Heel sterke vingers

De dood van jazzpianist Moses Molelekwa (28).

[Cultureel Supplement NRC Handelsblad, 20 april 2001]

Jazzpianist Moses Molelekwa stond op het punt de origineelste Zuid-Afrikaanse musicus van nu te worden. Zijn dood, samen met zijn vrouw, is een raadsel.

Op Valentijnsdag, woensdag 14 februari, in het radionieuws van één uur ‘smiddags, komt het bericht: jazzpianist Moses Molelekwa, 28 jaar, en zijn vrouw Florence Mthoba, 35, zijn dood aangetroffen in hun kantoor in het centrum van Johannesburg. Volgens de politie lijkt het erop dat Molelekwa zijn vrouw heeft vermoord, mogelijk door wurging, en zich vervolgens verhing.
Ogenblikkelijk druk telefoonverkeer in de stad. Muzikanten, vrienden, jazzliefhebbers, journalisten bellen elkaar duizelig van ongeloof op. In het radioprogramma van vier uur de eerste reacties van bevriende muzikanten: ongeloof en verbijstering. Moses was ‘een rustige, lieve jongen’, ‘soft-spoken’, ‘introvert’. Op het podium daarentegen ‘onvoorstelbaar aanwezig’, als pianist een ‘genie’, als componist een ‘visionair’. Daarbij had hij het geluk dat hij Flo, zijn vrouw, als z’n financieel manager aan zijn zijde had. Flo had een uitstekende baan als cultureel manager bij de provincie en stond haar mannetje in de patriarchale bestuursstructuur. Men is het erover eens: Moses Molelekwa stond op het punt de meest originele Zuid-Afrikaanse musicus van zijn tijd te worden. En: hij wist het. Bovendien: hij was gek op zijn zesjarig zoontje Zoë. Daarom, zeggen de muziekvrienden, is het ‘onvoorstelbaar’, ‘waanzin.’

Moses Taiwa Molelekwa groeide op in Tembisa, een township aan de zogeheten ‘East Rand’: een onoverzienbare aaneenschakeling van zwarte getto’s ten oosten van Johannesburg. Armoe en werkeloosheid zijn er troef, plaatselijke gangs maken de dienst uit, vrouwen en kinderen zijn ten prooi aan mishandeling en verkrachting. Bioscopen, theaters of concertzalen vind je er niet. Vertier voor jonge mensen bestaat uit drinken in shebeens (huiskamerkroegen) en dansen in geïmproviseerde disco’s.
Moses’ puberteit viel samen met de laatste, meest gewelddadige apartheidsjaren. Scholieren vochten met de politie en met aanhangers van het vijandige Inkatha, verraders werden via de ‘halsbandmethode’ uit de weg geruimd. Temidden van dit pandemonium klonken in de woning van de Molelekwa’s de krakende tonen van Miles Davis, Wynston Marsalis en Thelonious Monk. Vader Molelekwa, beter bekend als ‘Monk’, verzamelde jazzplaten en was als pianist actief in verschillende jazzclubs. Toen hij ontdekte dat Moses talent had, stuurde hij zijn twaalfjarige zoon naar een muziekacademie voor zwarten in de binnenstad van Johannesburg.
Terwijl Moses een ontdekkingstocht in de muziek begon (“’t zat in m’n genen,” zou hij later zeggen, “mijn grootvader was al pianist, mijn grootmoeder tapdanseres”) werden zijn vrienden geharde straathelden. In de loop der jaren zag hij ze vallen: sommigen vonden de dood, anderen raakten de weg kwijt en belandden in de misdaad. “De muziek heeft m’n leven gered,” was Moses’ gevleugelde uitspraak. In interviews bij het verschijnen van zijn eerste cd in 1995, Finding One’s Self, zei hij met pijnlijke nadruk dat de meeste van zijn leeftijdgenoten behoren tot een ‘lost generation’. Dat belemmerde hem niet om een vitale, lichtvoetige eerste cd te maken, waar het plezier van het spelen vanaf spat: wat een vederlichte, bijna vluchtige aanraking van de toetsen, wat een diepe, verontrustende linkerhand soms, wanneer het nodig is – zoals in het nummer ‘Ntatemoholo’ (grootvader), een hommage aan zijn voorouders.

