Onder het tapijt geveegd

Bessie Head schreef tegen het slachtofferschap.

[Cultureel Supplement NRC Handelsblad, 28 mei 1999]

Serowe

“Geen liefde, geen familie, geen wortels.” Zo vat de negenenzestigjarige Cassim Kikia de tragiek van het leven van Bessie Head samen. We praten in het stoffige kantoortje achterin zijn winkel in Serowe. Naast de winkel, onder een groene doornboom, timmeren een paar jongens aan zelfontworpen teilen en emmers van blik. Een stel koeien loopt traag en snuivend voorbij. Aan de overkant biedt een winkeltje ‘blokken ijs’ te koop aan.

In dit uitgestrekte dorp aan de rand van de Kalahari-woestijn in Botswana schreef Bessie Head bijna haar hele oeuvre: vijf romans, twee verhalenbundels, een geschiedenis van Serowe, journalistiek en autobiografisch werk en duizenden brieven. Het Khama III Memorial Museum, een voormalig handelshuis uit 1910, herbergt de BHP, de Bessie Head Papers: manuscripten, typoscripten, notitieboekjes, foto’s, brieven. Alle originelen zitten in keurige dozen, opgeslagen naast het familie-archief van Khama III, de negentiende eeuwse traditionele leider voor wie Bessie diep respect koesterde en over wie ze de roman A bewitched crossroad schreef, haar laatste boek.

Patricia Bannalotlhe beheert de BHP en kent inmiddels elke snipper. “That lady kon werken!,” zegt ze hoofdschuddend. “Zodra ze een brief ontving, schreef ze staande naast het postloket onmiddellijk een brief terug.” Zelf heeft ze Bessie jammergenoeg nooit gekend. De directeur van het museum, Scobie Lekhutile, wel. Hij groeide samen met Bessie’s zoon Howard op. “Ik herinner me dat de dorpelingen zeiden: ‘Mma-Head is een beetje vreemd. Ze vat alles ernstig op.’” Bessie verwachtte een paradijs te vinden in Serowe, zegt hij. “Maar ze vergat dat je hier ook discriminatie hebt, en klasseverschillen. Bovendien was Botswana men’s country, zeker toen, terwijl Bessie met mannen wilde omgaan als gelijken.”

Cassim Kikia was een uitzondering, zeggen de twee Head-kenners. Meer nog, hij was ‘als een broer’ voor Bessie. Cassim schuift op zijn stoel en glimlacht. Hij is een gezette Indier achter wiens bril twee levendige donkere ogen schuilgaan. “We begrepen elkaar,” zegt hij. “We kwamen uit dezelfde omstandigheden. In 1964 ben ik Zuid-Afrika ontvlucht, net als Bessie. We kwamen rond dezelfde tijd in Serowe aan.”

Dat niet alleen. Ook Cassim had geen ouders en groeide op in kindertehuizen en gastgezinnen. “Nooit liefde gehad,” zegt hij zonder omhaal. Maar Cassim trouwde tenslotte op zijn achtenveertigste en heeft nu vier kinderen. “Bessie had niemand behalve haar zoon. En aan hem is ze bijna doodgegaan.”

Hij herinnert zich nog dat Bessie een keer de winkel binnenschuifelde en schuchter vroeg of ze misschien wat geld kon lenen. “Ze werkte keihard en had nooit een cent.” De winkel lag naast het postkantoor. Daar deed zich op een dag in 1971 een scene voor die het dorp nog lang zou heugen. Op het muurtje met publieke aankondigingen prikte Bessie een notitie waarin ze de Botswaanse president Seretse Khama van moord op de vice-president en van incest met zijn dochter beschuldigde. Het waren krankzinnige beschuldigingen en nog dezelfde dag werd ze door de politie opgehaald en voor de rechter gebracht. Deze liet Bessie, die raaskalde over de president die tegelijk God en de Duivel was, ogenblikkelijk naar het ziekenhuis brengen. Vier maanden bleef ze in een psychiatrisch ziekenhuis.

Cassim: “Het wonderbaarlijke aan Bessie was dat ze op de dag dat ze uit het ziekenhuis werd ontslagen, achter haar typemachine ging zitten en de waanzin produktief maakte. Als ze ging zitten en schrijven, was het alsof haar geest openging.” Head’s derde roman, A Question of Power, was het directe resultaat van die zwaarste crisis in haar leven.

