Tibet boft met China, vindt China

Vijftig jaar na bloedige opstand

[De Pers, 9 maart 2009]

Het was weer zover, vorige week. Miao, Oeigoers, Bai, Dong, Tujia en Tibetanen verschenen in Peking in vol ornaat, gehuld in kleurige sjaals, glimmende huiden, versierd met bellen en verzilverde tooien. Tijdens het jaarlijkse volkscongres van de Chinese Communistische Partij verzamelen de afgevaardigden van alle ethnische minderheden zich voor de Grote Hal van het Volk op het Plein van de Hemelse Vrede. Zo ziet de Chinese regering het graag: vrolijke, gelukkige minderheden, van wie sommige zich dankzij de Communistische Partij autonoom mogen noemen binnen het verenigde China.
De Tibetanen zijn zo’n autonome groep. Alleen: de autonomie is volledig door Peking gecontroleerd. De Chinese staat heeft er alle redenen voor. Tibet is een regio die economisch en strategisch van essentieel belang is. De grootste Chinese rivieren, de Yangtze en de Gele rivier, ontspringen in de Tibetaanse hoogvlakte. Die Tibetaanse bronnen voorzien niet alleen enorme gebieden, met honderden miljoenen mensen, van water, maar vormen ook de basis voor de Chinese waterkrachtcentrales. Daarbij vormt Tibet strategisch een buffer met die andere opkomende grootmacht: India.
Maar er is meer. In de afgelopen jaren hebben tientallen geologische teams het Tibetaanse bergplateau onderzocht op grondstoffen en het resultaat stelde niet teleur. Het plateau blijkt grote voorraden metalen en mineralen, olie en gas te bevatten. De dure spoorlijn naar Llasa (drie miljard euro) die in 2006 gereed kwam, was een doelgerichte investering om het Chinese bedrijven makkelijker te maken het gebied te exploiteren.
De vier miljoen Tibetanen vormen een piepkleine minderheid in een land met 1,3 miljard inwoners. De helft daarvan woont niet eens in Tibet zelf, maar in de aangrenzende provincies Qinghai, Gansu, Yunnan en Sichuan. Tibet bedekt een massale 1 miljoen 220duizend vierkante kilometer aardoppervlak, een achtste van de totale Chinese landoppervlakte. In dit dunbevolkte gebied wisselen veel nomadische Tibetanen van standplaats, al zijn er grote clusters met Tibetanen rond de belangrijke kloosters en de grotere plaatsen.
In dit uitgestrekte gebied is het niet eenvoudig je te organiseren. Daarbij heeft China in de afgelopen vijftig jaar een politiek van geregisseerde assimilatie gevoerd. Han-Chinezen worden gestimuleerd in Tibet te gaan werken. Op scholen wordt vooral Chinese taal en cultuur onderwezen en – voor de vorm – mondjesmaat Tibetaans. Er zijn overheidsbanen voor Chineessprekende Tibetanen. Er worden huizen gebouwd voor nomaden in Tibetaanse stijl, met stromend water en elektriciteit. Het is een slimme, geraffineerde politiek die in de rest van het land een prachtig plaatje oplevert: een arm, achtergebleven gebied wordt dankzij de Chinese regering ontwikkeld, terwijl de eigen religie en folklore bewaard blijven.
Het historische feit van de massale Tibetaanse opstand, vijftig jaar geleden, heeft Peking maanden geleden al omgezet in een eigen versie: op 28 maart 1959 heeft Mao de Tibetanen na een felle strijd bevrijd uit een middeleeuwse samenleving van lijfeigenschap. Daarom gedenkt China op 28 maart met vreugde de ‘Dag van de Emancipatie der Lijfeigenen’ in Tibet. Spotjes op de staatstelevisie geven beelden van het Tibet van vo`o`r de bevrijding: in lompen gehulde schepsels, kruipend over de grond, of geketend aan een handploeg.
In menig Chinese huiskamer roept men dan: kijk nou toch! Is dat nou wat het westen die arme mensen weer toewenst?

[terug naar beginpagina]
[terug naar overzicht publicaties China]