Mijn berouw is groot maar niet absoluut

Schrijver Mark Behr: dubbelspion in Zuid-Afrika.

[Cultureel Supplement NRC Handelsblad, 22 januari 1999]

De Zuid-Afrikaanse schrijver Mark Behr was een prominent lid van de linkse studentenvakbond. Tegelijk werkte hij als informant voor de Zuid-Afrikaanse veiligheidsdienst en ten slotte werd hij zelfs dubbelspion voor het ANC. “De grootste vraag was de moeilijkste: waarom?”

Toen zijn oom, een kolonel in het Zuid-Afrikaanse leger, hem in de winter van 1986  vroeg of hij een betaalde informant wilde worden, aarzelde Mark Behr, toen 22 jaar, geen seconde. Hij werd een politiespion met een rang en een salaris en alles wees erop dat Behr daarmee zijn eigen ondergang tekende.

Het is de ironie van het lot dat Behr (35) juist aan deze keuze zijn vrijheid als mens dankt. En dat hij schrijver werd. Zonder het voorstel van zijn oom was Behr nu hoogstwaarschijnlijk een getrouwde, succesvolle advocaat, maar een verkrampt en verknipt mens, iemand met een tweede, verborgen leven, zoals de Zuid-Afrikaanse generaal in zijn debuut De geur van appels.

Daarin beschrijft Behr hoe de kuiperijen van een autoritair systeem elk individu kunnen corrumperen. De elfjarige Marnus heeft modelouders, vader is de jongste generaal in het Zuid-Afrikaanse leger, moeder is een mooie, muzikaal begaafde vrouw, ze wonen in een prachtig huis aan zee. Maar het blanke paradijs is rot van binnen. Hoe rot, blijkt uit de gruwelijke ontdekking die Marnus doet: zijn boezemvriendje wordt door zijn vader verkracht. Marnus, totaal ontredderd, besluit er zijn leven lang over te zwijgen. Want wat niet hardop gezegd wordt, bestaat niet, zo heeft de cultuur van leugens hem geleerd. Later, wanneer hij als officier in Angola vecht, verraadt zijn vader hem opnieuw: deze ontkent op de radio glashard dat er Zuid-Afrikaanse troepen in Angola zijn.

Het boek sloeg aan, zowel in Zuid-Afrika als in Engeland en de Verenigde Staten. Er zijn inmiddels meer dan 70.000 exemplaren van verkocht, waarvan 40.000 in eigen land – een record voor een Zuid-Afrikaans debuut. Behr schreef het tegelijk in het Afrikaans en het Engels en won er diverse prijzen mee, waaronder de M-Net prijs – de belangrijkste fictie-prijs in Zuid-Afrika – en de Los Angeles Times Award, een debuutprijs.

“Mijn God! Ik heb het over mezelf!” Tijdens ons gesprek stokt de welbespraakte Behr af en toe en schiet dan in een klinkende, bevrijdende lach. Hij kijkt niet langer in woede en schaamte terug op zijn leven, maar met scherpe zelfkennis en humor. Het is de eerste keer dat hij bereid is tot een substantieel interview sinds hij de Waarheidscommissie een inventaris bezorgde van zijn werk als spion, twee jaar geleden.

We bevinden ons in Zastron, een vriendelijk dorpje op de grens met Lesotho. Door de straten waait een droge woestijnwind, in de verte tekenen de bergen zich af tegen de kraakheldere hemel. Hier, in het koele huis van zijn moeder, legt Behr de laatste hand aan en zijn tweede, omvangrijke roman en een letterkundig proefschrift, waarvoor hij een groot deel van het jaar in de VS verblijft. Hier ook is hij ver weg van het mediageweld dat hem heeft opgejaagd sinds hij progressief-blank Zuid-Afrika schokte met zijn sensationele bekentenis, op 4 juli 1996, dat hij tijdens zijn studie werkte als een agent voor de Zuid-Afrikaanse veiligheidsdienst.

Het sloeg in als een bom. Want Behr was niet zomaar een student geweest. Behr was eind jaren tachtig op ‘Stellenbosch’, de Afrikaner elite-universiteit in de Kaap, de gepassioneerde leider van een groep linkse studenten, die tot woede van het regime uitgroeide tot een progressieve Afrikaner beweging. Behr was de student die in 1989 een afvaardiging van Stellenbosch-studenten naar Lusaka leidde, om daar in het geheim een onderhoud te hebben met het verboden ANC.

