ze voelen plaatsvervangende schaamte en hebben medelijden met de ander die gezichtsverlies heeft geleden. Ze trekken zich terug en glimlachen. En de westerling interpreteert dit als zwakte.

Ten tweede doet het zuiden van Nederland (en Vlaanderen) qua attitude internationaal mee: de omweg, de inkleding, de suggestie voert internationaal de boventoon in de omgang. Op basis van mijn jaren in de internationale gemeenschap van Shanghai kan ik zeggen dat de Hollandse attitude exceptioneel is. Alleen Amerikanen en Israëliërs zijn net zo direct en assertief, maar zij zijn daarin welgemanierder. Onder het motto ‘ik zeg gewoon wat ik denk’ verwarren Nederlanders openheid en assertiviteit met onbeschaamdheid en botheid. Daarom doet iemand als Frans Timmermans het zo goed in het buitenland. Hij is scherp op de inhoud, maar in de vorm altijd beleefd. Het vormverschil doet ertoe. Zoals Peter Vandermeersch, Vlaming en hoofdredacteur van NRC, het uitdrukt: Vlaanderen is erotiek, Nederland is porno.

Tegelijk moeten we bedenken: de Hollandse directheid is net zo goed een constructie, een cliché. Bovendien is een zekere directheid wel verfrissend, en werkt de zuidelijke houding vaak nogal remmend: je spreekt je uit, staat ergens voor en meteen voelt men zich in een hoek gedrukt, aangevallen of erger. Peter Vandermeersch heeft, ondanks zijn voorliefde voor de Vlaamse verhulling, de Nederlandse nationaliteit aangenomen.

Nu nog even over de Limburgse gastvrijheid. Want ook dat is zelfgecreëerde beeldvorming. Theatermaker Lana Nasser zei daar vorige week in haar column iets interessants over: gastvrijheid en openheid zijn niet synoniem. ‘Het aanbieden van eten en een slaapplek betekent niet dat iedere vreemdeling wordt omhelsd,’ schrijft ze. ‘Limburg is niet meer dat homogene dorp. Om een open en lichte gemeenschap te creëren, moet iedereen meedoen, het gastvolk en de gast.’

Als laatste: De Correspondent onderzocht onlangs de vermeende kloof tussen de Randstad en de regio’s en constateerde dat die vooral bestaat uit…een kloof in media-aandacht. Een formidabele open deur, maar toch goed om even te memoreren. Er zitten gewoon veel minder journalisten in de provincies. Maastricht bungelt onderaan wat betreft het aantal journalisten ten opzichte van andere steden. Veel minder onderwerpen en verhalen uit Limburg in de media dus. Tijd dus om meer van ons te laten horen. Niet langer chez nous, maar en marche!

 

 

 

Reageer

Vrouwen: Schrijf!

De Limburger, 14 december 2017

 

Ik heb het even geturfd. Sinds ik aantrad als columnist van deze krant, op 15 februari dit jaar, zijn er 43 weken voorbijgaan. Elke week schrijven vijf opiniemakers (alle dagen behalve maandag) op deze plek een stuk in de krant. Dat levert in totaal 215 opiniestukken op. Daar gaan een stuk of tien bijdragen vanaf door vrije dagen en de vakantieperiode waarin geen opiniestukken verschenen. Kom ik uit op 205 opiniestukken. Daarvan schreef ik er elf (één maal per maand), andere vrouwen schreven er bij elkaar 17, in totaal dus 28 stukken geschreven door een vrouw. In totaal is dit ongeveer 14 procent.

Ik weet niet wat u ervan vindt, maar ik schiet ervan in de lach – zo absurd is het. Tel hierbij op dat op maandag twee heren met elkaar van gedachten wisselen over Limburgse zaken en dat van alle columnisten die de krant rijk is er twee vrouw zijn – Ank Aerts in Scala en ikzelf op deze plek – dan is de conclusie dat De Limburger wat opinie betreft een echte man is.

Ik geloof niet dat de krant dit zo gewild heeft. Het sluipt erin, zoals in veel organisaties: mannen maken van oudsher de dienst uit en stellen mensen aan die op henzelf lijken – in de heilige overtuiging dat ze ‘de beste’ aangesteld hebben. Veelzeggend is in dit verband het redactionele commentaar, een paar weken geleden, op het ontluisterend rolbevestigende filmpje van Connect Limburg dat door een aantal vrouwelijke hoogleraren van de Universiteit Maastricht was bekritiseerd. De krant gaf de vrouwen groot gelijk en noemde het filmpje ‘niet alleen oubollig, maar ook volstrekt anachronistisch’. Ha! Ging de krant nu de hand in eigen boezem steken? Of zagen ze het zelf niet op de redactie? Als je ergens maar lang genoeg woont, vallen de scheve muren niet meer op.

Wat betekent een scheef opinieperspectief in de krant? Ik constateer een trend: opiniemannen (vooral de oudere) neigen naar een pessimistisch wereldbeeld, houden van ‘name dropping’ en doen nogal eens aan ‘mansplaining’ (paternalistisch uitleg geven over zaken die bekend zijn). Belangrijker is dat een meer diverse opiniemakerspoule leidt tot meerstemmigheid in opinies, dus tot een prikkelender, aantrekkelijker dagblad.