Moses Molelekwa werkte graag met andere jonge muzikanten. Hij wilde ze de kansen geven die hij zelf had gekregen, was inspirator en vriend tegelijk. Maar hij wilde ook de Zuid-Afrikaanse contemporaine muziek vooruit helpen: breken met de starre genre-indeling (jazz, rock, reggae, rap, soul) en ‘vrije muziek’ maken, en hij geloofde dat een nieuwe generatie musici dat kon waarmaken.
Zijn tweede cd, Genes and Spirits uit 1998, nam daar alvast een voorproefje op. Op deze plaat wist hij Braziliaanse (hij strikte zangeres Flora Purim), Cubaanse (pianist Chucho Valdez speelt het geliefde ‘Ntatemoholo’) en Afrikaanse elementen in zijn composities te verenigen. Over het nummer ‘Rapela’ (Gebed), waarin hij met de Kameroenese funkdrummer Brice Wassy fraai experimenteert met traditionele ritmes en eigentijdse jazz, kon de stille Molelekwa plotseling spontaan uitwijden: “De melodie,” zei hij in een interview, “is eigenlijk in vierkwartsmaat, maar als je in zestienden telt, wordt het iets anders, iets geks als negen-zestiende. Dan gaat het over in een zeven-kwarts groove. Dus ik speel gewoon een beetje met tijd en maak het tegelijkertijd aangenaam en spannend.”
Hoe vrij Molelekwa wilde zijn, blijkt uit zijn recente samenwerking met de kwaito-
formatie TKZee. Kwaito – een Zuid-Afrikaanse rapvariant – is razend populair onder zwarte jongeren en niet meteen een genre waar jazzmusici warm voor lopen. Evengoed was Molelekwa te vinden op het podium van het blanke hardrockfestival Oppikoppi. “We moeten een brug slaan tussen onze culturen,” zei hij na afloop voor de radio. “Ik wil de perceptie veranderen dat jazz iets is voor oude mensen, en een nieuw publiek trekken.”
Met ‘Finding One’s Self’ en ‘Genes and Spirits’ won Molelekwa de belangrijkste Zuid-Afrikaanse muziekprijzen. Hij werd veelgevraagd als begeleidend pianist, en niet door de minsten: Hugh Masekela, Miriam Makeba, Sibongile Khumalo, Busi Mhlongo. Hij speelde met succes op festivals in Frankrijk, Engeland en Nederland (North Sea Jazz). Vorig jaar was hij een van de toppers op de eerste Kaapse versie van het North Sea Jazz – hij kreeg er een staande ovatie – en zou dat ook dit jaar (eind maart) weer zijn.
Toch was hij niet tevreden over zichzelf. “Hij wilde veel meer de Afrikaanse traditie in, maar dan op een nieuwe manier,” zegt vriend en gitarist Louis Mhlanga. “Hij werkte aan nieuwe composities en was druk bezig met het bestuderen van Afrikaanse rituele muziek, met zich herhalende patronen.”

Zoveel toekomst en dan je vrouw vermoorden en de hand aan jezelf slaan? Waarom? Waarom zo’n gewelddadig, typisch Zuid-Afrikaans einde? Het scenario van de man die eerst zijn vrouw of vriendin doodt en daarna zichzelf, verbaast niemand meer in Zuid-Afrika: de kranten staan er vol van. Onderzoeksbureau’s zoeken naarstig naar verklaringen voor het fenomeen: volgens het diepgewortelde culturele voorschrift is de man de baas, hij kan daarom geen onafhankelijke vrouw naast zich verdragen. Tegelijkertijd worden veel mannen juist aangetrokken tot dit type vrouw, ze hebben immers vaak het voorbeeld van een zelfstandige moeder, die ‘t met haar kinderen veelal in haar eentje moet zien te rooien. Werkloze mannen hebben geen gevoel van eigenwaarde en reageren hun frustraties af op de vrouw die volgens traditie hun ‘bezit’ is. Bovenal zijn Zuid-Afrikanen gewend problemen op te lossen met geweld.
Maar hoe kon een zachtaardige, fijnzinnige geest als Molelekwa, met een muzikale vader als rolmodel en een vrouw die hij geregeld ‘mijn beste vriend’ noemde, in de valstrik van het geweld vallen? En: hééft hij zijn vrouw wel vermoord? Politiewoordvoerder Mary Engelbrecht geeft verwarde verklaringen af. Ze zegt dat de politie uitgaat van een geval van moord/zelfmoord “omdat dit bij een echtpaar het meest waarschijnlijk is”. Tegelijk meldt ze dat er “geen sporen van geweld” op het lichaam van Moses’ vrouw Flo zijn aangetroffen. Met andere woorden: het is onduidelijk waaraan Flo is overleden. Het post-mortaal onderzoek moet duidelijkheid verschaffen (en de uitslag daarvan kan weken duren).

