Lunch in Taipei

LUNCH IN TAIPEI

6 maart 2023

China bedreigt het progressiefste land van Azië. Jonge Taiwanezen verdienen onze steun.

Petra Quaedvlieg raakte als China-correspondent bevriend met de Chinees-Taiwanees-Canadese ‘zeeschildpad’ Tina Yang. Vijftien jaar later luncht ze met haar zoon in Taipei.

 

‘O ja,’ zegt Lex, ‘de meeste jongeren in Taiwan zijn zich heel bewust van de rechten en vrijheden die ze hebben, zeker na Hong Kong.’

Ik ben in Taipei, de hoofdstad van Taiwan, en lunch met de zoon van mijn Taiwanese vriendin Tina Yang. Ik heb hen in geen vijftien jaar gezien. Tina leerde ik kennen

in Shanghai in 2005, we raakten aan de praat bij de schoolpoort – Lex zat in dezelfde klas als mijn dochter. Tina had een turbulente familiegeschiedenis die ik optekende en verwerkte in mijn boek In Shanghai. Tina’s beide ouders zijn ‘Chiang Kai-shek Taiwanezen’, Chinezen van het vasteland die in 1949 in het kielzog van de nationalistische Generalissimo en zijn gevolg massaal de overtocht naar Taiwan maakten, op de vlucht voor de communistische troepen van Mao. Tina’s vader was vijftien jaar en werd door zijn vader, een ambtenaar in de regering van Chiang Kai-shek, op de trein naar het zuiden gezet met zijn oudere broer. Onder de vleugels van een groep Kuomintang-militairen kwamen ze terecht op de legerbasis van Penghu-eiland, voor de kust van Taiwan, waar de soldaten de jongens inkwartierden en waar een meedogenloze terreur heerste.

Circa 1,2 miljoen mensen verlieten tot begin jaren vijftig het vasteland van China. Hun afstammelingen, nu zo’n tien procent van de Taiwanese bevolking van ruim 23 miljoen inwoners, wonen grotendeels in en rond Taipei. De hoofdstad is daardoor nog een altijd een bolwerk van de KMT, de partij die het eiland tot begin jaren negentig als een eenpartijstaat domineerde en terroriseerde – een periode die bekend staat als de ‘witte terreur’.

Opmerkelijk snel wist Taiwan zich daarna tot een democratische natie te ontwikkelen. Er ontstond een sterk maatschappelijk middenveld en een progressieve voorhoede. Gezondheidszorg, openbaar vervoer en nutsvoorzieningen zijn betaalbaar en goed. Overal, valt me als reiziger op, wordt rekening gehouden met ouderen en fysiek beperkten. De entree voor musea is laag en er is een hele waslijst aan mensen die gratis naar binnen mogen: kinderen, studenten, mensen met een laag inkomen, 65-plussers, oorspronkelijke bewoners ouder dan 55 en zo nog wat categorieën. Inmiddels is de DPP, de Democratische Progressieve Partij, al jaren aan het roer en wordt het land geleid door een vrouwelijke president, Tsai Ing-wen. Zo is Taiwan een voorbeeld geworden van een Aziatisch land dat democratie verenigt met krachtige oude tradities – de ontelbare, levendige buurt- en straattempeltjes zijn er demonstratie van.

We lunchen in een statig pand aan de lange Zhongshan Lu, een drukke, door bomen omzoomde straat. In de vorige eeuw resideerden hier verschillende Amerikaanse ambassadeurs, nu is het een restaurant annex filmhuis. We kijken door de openstaande verandadeuren naar het beschaduwde buitenterras. ‘Wat leuk om dit te zien,’ zegt Lex, ‘ik kende dit niet.’

Ik herinner me Tina’s zoontje als een beweeglijk, sportief joch, altijd in de weer met een bal of een bat, een slaghout. En nu zit hier ineens een handsome young man tegenover me, die honderduit over Taiwan vertelt, het land waarin zijn grootvader belandde, het land waarin zijn moeder, Tina, opgroeide, en waarin hij zelf werd geboren. Maar dat hij als tweejarige alweer verliet, om terecht te komen in Canada, Amerika en Shanghai. ‘We zijn zeeschildpadden,’ had Tina me vaker lachend gezegd – de benaming voor Chinezen die hun eieren op vreemde kusten leggen, maar toch telkens terugkeren. Uiteindelijk groeide Lex op in Edmonton, Canada, hometown van zijn Canadese vader. Maar nu is hij terug.

‘Taiwan,’ zegt Lex, voluit Lex Campbell, ‘is het enige Aziatische land waarin het homohuwelijk is ingevoerd, waarin LHBTQ- mensen rechten hebben. De president is een vrouw. Diversiteit, de positie van vrouwen, van de oorspronkelijk bewoners, dat is allemaal actueel, net als in andere moderne landen.’