Nu is de vraag: waarom zijn vrouwen niet actiever, waarom zijn ze minder bereid zich in de krant uit te spreken over dringende, actuele vraagstukken? Geen tijd? Geen prioriteit? Of worden ze niet benaderd? En hoe zit het met de vrouwen op de redactie, hebben zij niet de ambitie om columnist te worden? Is de ambitie er niet of worden ze ontmoedigd?

Maar er is een positief signaal, de krant heeft mij gevraagd om vaker te schrijven: ‘gezien de kwaliteit van je bijdragen en je brede, maatschappelijke scope’. Dat u het weet. Om de week zal ik op deze pagina te lezen zijn. Maar dat is echt niet genoeg. Dus ik doe een oproep aan jullie, dames: je hebt iets te zeggen! Engageer je! Dat is broodnodig, ook om nog een andere reden: een krant is geen ‘mediaproduct’ met ‘content’. Een krant is een meneer (m/v). De krant gaat achter de feiten aan, zoekt de waarheid, doet onderzoek naar bedrog, biedt kwaliteitsfotografie. Een kwaliteitskrant is een waakhond, geen bediende. Voortbestaan van de krant is afhankelijk van haar lezers, van hun betrokkenheid. Als De Limburger in de toekomst een meneer m/v wil blijven, moeten ook vrouwen hun stem laten horen. Schrijf! Twijfel je of je het allemaal goed hebt verwoord? Neem dan contact met mij op via de opinieredactie. Laat Facebook links liggen, sla de yogales over, zet manlief aan het werk en schrijf!

 

Reageer

De lessen van #MeToo

De Limburger, 16 november 2017

 

Wat zijn de lessen van #metoo? Seksueel machtsmisbruik is op de kaart gezet en mannen zijn gewaarschuwd: je komt niet meer weg met seksuele intimidatie, aanranding of erger. Maar ook niet meer met seksistische opmerkingen, grappig bedoeld of niet. Wat doen bedrijven en instellingen ermee? Zij moeten het onderwerp agenderen en ervoor zorgen dat ze een helder protocol hebben en naleven inzake seksuele intimidatie en agressie.

Hoe cruciaal dat is leert een praktijkgeval waaraan ik een aantal jaar geleden werkte als journalist. Een politieagent was door een vrouwelijke collega beschuldigd van aanranding na een hardhandige fouillering tijdens een training. Het incident geeft inzicht in de problematiek van externe krachten, van onbegrip en misverstanden die de zaak vertroebelen op het moment dat er geen duidelijk protocol is in geval van een beschuldiging.

Op het moment van het incident zit de groep agenten die de training volgt al bijna twee weken intern op de opleiding. Ze oefenen samen, vechten samen, eten en drinken samen en halen uit verveling – de cursus is niet erg uitdagend – een hoop ongein uit. Daar zitten ook ongepaste, seksistische geintjes bij. De agente meldt later dat ze zich al geruime tijd ergerde aan seksueel getinte grappen en grollen van haar collega.

Het incident vindt plaats tijdens een oefening waarbij een gevaarlijke verdachte uit een auto gepraat moet worden. De agente speelt een recalcitrante, onwillige verdachte met (nep)vuurwapen in de broekband. De collega boeit haar en fouilleert snel en hardhandig. Hij controleert de broekband, de borstkas en fouilleert de benen. Zij vloekt.

Een docent van de politieacademie staat op twee meter afstand om de oefening te beoordelen. Hij vraagt of er iets aan de hand is. De agente wuift het weg. Bij de volgende oefening zitten de hardhandige agent en de agente bij elkaar in de auto. De agent zegt sorry, zij geeft aan dat het wel goed is. Na de oefening vraagt de toezichthoudende docent of ze het besproken hebben. Beiden bevestigen dit.

De zaak lijkt afgedaan, maar twee dagen later vertelt de agente tegen collega’s dat de agent haar vol bij kruis en borsten heeft gepakt. Die collega’s bellen de toezichthoudende docent; er wordt nog een andere docent van de academie bijgehaald. Het resultaat is dat de hardhandige agent nog diezelfde avond van zijn bed wordt gelicht en van de politieacademie wordt gestuurd.

In de vier weken erop gebeurt er niets. De politieacademie noch het eigen korps doen een poging om het relaas van de betrokkenen te horen. Vertrouwenspersonen worden niet ingeschakeld. Er komt een geruchtenstroom op gang: de agent wordt op de academie al als aanrander gezien.

Na een maand doet de agente aangifte van aanranding. Een docent van de academie zoekt haar daags voordat ze besluit die aangifte te doen thuis op, zo blijkt uit het politiedossier. Hij vertelt dat hij de beschuldigde agent al lang kent en dat het hem niet verbaast dat hij ‘zoiets’ heeft gedaan.

