De grote kladderadatsch

De Limburger, 20 maart 2020

Is dit dan de grote kladderadatsch, mompelde ik toen ik naar het lege schap staarde waarin normaal de rijst lag. Krijgen we nu de grote ommekeer? Een totale herwaardering van alle waarden? Gaan we nu de rekening opmaken en onder ogen zien dat we moeten veranderen?

Mijn natuurlijke neiging tot pathetiek en drama – geerfd van mijn oma – mocht ik nu even z’n gang laten gaan, vond ik. Dus ik mompelde verder: is dit niet precies wat we nodig hebben? Dat we stoppen. Met kopen, met reizen, met de sportschool, met feesten, festivals, etentjes, uitjes, concerten? Zodat de avond- en weekendagenda eens een keer helemaal leeg is?

Waar was het begonnen, peinsde ik, het moment dat niemand meer tijd heeft? Dat alles via de agenda geregeld moet worden? Dat weken vooruit naar een datum gezocht moet worden om vrienden te zien? Dat wie niet ‘druk’ is wordt aangekeken alsof hij ziek is?

De grote kladderadatsch dus, zeurde het in mijn hoofd. Een hoofd dat trouwens allengs mistiger werd door een kou die ik had opgelopen. Of was het een virus? Corona? Wie zal het zeggen – alleen kwetsbare mensen worden nog getest, dus de geregistreerde besmettingen zijn het topje van de ijsberg. En als ik het had, was dat in het landsbelang, begreep ik, want dan was ik bezig de groepsimmuniteit op te bouwen.

Niettemin ging ik gauw naar huis en zegde het familie-etentje af. Ik keek in mijn agenda: een reis naar de VS, in april, om daar met de trein dwars door het land te boemelen, van New Orleans tot Los Angeles, en op te tekenen hoe Amerikanen het hebben ervaren, vier jaar Trump, zag ik in rook opgaan. Niemand ontkomt. Ook ik niet.

Ik rilde en dook het bed in, maar ik kon niet slapen. Het woord kladderadatsch bleef spoken. Ik pakte mijn mobiel en zocht het op. Kladderadatsch is een leenwoord uit het Duits. Het is ontstaan als onomatopee (klanknabootsing) van iets dat kletterend op de grond kapotvalt. Het betekent ineenstorting, ondergang, vooral in economische of morele zin. In Duitsland werd het woord populair toen het in 1848 de naam werd van een politiek-satirisch tijdschrift. Het verhaal gaat dat de oprichters in Berlijn zaten te brainstormen over de titel toen iemand een dienblad liet vallen. ‘Kladderadatsch!’ riep een redacteur en de naam van het blad was geboren.

Mij beving een groot verlangen om een dienblad te laten vallen en helemaal opnieuw te beginnen, op een blanke pagina. Om alles wat ons lelijk maakt achter ons te laten. Ik zette de radio aan. Iemand zei dat Nederland ongelooflijk diepe zakken heeft, de diepste van Europa, dat er geld zat is voor iedereen die nu niet meer zijn brood kan verdienen. Ineens blijkt het mogelijk.

Ik hoorde dat studenten en scholieren hun diensten aanbieden aan ouderen, dat een sportschool kinderen willen opvangen, dat een Venlose cateraar voor zorgmedewerkers kookt.

Om acht uur ‘s avonds kroop ik uit mijn bed, om te gaan klappen. Voor de mensen in de zorg, in de vitale beroepen: ik klapte om ze straks, als het allemaal voorbij is, ook geld te gunnen. Aan de overkant klapte mijn overbuurvrouw uit het raam mee: zij werkt in een tehuis met coronabesmettingen, maar zit thuis omdat ze klachten heeft. Ze had keelpijn, zei ze, ze was ongerust. Ik ging terug naar bed. Op de radio citeerde iemand uit het slot van de roman De Pest van Albert Camus. Als de pest voorbij is, realiseert de hoofdpersoon zich: ‘dat er in de mens meer te bewonderen dan te verachten valt.’

 

Je kunt niet reageren.