Wie Bessie Head’s voorgeschiedenis kent, begrijpt meer van de plotselinge waanzin die haar kon bevangen. Begrijpt meer ook van haar complexe werk, waarin liefde voor de eenvoudige, moreel-hoogstaande mens centraal staat. Ze werd als Bessie Emery geboren in 1937 in Pietermaritzburg, in de Zuid-Afrikaanse provincie KwaZulu-Natal. Haar moeder was een blanke vrouw die door de plotselinge dood van haar eerste kind en de daarop volgende scheiding van haar echtgenoot in een geestelijke crisis terechtkwam. Ze werd zwanger van een onbekende zwarte man en beviel van Bessie in een psychiatrische inrichting, waar ze enkele jaren later overleed.

Bessie werd door de familie van haar moeder ogenblikkelijk ter adoptie aangeboden. Ze kwam terecht bij een kleurling-familie in een van de armste delen van de stad. Op haar dertiende werd ze naar een Anglicaanse missieschool in Durban gestuurd, waar een missionaris haar op een dag plompverloren meldde dat haar moeder haar moeder niet was, dat haar echte moeder ‘gek’ was en haar vader een ‘inboorling’.

In 1982, op haar vijfenveertigte, schreef Bessie over haar afkomst: ‘Er moeten veel mensen zoals ik zijn in Zuid-Afrika (-), het soort persoon dat het lijk in de kast is, of het donkere en beangstigende geheim dat onder het tapijt wordt geveegd.’

Na de missieschool en het behalen van een onderwijzerscertificaat stapte Bessie op de trein naar Kaapstad met het plan journaliste te worden. Ze werd als freelancer aangenomen bij de populaire krant Golden City Post. Binnen een jaar verhuisde ze naar Johannesburg, waar ze bij de krant in vaste dienst kon. Ze ontmoette journalisten van het roemruchte tijdschrift Drum en had voor het eerst van haar leven het gevoel dat ze tussen vrienden was.

Een van hen bracht haar in contact met de PAC, het Pan Afrikanistisch Congres, dat anders dan het ANC de nadruk legde op het Afrikaanse (zwarte) karakter van de strijd tegen de apartheid en blanke leden uitsloot van haar organisatie. De partij besloot dat kleurlingen wel onder de noemer ‘Afrikaans’ vielen. Dat laatste was van groot belang voor Bessie, met haar diepe verlangen ergens thuis te horen, niet telkens de ‘halfbloed’ te zijn, zonder aanspraak op een traditie of cultuur. Ze werd lid van het PAC, stortte zich in acties en demonstraties. Maar het oplopende geweld dat gebruikt werd tegen demonstranten, met het bloedbad van Sharpeville in 1960 als dieptepunt, schokte en beangstigde Bessie diep. Ook raakte ze teleurgesteld in radicale PAC-leiders die hun eigen eerzucht najaagden. Tijdens een van de acties werd Bessie gearresteerd en beschuldigd van medewerking aan een verboden organisatie. Door staatsgetuige te worden, kwam ze vrij. Welke informatie Bessie gaf is nooit opgehelderd, maar haar capitulatie moet een daad van diepe angst en wanhoop zijn geweest. Een maand later deed ze een zelfmoordpoging.

Ze verloor haar baan bij de krant en keerde gedeprimeerd terug naar Kaapstad. Ze bleef een fanatiek Afrikanist maar kon steeds minder overweg met de partijdiscipline. Een jaar voor haar vlucht uit Zuid-Afrika schreef ze met ironische zelfkennis: ‘Iemand zei laatst minachtend tegen me dat ik geen vrijheidsstrijder ben. Ik moet toegeven dat het de waarheid is. Ik heb me nooit aangesloten bij geldinzamelingsacties want ik kan niet om geld vragen. Ik heb nooit betaald op geldinzamelingsfeestjes want ik was altijd platzak en toch dronk ik altijd zoveel wijn als ik kon en praatte zo luid als ik kon en maakte ruzie met de aanwezige blanken.’

In 1961 trouwde Bessie met de journalist en activist Harold Head. Het was een huwelijk dat meer uit omstandigheden dan uit grote liefde tot stand kwam. Een jaar later werd hun zoon Howard geboren. Bessie begon aan haar (postuum verschenen) roman The Cardinals, die ze situeerde in haar eigen buurt, de kleurlingenwijk District Six. Bessie ergerde zich aan het gebrek aan verzet van de kleurlingengemeenschap en zag met lede ogen aan hoezeer de bewoners vastzaten in een cirkel van armoede, passiviteit en dronkenschap. De toenemende repressieve atmosfeer van Zuid-Afrika verlamde haar als schrijfster. Ze noteert: ‘Als ik op een dag echt ga schrijven, zou ik alleen maar willen zeggen: mensen zijn mensen en niet damn White, damn Black.’ Zestien jaar later zou ze schrijven: ‘Ik vond de Zuid-Afrikaanse situatie zo misdadig dat het voor mij onmogelijk was om er mee om te gaan, creatief gezien.’