Die gang van zaken vertroebelt de zaak. De agent staat op de academie bekend als een ‘lastpak’, iemand die kritisch is over de opleiding en die kritiek ook goedgebekt en luid ventileert. Hij vecht zijn aangezegde ontslag aan met hulp van een advocaat. Het leidt ertoe dat hij van de ergste blaam wordt gezuiverd: met een proefperiode van twee jaar mag hij bij de politie blijven. Fysiek en geestelijk krijgt hij een klap: depressief, hartklachten.

Beide agenten hadden meteen een vertrouwenspersoon toegewezen moeten krijgen. Alleen zo hadden zowel beschuldiger als beschuldigde beschermd kunnen worden tegen willekeur. In feite heeft de politieacademie deze man voor de leeuwen geworpen.

 

 

 

Reageer

Het spook van de stilte

De Limburger 19 oktober 2017

 

Drie weken geleden zag ik op Docfest, het bijzondere documentaire festival in Maastricht, een documentaire waarvan de beelden me blijven achtervolgen: City of Ghosts, van de Amerikaanse maker Matthew Heineman, over de activistische burgerjournalisten van Raqqa is Being Slaughtered Silently (kortweg RBSS), een initiatief uit de Syrische stad die in 2013 werd ingenomen door IS en de ‘hoofdstad’ van het kalifaat zou worden. Raqqa werd afgesneden van de buitenwereld; alleen dankzij het beeldmateriaal van RBSS via sociale media raakte de wereld op de hoogte van de barbarij van IS – openbare executies, afgehakte hoofden, honger, gewelddadige zedenpolitie, een stad in de wurggreep van de angst.

De burgerjournalisten van RBSS zijn gewone jongens in het slaperige, provinciale Raqqa – studenten en jonge leraren, vooral bezig met feestjes en met elkaar. Door de opstand tegen president Assad in 2011 worden ze politiek wakker en door de komst van IS raken ze verzeild in een strijd op leven en dood. Want vanaf dag één maakt IS jacht op hen. De video’s van RBSS maken korte metten met het beeld van het paradijselijke kalifaat dat IS zelf via gelikte, Hollywood-achtige filmpjes verspreidt.

Al snel wordt een van hen opgepakt, zijn materiaal – met filmpjes en namen van de organisatie – ontdekt. Hij wordt meteen geliquideerd. Ze vluchten naar naburig Turkije, waar ze evenmin veilig zijn – op klaarlichte dag wordt een lid op straat doodgeschoten. De groep vlucht verder, naar Duitsland, waar ze in safe houses worden ondergebracht, hun filmpjes blijven uploaden en de doodsbedreigingen blijven binnenkomen.

De stilte doorbreken – dat was en is het doel van de groep: met het einde van IS in Raqqa zal, zo benadrukken zij in de documentaire, de ideologie niet verdwenen zijn. Integendeel, de digitale IS, met aanhangers over de hele wereld, zal virulenter worden dan ooit. Slim, met virtuele technieken, verzieken ze kwetsbare jongeren in heel Europa.

In Maastricht was Claire van Dyck aanwezig voor een aftertalk. Van Dyck is onderzoeksjournalist van deze krant en coauteur van het boek ‘Sultan en de lokroep van de jihad’, over een jongen uit Wittevrouwenveld die radicaliseerde, naar Syrië vertrok en zich, mét twintig onschuldige burgers, in Baghdad opblies. Van Dyck vertelde over het vaak ondoorgrondelijke amalgaam van beweegredenen van jongeren om zich aan te sluiten bij zo’n extremistische, gewelddadige organisatie. Maar één ding is een constante: het radicaal islamitische netwerk is alom en heel invloedrijk. Uitgesproken verzet van gematigde gelovigen heeft consequenties voor hen – eerst is er kalme druk, dan grimmige dreiging. Daarom, zei Van Dyck, mogen we, net als de jongens van RBSS, niet zwijgen. ‘Realiseer je: mensen uit dat netwerk zitten hier, in onze eigen buurten.’

Het is dus zaak dat erover gesproken wordt, in onze moskeeën, buurthuizen, discussiepanels, en vooral: op onze scholen. De school waar Sultan toerisme studeerde, het Leeuwenborgh college, is kopschuw geworden en wil de affaire het liefst vergeten; de gemeente is bang voor reputatieschade en, begrijpelijk, opgeklopte hysterie, waardoor ze het onderwerp radicalisering het liefst stil houdt. Maar het is tijd om lawaai te maken. Op dit moment wordt in Maastricht gevreesd voor een coup in de moskee door een groep jonge salafisten. Dit bevestigt de urgentie van het onderwerp; het is een landelijke trend. Het gaat niet om een van de werkelijkheid losgezongen Rooms achterhoedegevecht (nieuwe bisschop Roermond), het gaat om een ideologie die een groep jonge mensen in Limburg inspireert en hun gedachten verziekt. Liberale moslims hier zwijgen liever over dit probleem – uit angst voor radicalen. Niet uit Raqqa, maar uit hun eigen omgeving.

