Terug in Johannesburg

Op zoek naar Fanie en Rose

[Volkskrant Magazine, 17 april 2010]

Het is zes uur in de ochtend. We staan nog wat onvast op de benen na de lange vlucht uit Shanghai. Op de balie van het autoverhuurbedrijf  ligt een stapeltje versgedrukte exemplaren van The Star. ‘Ha, de krant!,’ zeg ik tegen manlief.

Hans werpt er een verstrooide blik op. Hij is met andere dingen bezig: hij wil geen Toyota maar een Renault. Ik grijp de krant en laat me met Maxine, onze tienjarige dochter, op een bankje zakken. Zij bekijkt het reclame-inlegvel van de Shoprite-supermarkt en ik sla de voorpagina uit de vouw.

‘Nieuw slachtoffer spreekt van gruwelijke beproeving,’ kopt de krant. Denise Smith uit de noordelijke buitenwijk Sandton werd middenin de nacht wakker van hondengeblaf en gestommel. Een ogenblik later stormden vier mannen haar slaapkamer binnen, twee met een pistool en één met een mes in de hand. Ze bonden haar handen en voeten met kabels vast en een van de mannen hield een pistool tegen haar hoofd. In sneltempo graaiden ze zoveel mogelijk mee, laptop, fotocamera, sieraden, dvd-speler, een keukenmes. En weg waren ze.

Smith is het laatste slachtoffer van een bende die al weken de noordelijke buitenwijken terroriseert, aldus The Star.

Ik knipper met m’n ogen en ga rechtop zitten. ‘Shit,’ mompel ik. ‘Wat is er?,’ vraagt Maxine. ‘O, niks,’ zeg ik, ‘ben iets vergeten in Shanghai.’ En ik vouw snel de krant dicht.

Na zes jaar zijn we terug in Johannesburg, waar we vijf jaar gewoond hebben en waar Maxine geboren is. Zij verheugt zich op een bezoek aan een wildpark, op giraffen, olifanten en leeuwen. Wij willen kijken wat er veranderd is na zoveel jaar, aan de vooravond van het wereldkampioenschap voetbal. En we hopen Fanie en Rose te zien, de twee mensen die voor ons werkten: Fanie was onze tuin- en klusjesman, Rose onze kinderoppas. Dit is alvast hetzelfde gebleven: de krant die je dagelijks een portie verschrikking bezorgt.

Maar de krant stort je óók weer meteen in het debat: als we de stad inrijden, schreeuwen de koppen ons toe vanaf lantaarnpalen, waaraan de krantenposters zijn bevestigd: ‘Zuma’s odd teaparty’, ‘Soccer star held for drunk driving’, ‘Violent riot spreads’. We zetten de radio aan en vallen middenin een heftige discussie over president Zuma’s roep om respect voor Afrikaanse tradities. Heerlijk, die polemiek, al die mensen die luid hun  mening verkondigen, zeker als je ver uit China komt, een land waar alle neuzen verplicht dezelfde kant op wijzen.

Peter, een Nederlandse collega en Zuid-Afrika veteraan, is een klein guesthouse begonnen in onze voormalige buurt, Kensington, een oude Europese immigrantenwijk met vrijstaande huizen die elegant over een paar koppies (heuvels) liggen uitgespreid.

Wat zijn de straten weer adembenemend mooi. De rode bloemen spatten van de heldergroene doringbomen, de paarsrode bougainvillea slingert over muren en poorten, en de hemel is wijds en diepblauw, het blauw van het Highveld – Johannesburg ligt op meer dan 1500 meter hoogte. In welke andere miljoenenstad is de lucht zo schoon, zijn de kleuren zo helder?