In 1964 wilde Bessie het land uit. Haar huwelijk was niet meer te lijmen en ze had gelezen dat Botswana onderwijzers nodig had. Een paspoort werd haar geweigerd. Uiteindelijk mocht ze vertrekken op een ‘exit-permit’ dat haar verbood ooit naar Zuid-Afrika terug te keren.

“Hier was niets!,” roept Cassim uit als hij vertelt hoe het was, Serowe anno 1964. “Een stuk land met alleen maar hutten. Geen wegen, geen winkels. Als je tomaten wilde hebben, moest je ze zelf te verbouwen.” Voor Bessie die haar leven lang in overbevolkte stadswijken had gewoond, was de overgang enorm. Ze kreeg een aanstelling op de lagere school en werd verder aan haar lot overgelaten. In de stroom brieven aan vrienden en ballingen in Zuid-Afrika en Engeland die vanaf dat moment op gang kwam, drukt ze haar verbazing uit over de vijandige houding van de dorpelingen. Aan haar trouwe vriend Randolph Vigne in Londen schrijft ze: ‘B. Head, grote pan-Afrikanist op een zeepkist, heeft een vervloekte klim naar beneden gemaakt. Altijd gezegd dat mensen mensen zijn maar nooit gepraktizeerd wat ik preekte. Al dat Afrika-mijn-Afrika – zwarte mensen kunnen wreder zijn dan veel andere mensen omdat we zoveel missen en zoveel willen.’

Binnen anderhalf jaar heeft Bessie slaande ruzie op school. Ze weigert in te gaan op de avances van het schoolhoofd en deze, aangetast in zijn mannelijke eer, vernedert haar voor haar klas. Toen hij haar arm wilde omdraaien, beet Bessie ziedend in z’n hand. De schooldirectie eist dat ze haar geestelijke gezondheid laat testen. Bessie weigert en neemt ontslag. Vanaf dat moment zal ze leven van haar pen.

Het is een leven van eenzaamheid en armoede. Voortdurend maakt ze plannen om het land te verlaten. Toch vindt ze langzaam haar draai in het dorp. Ze doet mee aan een landbouwproject, verbouwt haar eigen groenten en schrijft. Van de opbrengst van haar eerste roman, When rain clouds gather (1968), bouwt ze een klein huis aan de rand van het dorp, zonder elektriciteit of stromend water. Hoofdpersoon in haar debuut is een jonge Zuid-Afrikaanse vrijheidsstrijder die naar Botswana vlucht. Hij heeft twijfels over de gewelddadigheid van de vrijheidsstrijd en kiest ervoor om in de luwte van Afrika, op een stuk onontgonnen land, een landbouwproject te beginnen. Op vergelijkbare wijze kiest Maru, de titelheld van Bessie Head’s tweede roman (Maru, 1971) ervoor om een vrouw te trouwen die voor zijn status – hij is de troonopvolger in zijn stam – meer dan minderwaardig is. Zij is een Bosjesman en de lichtgekleurde Bosjesmannen worden naar stamgewoonte gebruikt als slaven. De consequentie van Maru’s keuze is een leven in afzondering, ontdaan van alle macht en aanzien.

Bessie, zelf een slachtoffer van onderdrukking, identificeerde zich sterk met de Bosjesmannen in Botswana. Het schokte haar dat ook Afrikanen discrimineerden. Tijdens depressies beschuldigde ze de dorpelingen ervan dat ze haar minachten om haar kleur. ‘Voor Afrikanen ben ik een Bosjesman, vuil, besmet, halfbloed,’ schreef ze bitter in 1970, beseffend dat ze altijd een buitenstaander zou blijven.

De worsteling met haar identiteit en haar ervaringen in Zuid-Afrika leidde tot de diepe crisis in 1971, die ze zou verwerken in haar derde roman, A Question of Power. Het boek is een krachttoer in het beschrijven van geestelijk lijden en bij vlagen schier onleesbaar voor de oningewijde in het Head-universum. Aan een Amerikaanse dichteres schreef Bessie in 1973: ‘Ik schreef het boek in een vreselijk getij, in een soort golf van walging en diepe haat tegen wat me tot slachtoffer gemaakt heeft.’ De dichteres Nikki Giovanni had Bessie ontdekt door haar eerste boek dat tegelijk in Londen en New York was verschenen en zocht haar op in Botswana. Het vormde de aanleiding voor een hartstochtelijke correspondentie. Bessie noemde het contact zelfs een ‘liefdesaffaire’. De dichteres schreef echter korte en weinig inspirerende brieven terug. Dat irriteerde Bessie na verloop van tijd dermate dat ze de vriendschap abrupt afbrak met een woedend briefje: ‘We hebben niks gemeen. Geen menselijke communicatie, geen gezellig geklets, NIKS!’