 

 

 

 

 

Reageer

Een Limburgs Luizenfonds

De Limburger, 26 september 2017

 

Voor mij zitten twintig kersverse eerstejaarsstudenten uit dertien verschillende landen. Twintig intelligente, creatieve jonge mensen. We trappen af met een rondje over de stand van de kranten in hun land. Mexico is verloren, journalisten zijn er opgejaagd wild, vertelt Diana. Rusland – Liuda houdt een betoog van tien minuten over hoezeer zelfcensuur onder de huid van de gewone Rus is gekropen. Alles is propaganda; de staat en de media worden ten diepste gewantrouwd. In Zuid-Afrika, zegt Isobel, is een grote diversiteit aan media, maar de macht van tabloids en trollen is een gevaar voor de democratie.

Dan westerse landen, de VS, Canada, Noorwegen, Denemarken, Italië, Spanje, Duitsland, Engeland en Nederland – hun algemene conclusie: kranten laten zich leiden door geld, zijn in handen van slechts enkele magnaten, zijn niet onafhankelijk, hebben een linkse of rechtse agenda. Meestal rechts, zie de tabloids in Engeland, die een verwoestende rol hebben gespeeld bij de Brexit, soms links, zoals in Duitsland: uit angst voor de opkomst van de AfD doen kranten aan zelfcensuur.

Niet één student leest standaard een krant of peinst erover een abonnement te nemen, ook niet digitaal. Niet betrouwbaar, onafhankelijk (genoeg), teveel trash (sensatieberichten, lifestyle). Bovendien kost een krant geld. Zij gebruiken hun eigen bronnen, zoals: gerichte informatie op YouTube, podcasts, gespecialiseerde websites. Als het zo uitkomt, worden traditionele, internationale media (The New York Times, The Guardian, BBC) wel geraadpleegd, maar dan gericht: een analyse, een achtergrondartikel, een opiniestuk.

Conclusie: voor jongeren lijkt de krant in z’n huidige vorm geen toekomst te hebben. Ook digitaal niet. Adverteerders verdwijnen vrijwel volledig naar Google en Facebook. Pogingen om jonge lezers te bereiken met kek beelddesign of lollige filmpjes zijn zinloos. Jongeren uit de middenklasse lezen ‘peer-to-peer’, via sociale media. Hogeropgeleide jongeren vinden hun eigen bronnen. De krant moet het hebben van de oudere lezers, die graag breed geïnformeerd willen worden over de wereld, het land, de regio. Maar in hoeverre worden kritische lezers nog voldoende bediend? Lifestyle en ‘sponsored content’ knagen aan de journalistieke principes.

Wat te doen? In Zuid-Afrika, waar ik jarenlang woonde, richtte journalist Sam Sole uit onvrede over de commerciële, ‘fast-food’ journalistiek een centrum voor onderzoeksjournalistiek op, AmaBhungane, Zoeloe voor De Mestkevers, een non-profit organisatie die gefinancierd wordt door donors – vermogende, sociaal verantwoordelijke individuen en organisaties die de journalistiek en de democratie willen stimuleren. De Mestkevers (‘Naar vuil graven, de democratie bemesten’) hebben een jaarlijks budget van een half miljoen euro voor verhalen die diepgravend onderzoek vergen. Eenzelfde initiatief, dichterbij, is Correctiv.org in Duitsland. De journalistieke toekomst ligt bij dergelijke initiatieven. En bij de overheid, die haar eigen tegenspraak zal moeten organiseren, willen we de democratie levend houden. Kritische lezers willen journalistiek die misstanden uitzoekt en de (lokale) macht controleert. Journalistiek als waakhond, niet als entertainment.

Een mooie opdracht voor de provincie Limburg. Organiseer je eigen tegenspraak door een onafhankelijk journalistiek onderzoeksfonds in het leven te roepen. Voor luizen in de pels die Limburgse tegels lichten. Denk lange termijn en ruim, dus trek minstens vijf miljoen uit voor een periode van tien jaar en versterk daarmee de goede onderzoeksjournalisten die Limburg al rijk is, onder wie journalisten van deze krant, zonder je overigens aan een mediaconcern te binden. Een investering in kritische infrastructuur, essentieel voor een democratie. Een strategische stap voor een provincie die uit haar pot van bijna 1,5 miljard euro aan Essentgelden 45 miljoen uittrekt om Maastricht Aachen Airport uit het slop te trekken, 46 miljoen voor nieuwe proeffabrieken op de Brightlands Chemelot Campus in Geleen en 45 miljoen voor de oprichting van twee nieuwe wetenschappelijke instituten bij het Academisch Ziekenhuis van Maastricht. Het Limburgse Luizenfonds – vijf miljoen euro, een schijntje.

Reageer

Aan de slag met basisinkomen

De Limburger, 23 augustus 2017

 

Paternalisme is het grootste struikelblok in de bestrijding van armoede. Het houdt het negatieve (zelf)beeld van arme mensen in stand en leidt tot levenskeuzes die welvarende mensen nooit voor zichzelf zouden maken. Dat is de kern van de kritiek op armoedebestrijding van de Amerikaanse welzijnswerker Lim Miller in zijn boek ‘Most of What You Believe about Poverty is Wrong’ dat vorige week verscheen. Miller werkte decennia als buurtwerker in Californië en moest op bepaald moment constateren dat hij de armoede misschien wel iets verlicht had, maar dat er in al die jaren niets fundamenteel veranderd was in de economische mobiliteit van de mensen die hij begeleidde. Sterker, hij kwam erachter dat hij zelf deel was van het probleem: welzijnswerkers zorgen ervoor dat de capaciteiten van arme mensen verborgen blijven, juist door hun hulp, advies en begeleiding.

