Zwartje

Zondag, half acht in de ochtend, zevende dag van het Jaar van de Draak: we worden gewekt door het kabaal van een duizendklapper. Eerst een stuk of vijftig langzame droge knallen, tak-tak-tak, en dan een hele rits heftige korte, tet-tet-tet-tet-tet-tet-tet-tet-tet!

Naar de staatshondenkliniek voor een vaccinatie tegen Rabies. Ja, de kliniek is in China ook op zondag open. (Ook de postbode doet op zondag z’n ronde; daar kijk ik toch elke keer blij verrast van op). Het hele hondenregistratie-proces is tegenwoordig een klantvriendelijke, goed geoliede organisatie. Men is vriendelijk, spreekt een paar woorden Engels, legt uit wat de bedoeling is en vraagt of ze je verder nog van dienst kunnen zijn?

Dat was een paar jaar geleden nog anders. Je werd van het kastje naar de muur gestuurd en afgeblaft. Mensen verdrongen zich voor het loket. Je zette je verstand op nul, drong naar voren en smeet bij de eerste de beste gelegenheid de papieren met een paar honderd yuan naar de dienstdoende employee. Die zette het benodigde rode stempel en smeet de papieren met wisselgeld naar je terug.

Onze hond moet een extra shot tegen Rabies om straks Nederland in te mogen. Xiaohei – Zwartje – wordt altijd met een mengeling van bevreemding en verrassing bekeken. Alleen gekke buitenlanders geven geld uit aan een Chinese straathond. Toch is onze hond door twee jonge Shanghainese vrouwen van straat gered.

‘Een Chinese hond?,’ vraagt de medewerker die de spuit zet.

‘Ja, van de straat,’ zeg ik.

Hij knikt goedkeurend. Of verbeeld ik me dat?

Trouwens, hoeveel Nederlanders halen een hond uit het asiel?

Je kunt niet reageren.