De nachttrein naar Zürich

De Limburger, 15 juli 2022

We namen de nachttrein naar Zwitserland. Wat een geluk, want nee, toen we boekten voorzagen we niet dat op Schiphol rijen van honderden meters voetje voor voetje door oneindig laagland zouden gaan. We wilden domweg gelukkig door de nacht reizen: kaboem-kaboem tussen frisse lakens in het slaaprijtuig. Geen drukte, geen rijen, geen gedoe met bagage. Ons oog was gevallen op de Nightjet Zürich, zoals deze nachttrein sinds de lancering, vorig jaar december, heet.

De Nightjet vertrekt aan het begin van de avond vanuit Amsterdam, maar hé, in Zuid-Limburg bevinden we ons al in het hart van Europa, dus ’s avonds namen we kalmpjes de trein naar Aken en stapten over op die naar Keulen. In Keulen moesten we wachten – we hadden ruim gepland – en dronken we een bier bij Gaffel Am Dom, naast het station. Een typisch Rijnlands Brauhaus, groot, druk en rumoerig. Een gezelschap oudere dames en heren, gekapt en gekleed voor de gelegenheid, begon plots spontaan te sjoenkelen, een kluit luidruchtige jongemannen hief met geheven bierpullen een lied aan.

Om vijf minuten voor middernacht liep de Nightjet het station binnen. Een lange, degelijke trein van de Oostenrijkse spoormaatschappij OBB, zagen we, met voornamelijk zitrijtuigen – de passagiers sliepen met hun hoofd tegen het raam, een trui als hoofdkussen. Maar wij stapten in het slaaprijtuig: de bedden waren al opgemaakt, inderdaad met frisse lakens. Tot ons geluk was het rijtuig zo bejaard dat we het raam omlaag konden schuiven – een koele nachtbries drong de coupé binnen. Kaboem-kaboem. Om zeven uur ontbijt, om acht uur aankomst in Zürich.

Daarna koffie met kranten op een terras: Die Zeit, de Neue Zürcher Zeitung. Met buitenlandse kranten krijg je altijd een fijne blik van buiten: al die crises in Nederland zijn geen uniek Nederlands fenomeen, zo blijkt maar weer. Kop uit Die Zeit: ‘Velen moeten de steden verlaten’. Want wonen wordt steeds duurder, vertelt de burgemeester van Tübingen, een stad van zo’n 90.000 mensen ten zuiden van Stuttgart. Er moet een deksel, een bovengrens, op de huur komen, anders kunnen gewone mensen het niet meer opbrengen om in de stad te (blijven) wonen.

De Duitse regering wil 400.000 woningen per jaar bouwen, maar dat is een Alptraum, zegt de burgemeester: bouwen wordt steeds duurder, er is een tekort aan materialen, en het ontbreekt aan vaklui. Andere kop: ‘Deutschland, kannst du das, Umdenken?’ Het is een lange reportage over wat de coronacrisis, de klimaatcrisis en de oorlog teweeg hebben gebracht – ik ga het u niet navertellen, de zorgen en angsten zijn dezelfde als die in Nederland. Ook de verhalen uit de Neue Zürcher Zeitung komen ons bekend voor: nee, we moeten niet gewoon vrede met Poetin sluiten om de almaar stijgende kosten te stoppen, en hoe gaan we om met de aanhoudende instroom van arbeidsmigranten?

We wandelden door de stad en verbaasden ons over de cultuur van buitenbaden in de rivier, de Limmat. Rivierzwembaden midden in de stad, met schone voorzieningen, badmeesters, een lage entreeprijs en soms zelfs gratis toegang. Er is ook een Frauenbad, alleen voor vrouwen en kinderen. En er valt nog iets op: er heerst overal een bepaalde rust. Hoe kan dat? Gedragen de mensen zich anders? Ja, men is beleefder, zeker, maar er is nog iets. En dan dringt het tot ons door: er is nergens muziek, geen top 40, geen boem-boem, geen gezellige meezingers, helemaal niks. Bij het strandbad aan het meer van Zürich lezen we op een bord de filosofie: ‘niet alles wat je leuk vindt is ook toegestaan’. Dus het kan wel, dachten we, weer een wat beschaafder land zijn.

 

Je kunt niet reageren.