Miller gooide de welzijnswerkers uit zijn organisatie en richtte een platform op waarmee arme gezinnen een netwerk kunnen opbouwen en ervaringen uitwisselen. Hij zocht partijen die studiebeurzen en leningen wilden geven, die investeringen wilden doen – precies wat welvarende mensen ook doen.

Het is een aanpak die aansluit bij een aantal initiatieven en ideeën in Limburg. Allereerst bij de opmerkingen die Lieve Schouterden onlangs in deze krant maakte. Schouterden heeft de leiding over het project Werving VDL Nedcar, waarin gemeenten, UWV en uitzendbureaus samenwerken. Ze zorgde ervoor dat bijna duizend Limburgse bijstandsgerechtigden een baan kregen. Een vrouw uit de bedrijfspraktijk dus, geen hulpverlener. Zij constateerde gaandeweg haar job dat het huidige systeem van de bijstand volstrekt contraproductief is. Daarom pleit ze voor een basisinkomen. Dat zal prikkelen en motiveren om werk te zoeken, stelt ze.

Ze raakt daarbij aan de kern van het bijstands- cq armenprobleem: mensen zitten in de wurggreep van de dagelijkse worsteling om rond te komen, terwijl er door de bevoogding en het geringe (zelf) beeld te weinig beroep wordt gedaan op hun eigen creativiteit, initiatief of talent. De bevoogdende mentaliteit zit diep. ‘De bijstand is een vangnet, geen hangmat,’ aldus De Limburger in een commentaar. Ouderwets wantrouwen en dedain.

Gelukkig is in Maastricht, in navolging van Tilburg, de Quiet Community gestart. Dit initiatief is erop gericht mensen uit hun isolement te halen en elkaars verborgen talenten te onderzoeken. Verder hebben we onze eigen Lim Miller in de persoon van Henk Geelen, jarenlang werkzaam voor welzijnsorganisatie Trajekt, nu met pensioen en penningmeester van Buurttheater Mariaberg. Afgelopen seizoen sprankelde dit buurtheater met de voorstelling Sjold, over mensen in armoede en schulden. Het is community theater met spelers aan de onderkant, ze zitten in de uitkering of laagbetaald flexwerk, in de schuldsanering, hebben sociale problemen, of zijn vluchteling. De voorstelling had uitverkochte zalen en schitterde door een explosie aan energie en creativiteit van de spelers. Waarop ik Henk Geelen opzocht en vroeg: kunnen de spelers niet een salaris krijgen? Of een soort basisinkomen van de gemeente?

Geelen sprong bijna van zijn stoel: ‘Een polemiek hierover zou fantastisch zijn,’ zei hij. Met veel moeite had hij een vrijwilligersvergoeding eruit gesleept. ‘Vanuit mijn werk bij Trajekt kan ik zeggen: mensen in de wijken werken hard en doen meer vrijwilligerswerk dan welvarende mensen, zeker als het gaat om sociaal vrijwilligerswerk, mantelzorg, kinderen helpen, mensen in schuldsanering bijstaan. Er zijn dus veel meer mensen die een basisinkomen zouden verdienen.’

Maak een begin. Zuid-Limburg heeft zestienduizend mensen in de bijstand. Zeker de helft van hen zal nooit een baan vinden bij de autofabriek, de schoonmaak, de verzorging of de snackfabriek, omdat ze te grote sociale problemen hebben. Maar ze hebben wel talenten. Laten we die beter benutten, met een basisinkomen.

 

 

 

Reageer

Iedereen wil in de spiegel kijken

De Limburger, 27 juli 2017

 

De zaal was afgeladen, in Lumiere Cinema Maastricht, waar de documentaire ‘Hier ben ik’ van Sarah Vos vertoond werd – in aanwezigheid van de maakster zelf, die in Maastricht opgroeide. ‘Hier ben ik’ is een onthutsend portret van een groep mensen in de hedendaagse ratrace. Maar het is niet zomaar een groep: het gaat om mensen met topinkomens in Bloemendaal, Hollandse mensen in villa’s en luxe-appartementen. Niet direct een groep waar velen zich mee zullen identificeren – maar de documentaire trok in het hele land volle zalen. Waarom?

De zomervakantie is aangebroken. Meer dan 1 januari, de eerste dag van het nieuwe jaar, maken we nu, in de eindspurt van een werkend jaar, de rekening op. Nog even en we kunnen eindelijk ontsnappen. Aan werk, collega’s, vrienden, huis, auto, tuin, kinderopvang, school, borrels, etentjes, fitness. Het hele jaar door wil iedereen iets van je en jij moet leveren, wil je erbij horen. Als je niet levert, val je af. In de zomervakantie komt de vraag: wie ben ik? Mensen worden ziek: de stress van een heel jaar.