Het is maar een voorbeeld van de vele (epistolaire) vriendschappen die Bessie met grote overgave aanknoopte en met even grote woede en teleurstelling weer afbrak. Het literaire resultaat is een epistolaire schat van zo’n zesduizend brieven. Daarvan is een klein deel postuum gepubliceerd in A Gesture of Belonging, ‘Letters from Bessie Head 1965-1979’. ‘My letters are damn good’, vond Bessie zelf.

Na een jaar of tien begon Bessie zich met het leven in Serowe te verzoenen. De dorpelingen accepteerden haar zoals ze was, een merkwaardige kleine, ronde vrouw met doordringende zwarte ogen, die stevig kon roken en drinken. Bessie kreeg respect voor de Afrikaanse vrouwen en begon te houden van het droge landschap, de stilte en het leven van de mensen: ‘just living’. Ze kreeg zelfs een paar goede vrienden, met wier hulp ze een prachtige orale geschiedenis van het dorp schreef, Serowe:Village of the Rain Wind (1981).

Bessie wilde tenslotte niet meer weg, een aanbod voor asiel in Denemarken sloeg ze af. Wel ging ze in op uitnodigingen voor schrijverscongressen en reisde ze onder meer naar de VS, Berlijn en Denemarken. Journalisten en letterkundigen begonnen haar op te zoeken in Serowe. Tot ze er genoeg van had en ze allemaal de deur wees, de ‘parasieten’ die geld verdienden en carriere maakten over haar rug, terwijl ze zelf nog geen ijskast bezat.

Bessie’s dood, in 1986, kwam vrij plotseling. Sommigen, zoals haar vriend Cassim, zagen het aankomen. Bessie had haar 24-jarige zoon Howard het huis uitgegooid.

Howard probeerde werk te vinden in de muziekwereld in Gaborone, slaagde niet en lag thuis meestal lui op de bank, terwijl Bessie hard aan het werk was. In januari 1986 explodeerde de situatie. Cassim: “Het was de verschrikkelijkste dag van haar leven. De enige persoon die ze liefhad, had ze weggejaagd.” Bessie raakte aan de sterke drank, binnen enkele maanden was haar lever aangetast. Op 17 april sterft ze vrij onverwacht aan hepatitis. Ze is dan 49 jaar.

Bessie’s kleine huis is er nog. Het ligt op een heuvel langs een stofpad, vanwaar je een wijds uitzicht hebt. Howard is er, na een aantal omzwervingen, weer gaan wonen. Hij leeft van de royalties van zijn moeders boeken. Rond de doornboom achter het huis heeft hij een bar getimmerd. Het is het begin van wat de ‘Thorntree Jazz Club’ moet worden, legt hij uit. Vleugjes grijs lichten op in zijn donkere baard en haar. Hij heeft de ogen van zijn moeder, naar foto’s te oordelen. Op de foto’s is het hele huis volgeplakt met krantenartikelen en –foto’s. Bessie zit op het bed, heftig pratend, sigaret in de hand. “Als jonge jongen hoopte ik altijd dat we op een dag zouden vertrekken, naar een plaats in de wereld waar de dingen gebeurden,” zegt hij zacht. “Maar nu begrijp ik haar.”

In het voorwoord van haar boek over Serowe schrijft Bessie: ‘Het grootste deel van mijn leven heb ik geleefd in versplinterde kleine stukjes. Op een of andere manier begonnen de stukjes hier samen te groeien. Er is een gevoel van verwevenheid, van compleetheid in het leven hier.’

Citaten zijn afkomstig uit:

De Bessie Head Papers (Brieven), Khama III Memorial Museum, Serowe.
A Gesture of Belonging, Letters from Bessie Head 1965-1979. Edited by Randolph Vigne, Heinemann, Londen, 1991.
Bessie Head, A Woman Alone, Autobiographical Writings. Edited by Craig MacKenzie, Heinemann, Londen, 1990.
Bessie Head, Serowe: Village of the Rain Wind, Heinemann, Londen, 1981.

Over Bessie Head:

Gillian Stead Eilersen, Bessie Head: Thunder Behind Her Ears, Her Life and Writing, Heinemann, Portsmouth NH, 1995.

[terug naar beginpagina]
[terug naar overzicht publicaties Zuid-Afrika]