Wie had hij verraden? Wat waren de gevolgen ervan geweest? Was er iemand gevangen genomen, gemarteld, vermoord? Als Behr een verrader was, wat hadden dan al die protesten voor een betekenis gehad? Voor oud-Stellenbosch-activisten kwam alles ineens in een ander licht te staan. Ze reageerden hun woede op Behr af tegen de begerige Zuid-Afrikaanse pers: het was een publiciteitsstunt van Behr, die zo alvast aandacht probeerde te krijgen voor zijn tweede boek; het was een laffe, opportunistische actie, die alleen maar voortkwam uit Behr’s angst binnenkort door de Waarheidscommissie ontmaskerd te worden.

Een paar maanden eerder had Behr alle moed bij elkaar geschraapt en het een twintigtal mensen die hij verraden had  – onder wie zijn beste vrienden – verteld. Zij adviseerden hem uiteindelijk een publieke bekentenis te doen. “Ik dacht dat ik al mijn vrienden zou verliezen, maar op een enkele uitzondering na is onze band alleen maar versterkt. Dagen, wekenlang hebben we gepraat, gehuild, geschreeuwd, gelachen.”

In die sessies werd Behr gevraagd antwoord te geven op vragen als: Had hij met iemand vriendschap gesloten of was hij met iemand naar bed geweest om informatie los te krijgen? Had hij hun telefoon afgeluisterd? In persoonlijke bezittingen geneusd? Persoonlijke rapporten geschreven?

Behr kon al die vragen eenvoudig met ‘nee’ beantwoorden. Maar de grootste vraag was ontzaglijk veel moeilijker: waarom?

Het verhaal begint in Tanzania, waar de familie Behr een boerderij had die zich uitstrekte over vele hectaren. Na de onafhankelijkheid werd hun boerderij onteigend, en de familie vertrok in 1964? overhaast en zonder een cent naar Zuid-Afrika. Pa Behr kon in de provincie KwaZulu-Natal aan het werk als opzichter in een wildpark. Daar groeide Mark de eerste jaren van zijn leven op. “Het was paradijselijk. Ik mocht gaan en staan waar ik wilde, ik wandelde tussen de giraffen en de zebra’s. Ik was het enige blanke kind en werd verwend met aandacht.”

“Op m’n achtste verhuisden we naar Durban. Een nachtmerrie. Mijn vader had besloten in zaken te gaan omdat het werk als opzichter zo slecht betaalde. Maar hij boekte weinig blijvende successen, met als gevolg dat we voortdurend verhuisden, van een huurhuis naar een flat en viceversa, afhankelijk van hoe de zaken floreerden. Ik ging naar een zeer christelijke, nationalistische school, waar absolute gehoorzaamheid en discipline geeist werd. Ik werd een opstandig, ongehoorzaam kind. Ik was brutaal tegen de onderwijzers, tegen mijn ouders. Ik stal, deed aan seks, was voortdurend in conflict met autoriteiten. Iedere week werd ik op school gestraft met de riet.”

“Tegelijkertijd hield ik erg van muziek, van dansen. Ik vond het heerlijk om in een jurk door de kamer te zwieren. Aanvankelijk dachten mijn ouders: ach, het is maar spel. Maar rond m’n tiende begonnen mijn artistieke interesses langzaam bedreigend te worden. De angst van mijn vader dat ik misschien ‘anders’ was, werd zo groot dat hij me sloeg en vernederde. Zijn refrein was: ‘Kijk toch eens, hoe groot en sterk je bent! Een echte sportman! Waarom gedraag je je als een meisje?’ Mijn ouders zochten zelfs professionele hulp voor me.”

“Kijk, mijn vader kwam uit koloniaal Oost-Afrika, waar de mannen soms drie maanden lang op safari waren. Ze speelden ruwe sporten, dronken fors, versierden veel vrouwen. Het was een publiek geheim dat mijn vader van het ene bed in het andere dook.” Behr lacht. “En dan had je mij… een twaalfjarige die op ballet wilde! Dat paste niet echt in het beeld. Vooral omdat mijn ouders enorm hun best deden om goede Afrikaners te zijn, om erbij te horen. De woede van mijn vader kwam voort uit diepe frustratie, onmacht.”