Daarover gaat ‘Hier ben ik’. De Bloemendaalse groep probeert dat moment voor te zijn door lid te worden van een kerkgemeenschap: wekelijkse reflectie, zingeving. Dominee Ad van Nieuwpoort is hun leidsman. Van Nieuwpoort is welbewust in Bloemendaal gaan wonen; eerder was hij predikant op de Zuidas, waar hij diensten leidde voor bankiers en advocaten. IJsberend, luidop formulerend, schrijvend en schrappend bereidt hij zijn preken voor. Wat doe je met een kerklid dat zelfs haar verkiezing als ouderling lijkt te beschouwen als onderdeel van de klim naar aanzien en succes? De vrouw traint voor de marathon van New York en sleept daarin haar gewillige man mee. In de hilarische openingsscène volgt de camera het echtpaar al hardlopend op een doordeweekse ochtend. De kids zijn net naar school gebracht en al rennend neemt het paar de agenda van het gezin door, dichtgetimmerd van uur tot uur – ziedaar het moderne leven in al zijn doorgeslagen gekte.

De echtgenoot haalt de marathon niet, zo blijkt uit hun gesprek met de dominee. Hij zakt vlak voor de finish in elkaar, in coma. Hij overleeft het, maar dat is voor zijn vrouw niet het moment van een reddend inzicht, van dankbaarheid, zoals de dominee suggereert. Nee, ze hebben gefaald, vindt ze, dus ze gaan het nog een keer proberen.

We denken dat we zo vrij, zo geslaagd zijn, in Nederland. Maar laten we eens een blik van buiten nemen. De blik van Rocío Frenken bijvoorbeeld, een studente die afgelopen week in Maastricht haar bachelor Interdisciplinary Arts (iArts) haalde. Ze groeide op in Honduras, als kind van een Limburgse vader en een Hondurese moeder, en besloot te gaan studeren in het gedroomde land van haar vader: een verhuizing van een van de gevaarlijkste, meest corrupte en criminele landen ter wereld naar een van de veiligste, rijkste en kansrijkste. Rocío onderzocht in haar eindscriptie de opmerkelijke ‘omgekeerde migratiestroom’ van westerlingen naar haar moederland Honduras. In Honduras, is haar conclusie, vinden zij een leven met minder stress, minder prestatiedruk en meer menselijke warmte, meer ruimte, meer tijd.

Ze eindigt zo: ‘Persoonlijk kan ik niet leven in een westers land zoals Nederland, omdat ik meer positieve dagelijkse ervaringen heb in Honduras. Dit is simpelweg omdat ik menselijke interactie en het gevoel ergens thuis te horen belangrijker vind dan wat dan ook, en in deze opzichten is mijn leven in Honduras rijker.’ Iedereen wil in de spiegel kijken, het liefst via het spiegelbeeld van de ander. Daarom zat de zaal tijdens ‘Hier ben ik’ vol. Fijne vakantie!

 

 

 

 

 

Reageer

Tihange: follow the money

De Limburger, 22 juni 2017

 

Moet de kerncentrale van Tihange snel dicht? Duizenden mensen zullen er zondag voor in het geweer komen. Ze willen dat in ieder geval Tihange 2 zo snel mogelijk uit dienst wordt genomen. Dat is een van de oudste atoomcentrales ter wereld, met in het hart – een huizenhoog stalen reactorvat – een oplopende hoeveelheid haarscheurtjes die de veiligheid in de Euregio bedreigt.

Ach, dat gevaar valt wel mee, was tot voor kort het algemene gevoel. De kans op een ramp in het stadje Huy, amper vijftig kilometer ten zuiden van Maastricht, is toch klein? De Belgische nucleaire waakhond FANC laat goed controleren of de scheurtjes niet groter worden, en zolang daar geen bewijs voor is, is er niets aan de hand. Vertrouw de autoriteiten, zij zijn de deskundigen.

Maar als het om kernenergie gaat, kun je als burger niet kritisch genoeg zijn – zeker na de aardbeving van maart 2011 in Japan, waardoor een vloedgolf de atoomcentrales bij Fukushima onder water zette. Het noodplan leek netjes te werken: de centrales werden na de aardschok automatisch stilgelegd. Maar het ingestroomde water had de noodgeneratoren in de kelder onklaar gemaakt, waardoor de stilgelegde reactorvaten niet gekoeld konden worden. Het resulteerde in ijzingwekkende explosies en meltdowns, met als gevolg dat meer dan 150.000 mensen geëvacueerd moesten worden en dat de hele regio een nucleair vervuilde no go area werd.

Japanners staan bekend om precisie en discipline – en nu bleek dat de Japanse overheid, de Japanse kernenergiewaakhond en het energiebedrijf Tepco stuk voor stuk jammerlijk hadden gefaald. Niemand had rekening willen houden met een scenario waarin een vloedgolf over de dijk spoelde – ja, er was weleens studie naar gedaan, maar de autoriteiten vonden het niet nodig extra veiligheidsmaatregelen te nemen. Die zouden 25 miljoen euro kosten en ach, hoe groot was die kans nou?

