Beertje van M

De Limburger, 15 mei 2020

Zijn virussen ergens goed voor? De arts-microbioloog Anno Lampe stelde zich die vraag ten tijde van de SARS-uitbraak in 2003 in zijn verzameling columns De last van de drager. Zijn antwoord was dat virussen deel zijn van de natuur en dat die zich nou eenmaal kan gedragen als wrede tiran of zwoele verleider. Nu hebben we een tiran in ons midden. Of die ergens goed voor is, daarover mogen vaklui – microbiologen, virologen, filosofen en psychiaters – zich naar hartelust buigen.

De rest heeft iets anders aan zijn hoofd: doodzieke patiënten, een ziek familielid, een moeder in een verzorgingstehuis, een zaak die ten onder dreigt te gaan, geweld in huis, geldzorgen, een operatie die niet doorgaat, een huwelijk onder hoogspanning, een begrafenis zonder een warme, verlossende samenkomst waarin je elkaar omhelst, huilt, praat, drinkt. Een hoogleraar psychiatrie, autoriteit op het gebied van rampen, zei op tv dat het verdriet zo weinig zichtbaar is, dat de emoties onderdrukt lijken, gedempt.

Dat mag zo zijn – nee, het bloed vloeit niet door de straten. Maar iedereen die af en toe naar de Frontberichten op NPO 2 kijkt, de beeldberichten van mensen die het land door de crisis slepen, ziet genoeg. Wie af en toe een menselijk verhaal in een krant tot zich neemt – met dank aan de journalistiek – begrijpt dat emoties misschien gedempt lijken, maar in werkelijkheid hartverscheurend zijn. Dat het virus mensen ziedend van woede kan maken.

Dat begreep microbioloog Anno Lampe ook wel. Een schepping zonder micro-organismen als bacteriën en virussen mag dan ten dode opgeschreven zijn, schreef hij, de ellende die ze ons kunnen bezorgen is daarom niet minder afschuwelijk. En hij haalde het smartelijke slot van het gedicht ‘In memoriam Beertje van M’ van C. Buddingh’ aan. De dichter verbleef in zijn jonge jaren in een sanatorium om te genezen van tuberculose (een bacterie). Niet iedereen overleefde het. Beertje van M was een beer van een vent, type ruwe bolster blanke pit, die zijn bloedspuwingen met bulderende grappen begeleidde.

 

Je weet, Beer, ik ben een vredelievend mens,
bijna even vredelievend als jij was, die net
als ik, geen mug ooit kwaad zou doen, maar soms, als ik
weer aan je denk, heb ik neiging om een machinegeweer
te stelen, de straat op te rennen en domweg
tussen al die vadsig-blozende gezichten
links en rechts om mij heen te knallen en luidkeels
uit te krijsen: ‘Daar! Daar! Daar! Voor wat niemand
Beertje heeft aangedaan!’

Zo’n besmetting is dus nergens goed voor, maar nu ze er is, zijn we het aan degenen die het leven lieten, die ziek zijn, en aan al degenen die in machteloze woede om zich heen zouden willen schieten, verplicht er iets tegenover te zetten. Hoop, erkenning, geld, menselijkheid. Afgelopen dinsdag hadden we de Dag van Verpleging. Alle medewerkers in de gezondheidszorg kregen een bedankje. De nationale vlag hing uit. Daags ervoor zei een verpleger van een verpleegtehuis in zijn Frontbericht: ‘vandaag ben ik een held, morgen ben ik weer de sukkel die ik altijd was.’

Daar! Daar! Daar! Kunnen we de vadsig-blozende gezichten die er straks over gaan met het mes op de keel eraan houden dat de verpleger niet langer de sukkel is? Kunnen we ook tijdens niet-corona-crises een daad van menselijkheid stellen? Bijvoorbeeld door eindelijk een paar kinderen op te nemen die zonder familie in een rampzalig Grieks vluchtelingenkamp zitten?

Elf Europese landen inclusief Bulgarije doen mee om samen 2500 kinderen op te nemen. Nederland weigert. Meer dan vijftig Nederlandse gemeenten willen wél kinderen opvangen. Niemand heeft Beertje iets aangedaan, maar op een onzinnig, tiranniek virus kunnen we een kanon aan menselijkheid laten knallen.

Je kunt niet reageren.