Jagen op een echte Wii in China

[De Pers, 19 augustus 2010]

Mijn dochter van tien wilde een Wii kopen van haar spaargeld. In Nederland kon je zo’n ding krijgen voor 180 euro, hadden we gezien. We gingen naar het stadsdeel Xujiahui, waar je een vele verdiepingen tellend gebouw hebt, tjokvol elektronika: wereldmerken plus alle Chinese equivalenten, echt en fake, alles door elkaar.

Onze vriendin Ying ging met ons mee. Eerst vergeleken we een paar Wii’s bij verschillende stands. Ze zagen er allemaal hetzelfde uit. De prijs kon omlaag van 1600 naar 1300 renminbi, ongeveer 145 euro. Bij een volgende stand liet de verkoper, een serieuze jongen met een bril, ons het verschil zien tussen een echte en een nep Wii.

‘Luister naar het harde geluid van de knoppen,’ zei hij over het nep-ding. ‘En kijk naar de kleur, die is niet helder wit.’

‘Voor 2000 renminbi heb je een echte,’ zei hij en hij demonstreerde de echte Wii.

‘Maar in Europa kun je ze krijgen voor 1600 renminbi!’ protesteerden wij.

De bebrilde jongen schudde z’n hoofd en greep naar z’n rekenmachientje. ‘Goed dan, 1800 renminbi.’

We gingen naar een volgende stand en vroegen daar of ze behalve de nep ook echte Wii’s hadden. Ja, die hadden ze. De twee verkoopsters keken elkaar veelbetekenend aan. Of was dat verbeelding? We onderwierpen de apparaten aan een nauwgezet onderzoek. Het was mogelijk dat de echte echt was. Hoeveel? ‘1600 renminbi.’

Hier was de echte goedkoper. Maar was-ie ook echt?

Zo ging het bijna drie uur door. Vergelijken, onderhandelen. Ying ging zwaar in discussie en stuurde ons tenslotte weg: onze witte gezichten dreven de prijs maar op.

Het eind van het liedje was dat we de echte Wii van de bebrilde jongen kochten, voor 1700 renminbi. Duurder dan in Nederland. Terwijl we uitgeput naar buiten liepen, was de grote vraag: zou ‘t echt een echte zijn?

[terug naar beginpagina]
[terug naar overzicht columns China]