“Op m’n dertiende of veertiende dacht ik op een dag: ik geef me over, ik word de jongen die ze graag willen hebben. Ik was uitgeput. Ik begon in die tijd ook mijn seksualiteit te ontdekken en was verschrikkelijk bang voor de betekenis ervan. In korte tijd werd ik een modelkind. Ik stopte met muziek en ging op rugby. Ik werd klassevoorzitter en deed fanatiek mee aan de wekelijkse militaire oefenparades op school. Intussen leed ik wanhopig onder het feit dat ik niet zoals de meeste andere jongens tot de rijke middenklasse behoorde. Thuis was er voortdurend financiele onzekerheid.”

“Na school ging ik als dienstplichtige het leger in. Ik dacht nauwelijks na over de politieke consequenties ervan. Als ik het wel deed, dacht ik: uitstekend! Ik vecht tegen de communisten! Ik vond het spannend en romantisch. Tegelijkertijd kwam ik er in het leger achter dat mijn gevoelens voor mannen niet over zouden gaan. Ik realiseerde me: ik zal mijn leven lang een geheim seksueel leven moeten leiden.”

Behr knikt naar een fotoportret dat zijn moeder op een tafeltje heeft staan: een jongeman met heldere blauwe ogen in kraakwit officiersuniform. “Dat is het: negentien jaar, en ik was alles geworden wat ik moest worden.”

“Als officier heb ik twee maanden in Angola gezeten. Je wordt geconfronteerd met je angst, en, belangrijker, met je vermogen geen angst meer te voelen. Dat wordt voorbereid in een negen maanden lange, keiharde training. Je komt eruit als een machine van discipline. Het was de vervolmaking van mijn autoritaire opvoeding.”

Toen hij uit het leger kwam, had hij geen geld voor de universiteit. Voor een lening bij de bank was een onderpand nodig in de vorm van onroerend goed, en dat had zijn familie niet. Hij werkte als ober en verkoper en spaarde geld. Een jaar later, in 1986, schreef hij zich in als student Engels en politieke wetenschappen aan de universiteit van Stellenbosch. Hij had genoeg geld voor een jaar en zou wel zien hoe hij z’n studie verder financierde. Eind 1986 deed zijn oom hem het voorstel.

“Ik was politiek gezien volslagen onwetend. In het jaar na mijn diensttijd hoorde ik voor het eerst wie Mandela eigenlijk was, wat het ANC inhield. In het leger stond ‘zwart’ gelijk aan ‘communist’. Ik voelde me vereerd dat een kolonel mij had uitverkoren voor een geheime missie. Zo kon ik mijn bijdrage leveren aan het voorkomen van een brute zwarte revolutie. En dan de opluchting dat mijn geldprobleem was opgelost! Ik wilde advocaat of docent Engels worden, iets waardoor ik nooit in financiele moeilijkheden zou komen.”

Behr kreeg de opdracht rapporten te schrijven over de activiteiten van de studentenvakbond op Stellenbosch. Het betekende een radicale ommekeer in zijn leven. “Ik kwam voor het eerst in contact met mensen die het gezag in twijfel trokken. Ik begon mijn eigen autoritaire opvoeding met andere ogen te zien. Ik begon als een razende te lezen. Binnen een jaar was ik ervan overtuigd dat een revolutie onontkoombaar was en werd ik gekozen tot voorzitter van de studentenvakbond. En toen ging ik toch nog drie jaar door met spioneren, ja…”

“Hoe zekerder ik wist dat ik ermee moest stoppen, hoe banger ik werd ontmaskerd te worden. Door zo’n prominente positie te verwerven in de studentenvakbond, had ik voor mezelf een val gezet. Want als ik stopte, zou de politie mij verraden, en lag mijn eigen reputatie en die van de studentenbeweging aan scherven. Dus ik dacht: ik manipuleer gewoon de informatie en ik geef geen informatie die iemand persoonlijk compromitteert. Ik was me in alle mogelijke bochten aan het wringen om maar niet de waarheid onder ogen te zien, namelijk dat ik betaald werd om mensen te beschadigen.”

“Toch plaats ik het in perspectief: ik was een kleine spion op een conservatieve Afrikaner universiteit. Bij het kleinste teken van onrust begon men daar al in paniek te raken. Het regime wilde zichzelf niet blameren door zijn eigen elitestudenten te arresteren. Er was geen sprake van dat studenten van Stellenbosch werden opgepakt of gemarteld. Het is dus zeer onwaarschijnlijk dat de informatie die ik gaf geleid heeft tot mensenrechtenschendingen. En anders had ik ongetwijfeld een telefoontje gehad van de Waarheidscommissie. Maar ik ben wel verantwoordelijk voor het feit dat ik heb meegeholpen het systeem draaiende te houden. En dat valt niet te rechtvaardigen.”