‘Ik klop ‘t af,’ zegt Peter, die ons voor zijn poort verwelkomt, ‘maar in de vijf jaar dat ik hier woon heb ik nooit problemen gehad.’ De buurt heeft een straatwacht, zegt hij. Dat helpt. Bovendien staan de auto’s van de armed response ’s avonds vaak verdekt opgesteld in zijn doodlopende straat  – een goede uitvalsbasis. De armed response is de particuliere beveiligingsdienst die je bij onraad kunt bellen, en die een groepje gewapende mannen op je af stuurt als je in huis op de panic button drukt.

Peter is jaren geleden, toen hij nog in een problematische buurt woonde, in zijn huis overvallen. ‘Het slijt wel,’ zegt hij, ‘maar je houdt er toch een tik aan over.’

Ons oude huis ligt een koppie verderop. We verkochten het zes jaar geleden aan een stel dat net een baby had gekregen, Neil en Vera. Het waren vrienden van een vriendin van ons, alternatieve blanke Zuid-Afrikanen met het hart op de juiste plaats – we hoopten dat Rose voor hen kon werken. Na een eerste ontmoeting waren ze dolenthousiast dat Rose kon blijven.

Ik bel het nummer van Vera. We hebben in geen jaren contact gehad – te druk met een nieuw leven in Shanghai. Ik weet wél dat Neil en Vera uit elkaar zijn, en dat Vera met haar dochter alleen in het huis woont. ‘Het spijt me,’ zegt Vera, ‘dat ik je dit moet vertellen, maar Rose leeft niet meer. Ze is twee jaar geleden onverwacht overleden.’

Ik kan het niet geloven. Hoe kan Rose er niet meer zijn? Rose, die rustige, warme vrouw die Maxine als baby op haar rug droeg!

‘Maar ze was van mijn leeftijd!,’ breng ik uit.

Het beeld van een weerzien, vooral van Rose met Maxine – toen een jongensachtige kleuter, nu een meisje met lang blond haar – ligt aan scherven. Nu heeft Rose haar niet kunnen zien na zoveel jaar, nu heeft Maxine Rose nooit kunnen ontmoeten…

De volgende dag rijden we Langermans Kop op. Als we het laantje naar ons huis indraaien en voor de poort stoppen, komt een reusachtige Deense dog aangalopperen. Ah ja, honden! Ineens doemt het beeld van de pitbull terriërs van onze buurvrouw op, twee opgefokte waakhonden die altijd schijnheilig onder een afdakje lagen te dutten, totdat er iemand voorbij kwam. Zwart personeel dat door de straat liep, klusjesmannen, schoonmaaksters en nannies, waren als de dood dat de moordmachines losbraken – en ik zelf ook. Je hoefde maar een blik in de krant te werpen om te weten dat het geregeld misging: ‘Kinderoppas en baby verscheurd door naburige waakhond’. En ja, op een dag werd Sipho, het tienjarige zoontje van Rose, gegrepen door een hond in onze straat.

Wij hadden geen hond, maar wel een alarm, een panic button en armed response. Het huis lag vrij geïsoleerd, omgeven door een flinke lap rotsachtig terrein. Als je hier werd overvallen, was er niemand die je hoorde. Ik bezocht een buurtvergadering, waar het straatcomité bijeen was gekomen om te overleggen over het inhuren van een eigen straatwacht. De man van het beveiligingsbedrijf, een oud-Rhodesië-ganger, raadde me aan een pistool aan te schaffen. ‘Je man is niet thuis. Er komt iemand door het slaapkamerraam. Wat doe je?’

‘De noodknop?’

‘Nee, je neemt het pistool naast je bed, richt met beide handen op het raam, je schiet en je blijft schieten.’

Ik lachte maar wat.

Toen werd Maxine geboren en was ik vaker alleen thuis. Het aantal gewelddadige incidenten om ons heen nam toe en we hoorden dat de vorige huiseigenaars in huis (ons huis!) waren overvallen. Daarop besloten we de ‘kooiconstructie’ te laten maken die veel mensen hebben: het slaapkamergedeelte wordt afgesloten middels stalen hekken en ramen die alleen met speciale pinsloten te openen zijn.

