Kan een zwarte man van bloemen houden?

Gregory Maqoma op het Holland Dance Festival.

[Cultureel Supplement NRC Handelsblad, 9 november 2001]

Danser-choreograaf Gregory Maqoma woont en werkt in Johannesburg, maar studeerde in Brussel bij Anne Teresa de Keersmaeker. In Zuid-Afrika zorgt z’n werk voor verwarring.

“Ongelooflijk. Hij is vandaag begonnen en ‘t lijkt alsof-ie al klaar is!” Hoofdschuddend trekt een medewerker van Moving Into Dance, het gerenommeerde dansgezelschap van Sylvia Glasser, hartje Johannesburg, de deur dicht van het lokaal waar Gregory Maqoma een nieuw stuk repeteert.

Gregory Vuyani Maqoma (28) staat bekend als de ‘snelste’ onder de jonge garde zwarte dansers-choreografen die Moving Into Dance de afgelopen tien jaar afleverde en die zowel in Zuid-Afrika als in het buitenland opvallen door hun eigenzinnige stijl. “Ja, ik werk snel,” lacht Maqoma, in Diesel-spijkerbroek, oranje jack en hippe grijs-wollen cap. “Ik denk dat ‘t komt omdat ik elke seconde in mijn leven bezig ben met dans. Het is een gave. Ik kan een stuk in twee weken voltooien.”

Snel werken betekent dat Maqoma veel tegelijk kan doen. Hij choreografeert en danst niet alleen, hij doceert ook aan verschillende instituten en werkt mee aan de stukken van diverse collega’s. Zowel in eigen land (hij won de belangrijkste dansprijzen) als erbuiten wordt hij gewaardeerd als origineel en gewaagd. En toch voelt Maqoma zich als danser in Zuid-Afrika vaak een vreemde eend.

“Ik ben een Zuid-Afrikaanse zwarte man en een danser. Dat is op zichzelf een fenomeen,” sprak hij in juli op een dansconferentie in Kaapstad. In een persoonlijk betoog schetste hij een beeld van de problemen waar hij als professioneel danser mee worstelt. Om te beginnen, stelde hij, is er het ‘belachelijke’ gebrek aan financiele ondersteuning voor hedendaagse dans in Zuid-Afrika. “Kunstdonoren moeten zich realiseren dat kunst niet enkel een voertuig is van leeg vermaak,” betoogde Maqoma, “kunst is een domein dat sociale en emotionele conflicten naar buiten brengt en geschikt maakt voor openbare discussie.”

Maqoma spreekt uit ervaring; de uitvoering van zijn choreografie ‘Rhythm 1.2.3’, die in 1999 in Amsterdam in premiere ging, werd in Zuid-Afrika afgewezen door de Nationale Raad voor de Kunst, zijnde ‘een project van overzee’, oftewel niet Zuid-Afrikaans genoeg. Maqoma had aan dit stuk gewerkt in Brussel, tijdens zijn studie aan P.A.R.T.S (Performing Arts Research and Training Studios) onder leiding van Anne Teresa de Keersmaeker. Maar ofschoon Maqoma zichtbaar gebruik maakte van zijn nieuw verworven Europese kennis en techniek, was ‘Rhythm 1.2.3’ met hart en ziel Zuid-Afrikaans: drie Zuid-Afrikaanse dansers – Gregory Maqoma, Shanell Winlock en Moya Michael –  laten in een wervelend ritme de hoop en wanhoop van de stad Johannesburg zien.

Een tweede probleem betreft de verwachtingen die men koestert van een Afrikaanse danser, zowel in Afrika als in Europa. “De vraag is,” stelde Maqoma enigszins cryptisch,  “maakt het mij of het werk dat ik presenteer minder ‘traditioneel’ als ik puntschoenen draag en op de muziek van Bach dans?”

Tijdens een pauze van zijn repetitie, bedachtzaam roerend in zijn thee, verklaart hij zich nader. “Kijk, er bestaat een onuitgesproken opvatting dat als je tot een bepaalde stam behoort, in mijn geval Xhosa, dat je dan de tradities in je choreografieen representeert. En dat is absurd. Ik groeide op in Soweto, in een stadse diversiteit van culturen. Ik wist tot mijn negentiende niks van de rurale Xhosa-tradities. Ik weiger me in een bepaald sjabloon te schikken, ik heb mijn eigen individuele identiteit.”

Eind jaren tachtig vormde Maqoma in Soweto – “het hart van de zwarte urbane cultuur”- een groepje straatdansers dat Michael Jackson en andere popsterren imiteerde. Tot de groep behoorde ook Vincent Mantsoe, nu een uitzonderlijke Zuid-Afrikaanse solo-danser. “Vincent en ik waren nogal prominent,” zegt Maqoma, “we mixten dingen van tv met townshipdans. Eigenlijk waren we zonder dat we het wisten al bezig met choreografie.”

In 1990 deden de twee vrienden auditie bij Moving Into Dance, het multiraciale dansgezelschap van Sylvia Glasser. Ze vielen onmiddellijk op door hun verbazingwekkend ‘presence’, zegt Bev Elgie (48), een van de senior-danseressen van het gezelschap. “Gregory was een tiener met lange armen en benen die toen al schitterend gebruik maakte van de ruimte.”