Het werd een onvoorstelbare humanitaire, economische en ecologische ramp. De schade wordt door het Japanse Reconstructie Agentschap inmiddels geschat op 200 miljard euro, een van de duurste rampen ooit. De les voor de Euregio? Neem geruststellende verklaringen over Tihange niet voor lief. Zowel België als Frankrijk hebben er financieel belang bij dat Tihange 2 zo lang mogelijk open blijft – samen met Doel 3, een soortgelijke oude-scheurtjes-centrale bij Antwerpen.

Tihange 2 werd in 1975 geopend en zou dertig jaar dienst doen. Dat wordt nu opgerekt tot 2023. Dit levert de Belgische staatskas honderden miljoenen aan extra ‘nucleaire tax’ op. Maar vooral de Fransen varen er wel bij. Aangezien de installaties feitelijk al afgeschreven zijn, strijkt de Franse eigenaar van de centrales, Engie (de nieuwe naam voor semi-staatsbedrijf Gaz de France Suez), elk jaar een fraaie extra winst op.

Tot het een keer onverhoopt toch fout gaat met die ongrijpbare haarscheurtjes. Dan draait de overheid, en daarmee wij als belastingbetalers, op voor de rampzalige megakosten – zie het Fukushima-dossier. De SP heeft nu de pensioenfondsen opgeroepen om hun beleggingen weg te halen bij Engie, en dan met name het ABP, de grootste Engie-belegger. Onze Duitse buren zijn ons alweer voor: het pensioenfonds van deelstaat Noordrijn-Westfalen verkocht vorige week zijn aandelen in Engie.

Bovendien hebben de buren – die voor ons in Limburg de regie namen in het atoomprotest – de Belgen onlangs een pragmatisch voorstel gedaan: sluit de oudste centrales Tihange 2 en Doel 3 nog voor 2020 en neem een al geplande extra stroomverbinding tussen Duitsland en België eerder in gebruik. Zodat het licht bij de Belgen niet hoeft te doven. Dat kunnen we met voldoende pressie van ons allen in de Euregio toch schaffen!

 

Reageer

MVV als voorbeeld voor Roda

De Limburger, 24 mei 2017

 

Wat een annus horribilis voor Roda JC. De club vecht deze week tegen degradatie in de nacompetitie – tegen aartsrivaal MVV. De kans is groot dat het aangeslagen huurlingenlegioen van Parkstad het volgend seizoen de eerste divisie wacht. In het andere geval overleeft Roda het degradatiespel en volgt een nieuw seizoen in de marge van de eredivisie.

Voor velen is Roda de Trots van het Zuiden; duizenden Roda-fans hebben de club de afgelopen maanden weer trouw hun steun gegeven. Dat nu opnieuw degradatie dreigt, is pijnlijk. Maar voetbal is vooral een miljoenenbal geworden, waarop kleinere clubs meedogenloos mee moeten dansen, happend naar adem.

Roda is daar een schrijnend voorbeeld van. De kunstgrepen die de directie de afgelopen tijd toepaste in een poging de club uit de gevarenzone te houden, zijn inmiddels historisch: verbijsterd zagen de fans een wilde noodinkoop van negentien nieuwe spelers aan – spelers die meestal snel weer ongeschikt bleken.

Er kwam een blinde jacht op nieuwe geldschieters. Ene Aleksei Korotaev, een Russische dertiger met een Zwitsers paspoort, ging de club redden. Miljoenen wilde hij in de club steken. Zomaar, uit het niets. Vragen over waar zijn geld vandaan kwam, ging de Rus uit de weg. En het Roda-bestuur slikte het, op één kritische commissaris na, die de bui zag hangen en opstapte als toezichthouder. Ook op de tribunes klonk gemompel: was dit niet te mooi om waar te zijn?

Het werd een klucht: de reddende Rus zit al sinds februari vast in Dubai, op verdenking van het uitschrijven van een ongedekte check van ruim 17 miljoen aan vage zakenpartners. Roda wist maandenlang van niets. Roda-directeur Wim Collard vond het niet nodig de Rus persoonlijk aan zijn jasje te trekken toen deze niet meer van zich liet horen.

Misschien komt de geldschieter weer vrij en vloeien de miljoenen alsnog naar de kas in Kerkrade. Maar de kans dat het om dubieus geld gaat is levensgroot – het onderzoek van de KNVB naar de bron ervan is nog steeds niet afgerond. Wil je als trotse club afhankelijk zijn van geld met een maffieus luchtje? Uberhaupt: van de grillen van onpeilbare zakenlui?

Wie een echt Roda-hart heeft, zegt nee. Het rampjaar 2017 is hét moment om schoon schip te maken en de tering nu eens eindelijk naar de nering te zetten. Daarvoor is een grote dosis realiteitsbesef nodig: Roda had jarenlang een te grote broek aan. De club leefde boven haar stand, met geld voor veel te dure, ondermaatse spelers van verre. Geld dat wanhopig uit allerlei hoeken en gaten bijeen werd geschraapt.