Vera komt aanlopen en opent het hek met de afstandsbediening. Ja, de hond heeft ze aangeschaft als afschrikmiddel. ‘Maar ze is zo mak als een lam,’ lacht ze. De hond kwispelt en likt aan onze handen. Vera heeft een aantal inbraken gehad. Eén keer middenin de nacht. Gelukkig waren de mannen van de armed response er snel bij. Sindsdien heeft ze beamers op het terrein rond het huis, lichtpaaltjes die ‘s avonds aanflitsen als er iemand langskomt.

Maxine duikt met Vera’s dochter Liz, inmiddels zes jaar, het zwembad in.

Rose was niet lekker op een dag, vertelt Vera. ‘En moe, alsmaar moe. Als ze een trap opliep, hijgde ze. Ik zei: blijf maar lekker thuis tot je je beter voelt.’

‘Aanvankelijk leek ze op te knappen, maar opeens lag ze toch in het ziekenhuis. Bronchitis, zei haar broer, die me opbelde. Ik ging haar opzoeken. Rose zei: het lijkt wel of er een steen op m’n borst ligt. Ze zag er moe uit, maar ze leek niet ernstig ziek. Op een dag belt haar broer. “We nemen Rose mee naar huis,” zei hij, “naar KwaZulu-Natal.” Ik dacht: heel goed, dan kan ze bij haar familie op krachten komen. Maar ik had het niet goed begrepen: Rose was overleden en ze gingen haar in KwaZulu-Natal begraven. Ze bleek tuberculose te hebben, achteraf. Waarschijnlijk te laat onderkend. Het staatsziekenhuis was duidelijk overbezet.’

Onze buurt heeft meer kleur gekregen. En niet alleen door zwarte arbeiders. Er stappen goedgeklede zwarten uit dure auto’s en als we gaan eten bij een van onze favoriete Portugese restaurants, Adega do Monge, zitten links en rechts van ons vertegenwoordigers van de zwarte middenklasse – een hele vooruitgang met zes jaar geleden.

Bij de boekhandel in de nabijgelegen luxe shopping mall word ik niet geholpen door een oudere blanke dame (zoals toen), maar door een hippe, zelfbewuste zwarte twintiger die razendsnel vindt wat ik zoek. Bij de kassa bedankt een zwarte jongen me vriendelijk met de woorden: ‘Thanks, mama, hope to see you again.’ Mama, de warme zwarte beleefdheidsvorm, geen madam.

’s Avonds ontmoeten we een goede vriendin in Sophiatown, een cool restaurant in het Newtown Cultural Precinct, het paradepaardje van het opgeknapte stadshart. Hier zijn theaters, galeries en jazzcafé’s bij elkaar gebracht en zorgen straatwachten voor de veiligheid. De zwarte serveersters zijn bijna New Yorks vlot, de zwarte manager komt een praatje maken.

Jodi is fotografe, ze woonde jarenlang in Parijs en Londen, won World Press Photo-prijzen en bouwde een naam op. Maar drie jaar geleden kwam ze terug naar Johannesburg. Here to stay!, meldt ze energiek en ze heft haar glas. Nog geen jaar geleden werd haar huis leeggeroofd, inclusief al haar fotoapparatuur, maar het heeft haar goede humeur niet verpest. Integendeel, ze is in high spirits. ‘Ik heb de angst losgelaten. Ik zeg niet dat er geen misdaad en geweld is, maar er is teveel aandacht voor.’

Ze werkt al maanden aan een fotoboek over Soweto. ‘Niet de donkere kant, geen aids, geen vrouwenmishandeling, geen misdaad. Ik fotografeer zwarte kinderen bij het zwembad, een vrolijke tiener die zich heeft opgetut om uit te gaan, een gezin in een voortuintje vol bloemen.’