Intussen begint een koor van stemmen aan te zwellen:
“Hij had een stormachtige relatie met Flo. Ze was zeven jaar ouder en nogal dominant. Ze hebben een ruzie gehad die uit de hand is gelopen. Hij heeft haar gewurgd en is toen zo geschrokken dat hij zich ophing.”
“Waarom zou hij haar vermoorden? Hij had genoeg geld. Ze hadden net samen een nieuw huis gekocht. Hij kon gewoon van haar scheiden als hij dat wilde. Nee, ze zijn samen vermóórd.”
“Flo dreigde weleens met zelfmoord als hij bij haar zou weggaan.Toen hij haar dood aantrof, wilde hij ook niet meer.”
“Flo was een stevige vrouw. Moses was smal. Hij kan fysiek nooit in staat geweest zijn haar te overweldigen.”
“Moses heeft hele sterke vingers. Daarmee kon hij haar makkelijk de keel dichtknijpen.”
“Flo zorgde ervoor dat Moses als musicus niet werd afgezet, dat hij de juiste prijs kreeg voor een optreden.”
“De familie van Flo is verdacht. Haar broer stuurde de fotografen weg in het kantoor waar ze gevonden zijn. Waarom? Had hij iets te verbergen?”
“Moses had depressieve buien.”
“Moses was een vreedzaam, relaxed mens.”
“Flo dreigde de instrumenten te houden als hij bij haar weg zou gaan. Ze hadden net een nieuwe piano van tienduizend gulden gekocht.”
“Hij was aan de cocaine door zijn contacten met de kwaito-jongens. Hij zat in financiele moeilijkheden.”
“Hij rookte weleens een joint, dronk een glas whiskey. Hoe kon hij aan de drugs zijn? Daar is zijn muziek veel te complex voor.”
“Hugh Masekela was dertig jaar lang verslaafd aan de alcohol. Nou heeft-ie een instituut opgericht dat muzikanten van hun verslaving afhelpt. Was-ie maar naar ‘bra’ [broer] Hugh gegaan.”
“Er is zoveel jaloezie in de jazzwereld. Het is in Zuid-Afrika heel eenvoudig om een paar mannetjes in te huren die het vuile werk doen. En de politie koop je gewoon om. Dus we zullen de waarheid nooit weten.”

Dinsdag 20 februari, een week na de dood van de Molelekwa’s, wordt er hulde gebracht in popconcertzaal Mega Music, hartje Johannesburg. Het is half één in de middag en de zaal zit, met een paar honderd mensen, tjokvol. “Een hoop lui hier kom ik nooit bij optredens tegen,” bromt een jazzkenner, wijzend op de dure merkkleding van de aanwezigen. De plechtigheid heeft een hoog VIP-gehalte, zo blijkt. De provinciale minister voor Kunst, Cultuur,Wetenschap en Technologie wordt prominent achter een lange tafel met bloemstukken gezet. Als op ‘t laatst de beide families van de overledenen worden binnengeleid, zijn er geen stoelen meer.
Na veel obligate toespraakjes van mensen uit de cultuurpolitiek mag eindelijk de band van Molelekwa spelen. Met de piepjonge, twintigjarige Moses Khumalo (‘the hottest new talent in town’) als saxofonist en bandleider. Zachtjes zegt hij: “we spelen Spirits of Tembisa, waar Moses zoveel van hield.” Zodra de eerste tonen klinken, doemt de geest van Moses Molelekwa op: het beeld van een lichtgetinte jongeman met een smal gezicht en pluizig baardje, de ogen neergeslagen in concentratie, zacht meehummend met zijn spel. Hij speelt gedreven, ‘haunted’ is voor dit nummer – in een razendsnel, gejaagd ritme met veel dissonanten – het goede woord. De uitdrukking ‘alsof de dood hem op de hielen zit’ dringt zich op.

Zaterdag 24 februari. Een zachte, gestage regensluier valt neer over Johannesburg. Twee kisten, een lichtbruine en een witte, staan voorin de Christ the King Church, in de wijk die ooit Sophiatown was – de legendarische zwarte volksbuurt waar de Zuid-Afrikaanse jazz grootwerd en die in de jaren vijftig werd platgewalst. Trompettist Hugh Masekela brengt een laatste groet aan de pianist die hij beschouwde als een zoon. In de tekst bij de cd ‘Finding One’s Self’ dankt Moses ‘bra Hugh’ met de woorden: ‘for giving me a taste of all that is sweet in music and for teaching me about all that isn’t’.
Masekela speelt ‘Come Sunday’ van Duke Ellington. Zijn trompet huilt.

De cd’s ‘Finding One’s Self’ en ‘Genes and Spirits’ verschenen bij Melt 2000.

[terug naar beginpagina]
[terug naar overzicht publicaties Zuid-Afrika]