Boerenkool in Shanghai

Vandaag boerenkooldag. Ik ga de kool halen bij Peet in Hongmei Lu. Dit wordt de tweede portie – Peet’s boerenkool is homegrown, organisch en erg lekker. In China vind je geen boerenkool. Je ziet hier allerlei koolsoorten die je in Nederland niet ziet, maar geen boerenkool.

Als ik arriveer blijkt dat hij net die ochtend de laatste boerenkool uit de grond heeft gehaald – jammer, ik had een mooi plaatje willen schieten van Peet’s bak vol harde, donkergroene winterkool. ‘Teveel klandizie!,’ grapt Peet. Hij laat me de twee laatste plastic zakjes met boerenkool zien – voor Nederlandse vrienden uit Nanjing.

Peet woont al meer dan vijftien jaar in Shanghai met z’n gezin. Hij werkt voor een multinational in de chemie. Een paar jaar geleden overwoog hij een moestuin achter z’n huis aan te leggen. ‘Maar die grond, hè.’ Toen deed zich een gouden kans voor. Hij ontmoette een Amerikaanse vrouw, een expat, die een kruidentuin had aangelegd in een grote houten bak met uitstekende aarde. Ze ging verhuizen, Peet nam de hele bak over.

Hij begon met zonnebloemen. ‘Die zonnebloemen, dat is m’n trots. Die groeien hier in de achtertuin tussen twee muren en die willen eruit. Fantastisch zoals die gaan, ze groeien me boven het hoofd. Dan sta je in de keuken, kijkt naar buiten en je bent blij.’

Peet schenkt een kop koffie in. Bij Peet en Ingrid staat de keukendeur altijd open. Aan het eind van dag wordt die verwisseld voor het barretje in de serre. Bij mooi weer gaan de schuifdeuren open. Als je lang in Shanghai woont krijg je vrienden die je familie worden.

Peet groeide op in Zeeland. Zijn ouders hadden een moestuin, kassen en een boomgaarde met fruit. ‘Als ik nog eens terugga naar Nederland wil ik wel een tuin. Dan wil ik geen herrie meer.’

Dat de boerenkool het zo goed deed, heeft hem verrast. ‘Mijn vrienden in Nanjing hebben het ook geprobeerd, maar het werd niks. Ik weet niet hoe het komt. Ik kijk naar de boertjes hier en ik doe wat zij doen. Als zij zaaien, ga ik ook zaaien.’ Peet fietst elke zondag met een clubje vrienden de stad uit. Ze passeren de akkertjes en kassen vol groente voor de markten in de stad. ‘Altijd vriendelijk, die boertjes. Geen cent te makken, maar altijd vrolijk.’

Het geheim van zijn boerenkool, denkt Peet, zit ’em in het consequente sproeien. ‘Elke avond spuit ik het stof eraf. Als je de planten niet elke avond afstoft, dan krijgen ze geen zonlicht en kunnen geen energie opnemen.’ En natuurlijk de zaden. ‘Die komen van de boerenbond uit Breda. Het Chinese zaad is niet veel soeps. Ik heb vanalles geprobeerd met Chinees zaad, tomaten, bonen, basilicum, dille, het was allemaal niet best.’

Het zakje boerenkoolzaad leverde hem vijfentwintig struiken op. ‘In Nederland zaai je in april of mei, ik heb gezaaid in september. Het is hier veel heter en vochtiger. Die planten groeien als een gek. Ik heb gewacht tot de eerste vorst. Er moet wel een beetje kou overheen.’

Nu de boerenkool is geoogst, wordt het tijd om aan iets anders te denken. ‘In het voorjaar ga ik sperziebonen zaaien, en koolzaad en zonnebloemen. Koolzaad is mooi, dat groeit razendsnel en is prachtig geel van kleur. Aardappels en wortels en zo, daar hou ik niet van. Ik hou van dingen boven de grond. Ik moet het kunnen zien.’

Je kunt niet reageren.