Roda moet de ambitie hebben een mooie, bescheiden regionale club te zijn met aansprekende talenten uit de streek, gemotiveerde jongens die weten waar Kerkrade ligt en die niet tonnen salaris vragen. Daarvoor zijn allereerst een andere directie en raad van commissarissen nodig. Mensen met de realiteitszin en bescheidenheid die past bij een arbeidersclub als Roda. Geen autohandelaren, luchtkastelenfabrikanten en andere bobo’s. Lui met echte voetbalkennis – dat oud-Rodatrainer Huub Stevens (‘het team was één warme familie, die ook nog presteerde’) nu gevraagd is, is een goed begin.

Het doet pijn, maar gelet op de permanente malaise van de afgelopen jaren is degradatie misschien wel het beste wat de club kan overkomen. Want dan moet er echt gesaneerd worden. Er is een mooi voorbeeld van hoe het daarna goed kan komen: MVV, de streekrivaal die na een reeks van labiele jaren weer met beide benen op betaalbare Limburgse bodem staat.

 

 

 

 

Reageer

De achilleshiel van Europa

De Limburger, 21 april 2017

 

‘De redding zal uit Parijs komen, of zij zal niet komen en de Frexit zal dagen.’ Noodkreet van Mathieu Segers in een van zijn columns voor het Financieele Dagblad. Onlangs ging ik naar een avond met deze knappe kop uit Limburg die van Europa zijn specialiteit maakte: hij is hoogleraar Eigentijdse Europese Geschiedenis en Europese Integratie aan de Universiteit Maastricht en auteur van boeken met veelzeggende titels: Waagstuk Europa, Europa en de terugkeer van de geschiedenis.

De veertigjarige Segers zat in een fauteuil maar leek er elk moment uit te kunnen springen. Met ingehouden, maar vulkanische energie vertelde hij over de complexe, spannende geschiedenis van de Europese integratie, over gepassioneerde, idealistische denkers en politici, over de miskleunen en de uiteindelijke successen van samenwerking – en wij, de luisteraars, werden gaandeweg doordrenkt van één gedachte: wat een ongelooflijk project, die Europese Unie, wat een waagstuk, wat een tour de force! Hoe komt het dat we dit voor kennisgeving hebben aangenomen, beschouwen als de normaalste zaak van de wereld? Waarom horen we hier niet over in spotjes op radio, tv, sociale media? Spotjes met korte verhalen, fragmenten historie, over de rol van de Nederlander Max Kohnstamm bijvoorbeeld, die, getekend door de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog, in het project van de Europese integratie de redding van de Europese landen zag: nooit meer oorlog, nooit meer armoede, luidde zijn credo – want armoede had de kiem voor het fascisme gelegd.

Maar, zegt u meteen, wat hebben de verliezers van de internationalisering hier eigenlijk aan? Al die mensen die in kleine Europese stadjes wonen waar de oude industrie is vervallen en waar weinig oude, zekere werkgelegenheid is? Mensen die baat hadden bij vertrouwde voorzieningen, verenigingen, bij bakker, postkantoor en bus, en nu zijn geïsoleerd, en op zichzelf aangewezen? Die veel hulp zien verdwijnen naar nieuwkomers met wie ze geen band hebben? Die, net als die nieuwkomers, niet weten hoe ze het moeten aanpakken: werk creëren, vinden?

Zij zijn de achilleshiel van Europa – want juist deze mensen zijn boos op de EU, die in hun ogen alle ellende veroorzaakt heeft. En wat gebeurt er? In plaats van het monster in de bek te kijken en de knapste koppen in te zetten om tot een praktische aanpak te komen voor een beter Europa voor de verliezers, nemen gevestigde partijen de euroscepsis van de populisten over, enkel om deze verliezers als kiezers te paaien, niet om iets voor hen te doen.

Segers noemt dit ‘een fatale vorm van doen alsof’: geen echte oplossingen aandragen, constructieve internationale samenwerking ontwijken – want die is ineens verdacht. Terwijl iedereen weet dat oude tijden niet terugkeren, dat de wereld een octopus is en de tentakels van China tot in het heuvelland reiken, die van Rusland tot in de Franse campagne. ‘Het zijn vooral ideeën en moraal die nu gevraagd worden: une certaine idee de l’Europe’, zoals Segers schreef. Wat we nodig hebben is een vergezicht, waarin ‘de sociale kwestie’ weer zichtbaar wordt, zoals de Franse architecten van de Europese integratie ooit benadrukten: internationale handel en stabiliteit moesten hand in hand gaan met het verkleinen van sociale ongelijkheid.

Met de Franse presidentsverkiezingen voor de deur staat de toekomst van de EU op het spel. Die toekomst zit in het vermogen van Europa om de kloof tussen de winnaars en de verliezers van de Europese integratie te dichten met concreet beleid. Dat kan alleen door Europa te zien als de oplossing, niet als het probleem. Daarin zou Frankrijk opnieuw leidend kunnen zijn. Er is in Frankrijk maar één kandidaat die dat nastreeft: Emmanuel Macron. En Marche!

 

 

 

 

Reageer

« Vorige pagina« Vorige items « Vorige pagina · Volgende pagina » Volgende items »Volgende pagina »