Het werd Behr spoedig duidelijk dat hij voor de politie een ‘lange-termijn-project’ was. “Hun doel was om mij in contact te laten komen met het ANC. Voor mij was dat een mooie legitimatie om actief te zijn. Want, zo maakte ik de politie wijs, hoe meer ik me profileerde als leider van de progressieve Afrikaner beweging, hoe dichter ik bij dat doel zou komen. Ik kreeg dus de zegen van de politie toen ik met een groep studenten naar het ANC in Lusaka ging. Maar op zeker moment groeide de beweging zo hard, dat de politie zei: en nou is het genoeg!”

De politie besloot Behr op een geloofwaardige manier van Stellenbosch te verwijderen. Ze zetten een schietincident in scene, waardoor hij kon zeggen: het wordt te gevaarlijk, ik moet een tijdje weg. Behr kon kiezen of delen: of hij werkte mee, of ze zouden bekendmaken dat hij homo was.

Behr stemde toe en zakte vervolgens in een diepe depressie. De politie brak haar belofte en onthulde zijn homo-contacten. Hij stikte van de angst dat de politie hem zou vermoorden. Hij besloot dat er maar een ding opzat: naar het ANC stappen. “Ik hoopte dat het ANC zou zeggen: biecht het maar publiekelijk op. Dan was ik ervanaf geweest. Maar ze wilden dat ik doorging met spioneren.”

Gedurende het jaar 1990-1991 dat Behr als dubbelspion werkte, begon hij te schrijven aan zijn roman. Hij moest zijn woede over de val waarin hij was getrapt kanaliseren. “Ik vroeg me af: hoe kwam ik tot dat punt waarop ik meedeed aan het verrotte systeem? Waar is het begonnen? Al schrijvende zag ik ineens dat elke persoon met autoriteit in mijn leven zijn macht had misbruikt, fysiek, geestelijk, en moreel.”

In juni 1991 werd hij ‘wegens de veranderde politieke omstandigheden’ ontslagen als agent. Het ANC verzocht hem met klem niet naar buiten te treden als spion. Het zou niet goed zijn voor de wankele toenaderingspogingen tussen zwart en blank. Behr werd heen en weer geslingerd tussen wel of niet openbaarmaken. “In 1992 was er het grote schandaal rond Christa Wolf en de Stasi. Ik dacht toen: mijn god! Ik moet spreken! Maar het volgende moment dacht ik: nee, het is te beschamend, te vernederend. Ik wist: niemand heeft sympathie voor een informant. Spioneren is iets verachtelijks.”

Pas toen in 1995 de Waarheidscommissie werd ingesteld, had Behr een ‘kader’ waarin hij kon spreken. Enkele maanden later benaderde hij zijn beste vrienden. Doe een bekentenis, anders kom je er nooit mee in het reine, zeiden die.

Behr steekt zijn zoveelste sigaret op. “Mijn berouw is groot, maar niet absoluut. Ik zou liegen als ik zeg dat er niets positiefs uit de hele zaak is gekomen. Ik ben er een vrij mens door geworden.” Zijn moeder komt bezorgd vragen of we nog leven. Wordt het geen tijd om de benen te strekken?

“Als homo kun je heel goed een geheim te bewaren,” vervolgt Behr als we in de avondzon op pad gaan. “Je laat de ander precies zoveel van jezelf zien dat hij geen wantrouwen koestert. Maar de rest blijft een gesloten boek. Je raakt er heel bedreven in. De beste spionnen zijn homo’s,  kijk naar Kim Philby, Guy Burgess.”

Zijn tweede boek, Embrace, gaat niet over zijn leven als spion, zoals het gerucht gaat. Behr lacht. Hij is blij dat zijn bekentenis als ‘opportunistisch’ en ‘laf’ is afgedaan. “Dat heeft me geholpen om heel eerlijk te zijn tegenover mezelf.” Nee, de nieuwe roman is een onderzoek naar de effecten van de financiele en emotionele onzekerheid die hij als kind heeft ervaren. “Het is een heel complex boek waarin de liefde van een veertienjarige jongen voor een oudere man centraal staat.” Zijn spionverleden moet eerst tot rust komen. “Het boek daarover schrijf ik misschien over twintig of dertig jaar.” En, lachend: “als het dan nog belangrijk is.”

Mark Behr, De geur van appels.
Vertaald door Riet de Jong-Goossens.

[terug naar beginpagina]
[terug naar overzicht publicaties Zuid-Afrika]