In Nederland

KLUIZENAAR

[De Stemming, L1, 3 mei 2015]

In De brief voor de koning, het beroemde kinderboek van Tonke Dragt, maakt hoofdpersoon Tiuri een vervaarlijke tocht door de bergen en bereikt tenslotte de hut van Menaurus, de kluizenaar.

Ik moest aan dit boek denken toen ik afgelopen week in de bergen was, weg van het nieuws, de wanen van de dag, weg ook van het koude weer – op mijn berg was het warm en droog.

De Brief voor de koning is een moderne klassieker – na meer dan vijftig jaar is het nog steeds een van de best verkochte kinderboeken.

Het boek bevat de ingrediënten van een oerboek. Ten eerste is er het geheim. De brief die Tiuri naar de koning van Unauwen moet brengen, bevat zeer geheime informatie. Ten tweede is er de reis. Tiuri moet een reis vol obstakels en hinderlagen ondernemen om de brief te kunnen bezorgen. En ten derde is er de opdracht: de brief moet bezorgd worden – de veiligheid van het land van Unauwen staat op het spel. En, nog veel belangrijker: zijn eigen eer.

Een geheim stuwt een boek voort, de lezer wil het weten. Een reis biedt de kans op ontmoetingen, gevaren, oponthoud en onverwachte zijpaden, waardoor de hoofdpersoon zichzelf leert kennen. De opdracht is het hart van het boek: het geeft de hoofdpersoon een doel en daarmee de kans op groei, verlossing, wijsheid.

De aankomst van Tiuri bij de hut van kluizenaar Menaurus is een rustpunt. Tijd voor contemplatie. Hoe nu verder?
Zouden er nog kluizenaars bestaan, vroeg ik me op mijn eigen berg af, mensen die zich terugtrekken uit het burgerleven en op een berg, in een kloof, in de woestijn gaan leven en zich in alle rust overgeven aan het nadenken over het leven?

Hoe mooi zou het zijn als je na een lange, vermoeiende reis bij zo’n hut aankomt en je een wijze man of vrouw om goede raad kunt vragen. Hoe nu verder?
Maar wie voelt er nog een opdracht in het leven?

Een week of twee geleden sprak een columnist van de International New York Times van de moral bucket list, het morele lijstje van de dingen die je nog zou willen doen. Tegenover het CV, het curriculum vitae, dat ingezet wordt voor de carrière plaatste hij het lijstje van morele deugden die meestal pas bij begrafenissen ter sprake komen: was hij of zij vriendelijk, eerlijk, liefdevol, sociaal? Had hij of zij compassie, moed, humor?

Iedereen zou, stelde de columnist, net als met het CV, vanaf de basisschool de opdracht voor een moreel lijstje moeten krijgen. The Big Me, het Grote Ik, moet compensatie krijgen van de Grote Ander, het Grote Andere – het besef dat we niets zijn zonder anderen, dat je kunt streven naar geld, aanzien, status, maar dat dat nooit genoeg zal zijn om een vervulbaar leven te leiden.

Misschien dat alleen op deze manier fraude en bedrog zoals nu bij de NS in Limburg voorkomen kan worden. ‘Uiteindelijk is iedereen te koop,’ zei een bedrijfsrechercheur over de kwestie. ‘Het lijkt op rupsje-nooit-genoeg. Iemand die al veel geld heeft, wil nog meer.’

Het lijkt de ziekte van deze tijd. Wie eraan lijdt, de René de Beeren en de Toine Gresels van deze wereld, raad ik aan: lees De brief voor de koning of ga op zoek naar een kluizenaar in een oeroude bergkloof.

[luister hier naar de column in de radiouitzending De Stemming]

Je kunt niet reageren.