Drie maanden lang doorkruiste ze Soweto, zegt ze. Nooit problemen gehad. ‘Ik heb alleen maar gastvrijheid gevonden, optimisme, veerkracht. Soweto is geweldig veranderd. Er zijn winkelcentra gekomen, jongeren zijn bezig met lifestyle. Zwarten die in de blanke suburbs zijn gaan wonen, komen in het weekend terug! Overal zijn mensen bezig om hun omgeving aantrekkelijk te maken. En er is betere wijkpolitie gekomen. De mensen zijn de misdaad helemaal zat, er is geen tolerantie meer voor.’

Jodi neemt een slok en gaat nog even door: ‘Johannesburg is geen gemakkelijke stad, maar hier ligt de oorsprong, hier zie je Zuid-Afrika in ontwikkeling. Ik ben gestopt met het lezen van de kritische, intellectuele kranten. Al die commentaren en analyses, het is oeverloos. Het is heel eenvoudig: de meerderheid in dit land is zwart en er is een zwarte regering: het is nu aan de mensen zélf om uit te maken wat voor land ze willen. En om in opstand te komen als het ze niet zint.’

‘Kunnen we eindelijk gaan?,’ zeurt Maxine. Ze heeft haar hoofd op de tafel gelegd. Jetlag. En al dat gepraat.

Als een spons heeft ze alles opgezogen, de verhalen over Johannesburg, haar geboortestad. Vooral het gepraat over gevaar is blijven hangen; ’s nachts droomt ze van enge mannen die ons willen vermoorden.

‘Ik wil terug naar Shanghai!,’ piept ze ’s ochtends.

De laatste dagen brengen we door in Pilanesberg, een wildpark twee uur rijden van Johannesburg – het wordt tijd voor de Grote Vijf. Op het zwarte platteland waar we langs rijden, is het aantal ‘funeral services’ flink toegenomen, valt ons op. Een begrafenisondernemer met gevoel voor humor heeft op de achterklep van zijn lijkwagen een opschrift geplakt: ‘We are the last ones to let you down.’

In een kleine open safaritruck gaan we het park binnen. Gids Patrick, een zwarte jongen uit de Limpopo provincie, laadt dikke patronen in zijn indrukwekkende jachtgeweer. ‘Standaard procedure,’ zegt hij. In geval een opstandige bul, ‘n mannetjesolifant, ons pad kruist.

We zien zebra’s, neushoorns, giraffen en olifanten. Nijlpaarden blazen water in fonteintjes uit hun neus, springbokken dansen in het licht van de ondergaande zon. Als de schemer valt, gaat Patrick op zoek naar de leeuwen. We speuren het wijde, donkere bushveld af, maar het gras staat hoog.

Een kreet van Patrick. ‘Daar!’ In de verte spotten we de contouren van een mannetjesleeuw. Hij beweegt zich voort in kalme, statige looppas. Even later klinkt een indringend, boerend gebrul, als uit het diepst van de aarde.

‘Een tweede mannetjesleeuw!,’ roept Patrick.

Het gaat allemaal om het afbakenen van territorium, legt hij uit. Ook deze safaritruck is onderdeel van het spel. ‘Je zult zien,’ zegt hij opgewonden, ‘dat ze dadelijk samen oplopen en dan misschien de weg kruisen om indruk op ons te maken …’

Het volgende half uur volgen we gespannen de bewegingen van de twee elegante, imponerende males. Ze raken plotseling uit zicht, duiken op achter een rots. Dan, zonder dat we het in de gaten hadden, loopt één van de twee leeuwen plotseling naast onze auto. Drie meter afstand. Patrick legt een hand op het jachtgeweer. Een, twee seconden en dan is het dier geruisloos in de blonde grashalmen verdwenen.

Stil rijden we terug naar het kamp.

‘Wow,’ zegt Maxine als we uit de truck stappen. ‘Dit is het coolste dat ik óóit heb meegemaakt.’

[terug naar beginpagina]
[terug naar overzicht publicaties Zuid-Afrika]