Het duo Mantsoe/Maqoma maakte onder leiding van Sylvia Glasser een razendsnelle ontwikkeling door. Mantsoe bouwde voort op Glassers concept van ‘Afrofusion’, waarin Afrikaanse dans met contemporaine technieken gecombineerd wordt. Met zijn eerste solo’s zette Mantsoe een eigenzinnige, mystieke stijl neer, die hij in de volgende jaren verder uitdiepte.

Maqoma slaat een andere richting in. Hij toont zich in zijn eerste eigen stukken als een gewaagde choreograaf die dansers (hemzelf incluis) in een strak, up-tempo jaagt, waarbij hij ze geregeld van het podium laat lopen, de coulissen in en uit, om ze tussendoor stil te zetten en hardop commentaar te laten leveren. Hij steekt dansers in 19e eeuwse jurken, danseressen in ‘t pak.

Hij doet workshops bij Europese dansdocenten en voelt zich aangetrokken tot de combinatie van dans, theater en visuele kunst. Maar ook laat hij zich besnijden in een traditioneel Xhosa-ritueel, bijgestaan door zijn grootmoeder in de Transkei. In 1998 wint hij een studiebeurs voor P.A.R.T.S in Brussel. Een keerpunt in zijn ontwikkeling. “Door weg te zijn uit Zuid-Afrika,” zegt Maqoma, “was ik in staat helemaal mee te gaan met m’n eigen ideeen. Ik ervoer het als een uitbarsting van mezelf. Ik verbeterde bovendien mijn techniek, leerde m’n lichaam kennen.”

Maqoma’s choreografie ‘Rhythm 1.2.3’ uit 1999 vormt het eerste resultaat van zijn explosieve werkdrift. Hij heef t alles doordacht. Het décor: zwarte en witte kartonnen dozen, die voortdurend door de dansers worden verplaatst. Het licht, ontworpen door de Belg Hans Valcke, dat de dansers in diepe schaduwen dompelt. De muziek: een sampling van westers-klassiek (Brahms, opera), traditioneel-Afrikaans en oosters. En de dans: een soort straatdans, maar dan uitgelengd, opgejaagd, in strakke, haast snijdende bewegingen. Maqoma is op z’n best: de lange armen en benen zijn tegelijk soepel en scherp, de hoge jukbeenderen geven hem een aanzien dat ontzag afdwingt.

Terug in Zuid-Afrika maakt Maqoma een vervolg op ‘Rhythm 1.2.3’: ‘Rhythm Blues’, een hommage aan de rijke muzikale jaren vijftig en zestig, waarin de raciaal gemengde wijk Sophiatown bloeide als het centrum van de jazz, en artiesten als Miriam Makeba, Dolly Rathebe en Hugh Masekela grootwerden.

Van nostalgie echter geen spoor. Met behulp van vier muzikanten, een rapdichter en een DJ die de bekende, swingende deuntjes van de ‘oude meesters’ aan de mixtafel sampled met hedendaagse Zuid-Afrikaanse kwaito (rap), demonstreert Maqoma de invloed van de ouden op de jongen. Qua choreografie en kostumering is er sprake van een hybride deconstructie van stijlen en identiteiten: jaren vijftig-dansen worden uitgevoerd in losse, hedendaagse technieken, er wordt gedanst in rode baljurken, alleen zijn het Maqoma en Nkosi, de twee mannelijke dansers, die de jurken dragen en réverences maken. Met een knipoog naar de tijden van apartheid brengt hij het oude Afrikaner volkslied ‘Die Stem’ ten gehore, om ironisch af te sluiten met de dichter die op koloniaal-Engelse toon zegt: ‘Ladies en Gentlemen, dinner is served.’

Het spel met ironie, de noties Afrikaans-Europees, man-vrouw zet Maqoma voort in volgende choreografieen, zoals blijkt uit titels als ‘Black Men White Balls’ en ‘Southern Comfort’, zijn laatste werk, waarin hij de identiteit van de zwarte man onderzoekt: een man die van bloemen houdt en zich laat afbekken door een vrouw, is dat nog een man? “Ironie laat mensen achter met een gevoel van onbehagen,” zegt Maqoma. “Ik zet mensen op het verkeerde been. Ze moeten zich afvragen: zijn de dingen o.k. zoals ze zijn?”

“Bewaar je individualiteit.” Maqoma’s stem weerklinkt zacht in het repetitielokaal van Moving Into Dance. Hij is bezig met een choreografie die de kwaito- cultuur in beeld brengt. Kwaito is razend populair onder zwarte jongeren en de zeven jonge dansers vinden het prachtig, maar weten niet goed wat er van hen verwacht wordt. Ze mogen improviseren van Maqoma, en dat zijn ze niet gewend.

Maqoma observeert peinzend, in gedachten verzonken. Plotseling komt hij in beweging en laat voor de spiegel zien dat je met eenvoudige, korte gebaren van alleen hoofd, hals en armen al heel veel kunt.

“Ik wil ze provoceren,” zegt hij, “ik wil hun echte persoon zien, hun eigen wezen. Kwaito is een grote inspiratiebron voor ze, de teksten gaan over misdaad, geld, relaties, drank, verkrachting. Ik wil zien hoe ze dat in bewegingen kunnen uitdrukken.”

Twee weken later is het kwaito-stuk ‘Ek sê hola!’ (slang voor ‘hi!’) inderdaad af.

[terug naar beginpagina]
[terug naar overzicht publicaties Zuid-Afrika]