Hij kijkt me aan. Onverschrokken, trots, zijn woorden die in me op komen. Hij is drieëntwintig jaar en komt over als een slimme en gevoelige jongeman. Hij vertelt dat het hem na de middelbare school tijd kostte om zijn weg te vinden. ‘Ik nam een gap year, maar het werden er drie,’ zegt hij glimlachend. ‘Ik had geen idee wat ik wilde.’ Nu studeert hij in Taipei international business en samen met een vriend is hij bezig om een sustainable textile company op te zetten. Ze werken aan een plan voor kleding gemaakt van algen, shirts die je nauwelijks hoeft te wassen. Perfect voor bijvoorbeeld reizigers, zegt hij.

Hij spreekt energiek, gedreven. Hij lijkt in zijn element, hier in Taiwan. Hij is tweetalig, hij heeft allerhande contacten, praat over zijn Taiwanese vriendin en over zijn grootvader die nog in hetzelfde huis woont als waarin zijn moeder opgroeide. Ja, je grootvader, zeg ik, wat zal hij trots zijn dat zijn kleinzoon nu in Taiwan woont. Lex knikt. ‘Hij vindt het geweldig.’ Hoe kijkt hij tegen de dreiging van China aan? ‘Hij steunt de KMT. In zijn ogen zijn we allemaal Chinezen. Die horen bij elkaar.’ Ik zeg dat Tina me over hem verteld heeft. ‘Jij weet waarschijnlijk meer over hem dan ik. Hij praat niet graag over het verleden. Hij heeft last van nachtmerries.’

Hoe kijken hij en zijn vrienden naar de Chinese dreigementen? ‘De meesten zeggen: dat gaat al vijftig jaar zo. Ze zijn er niet zo mee bezig. Ze zijn net als ik gewoon bezig met hun eigen leven.’ Maar hebben ze, vraag ik, een idee van het leven van jongeren in China? Of misschien moet ik het anders vragen: zijn je Taiwanese vrienden zich bewust van de vrijheden die ze hier in Taiwan hebben? ‘O ja,’ zegt hij, ‘ze weten heel goed wat er in China gebeurt. Dat het een 24-uurs-surveillance-staat is. Een vriend vertelde me: je maakt in China een verkeersovertreding en meteen wordt de boete van je bankrekening afgeschreven.’ Maar zijn jullie dan helemaal niet bang? zeg ik. Hij lacht. ‘Sommige studenten sprongen op de boot naar de Kinmen eilanden om naar de Chinese raketten te kijken toen China daar oefeningen hield na het bezoek van Nancy Pelosi.’

In de dagen na onze ontmoeting denk ik na over zijn woorden. Ze sluiten aan bij mijn indruk dat de meeste Taiwanezen zich niet erg druk maken over een mogelijke inval van China. Wat ook weer niet betekent dat het niet kan gebeuren in de toekomst, zeggen jongeren die ik spreek. Maar ze hopen gewoon dat de status quo blijft bestaan. Dat wil zeggen: geen formele onafhankelijkheid, maar wel: laat ons Taiwanezen onszelf zijn. Maar alleen al de benaming ‘Taiwanees’ is voor Beijing totaal onverteerbaar. Volgens de Chinese staatsretoriek zijn China en Taiwan één familie van Chinezen. Taiwanese jongeren zien dat toch echt anders, valt me op, zij identificeren zich steeds minder als Chinees.

‘Ik zal mezelf nooit Chinees noemen,’ hoor ik May Huang nog zeggen, een 25-jarige verzekeringsconsulent uit Taipei. Dat was in een eettentje in Pinglin, een theedorp in de heuvels buiten Taipei dat ik bezocht. Ze zat er te eten met haar moeder en begon dolenthousiast tegen me te praten. ‘Ik zie zo weinig buitenlanders,’ zei ze. ‘De corona-tijd heeft ons afgesneden. Ik had het gevoel dat de wereld Taiwan vergeten was.’ Ze wees naar de donkerkleurige thee-noedels op haar bord die ik zeker moest proeven. ‘Maar toen kwam Nancy Pelosi! Zij heeft Taiwan weer op de kaart gezet. Meer mensen weten nu dat Taiwan zichzelf wil blijven. Wij Taiwanezen zijn een mix, Chinees, Japans, indigenous.’ Ze lacht: ‘ja, zelfs Nederlands!’

‘Zelfs Nederlands’ klinkt het in mijn hoofd. Wordt het niet tijd om afscheid te nemen van al die stedenrelaties die Nederland en België met China hebben en die in te ruilen voor vriendschapsbanden met Kaoshiung, Tainan of Taichung? Zijn we dat als democratische landen niet verplicht aan de jonge generatie Taiwanezen? Volgend jaar is het 400 jaar geleden dat de VOC op de Taiwanese kust voet aan wal zette. Een mooi moment om nu al over te stappen.