Het taboe van Valkenburg

De Limburger, 20 september 2019

Ik vier de bevrijding en neem de trein Maastricht-Valkenburg om te gaan luisteren naar Jacquo Silvertant en Tom Alessie, de schrijvers van een boek over de laatste oorlogsdagen en de eerste dagen van de bevrijding in Valkenburg. Op 4 mei dit jaar was ik ook op het station. Toen luisterde ik naar verhalen over het lot van Joodse Valkenburgers. In het zaaltje van de Stationnerie kwamen toen ook andere verhalen naar boven, verhalen die lang hadden liggen sluimeren.

Zo vertelde een vrouw over een vriend die van zijn Duitse vader bij de Hitlerjugend moest. Een ander vertelde over haar moeder, die voor een groepje piepjonge Duitse soldaten moest koken. Haar moeder had netjes de tafel gedekt en een maaltijdsoep bereid. Aan tafel barstten de jongens in huilen uit: de aanblik van een gedekte tafel herinnerde meedogenloos aan thuis.

Ik luisterde op die 4e mei ook naar Arnold Schunck, de zoon van Pierre Schunck, die in Valkenburg een prominente rol speelde in het verzet. Het viel me toen op dat Arnold terughoudend sprak over de heldendaden van zijn vader. Nee, hij was geen verzetsheld, benadrukte Arnold. Hij was ‘erin gerold’. Door zijn wasserij konden er nuttige spullen via de was weggehaald worden uit het Jezuïetenklooster, waar de nazi’s zaten. De wasserij was ook handig voor het verbergen van onderduikers, mannen die niet voor de Duitsers wilden werken, en later Joden.

Misschien was Arnold ook wel zo bescheiden over zijn vader, omdat hij wist of vermoedde dat deze ook een minder heldhaftige rol had gespeeld. Dat ontdekten Silvertant en Alessie tijdens hun onderzoek. In hun boek Under an orange colored sky. Valkenburg in het zicht van de vrijheid doen ze verslag van wat ze noemen ‘het grote taboe van Valkenburg’: de lafhartige executie van de virulente NSB’er Funs Savelberg.

Savelberg werd op 14 september 1944, nadat ’s ochtends de eerste Amerikanen in Valkenburg waren gearriveerd, neergeschoten door een burger die geen idee had hoe hij met een wapen moest omgaan. Die ochtend had hij van een Amerikaan een machinegeweer in handen gedrukt gekregen. Van grote afstand schoot hij op goed geluk drie salvo’s in de richting van Savelberg, terwijl verzetsmensen, onder wie Pierre Schunck, van een afstandje toekeken. De NSB’er viel neer, maar leefde nog. Extra schoten in zijn hoofd maakten de klus af.

De executie, schrijven de auteurs, was ‘het trieste resultaat van de verdeeldheid tussen de Valkenburgse verzetsgroepen’. Niemand nam er verantwoordelijkheid voor, sterker, het dossier van de schutter, die in 1945 voor de Maastrichtse rechtbank moest verschijnen, verdween uit het archief. Na de oorlog werd er niet meer over gesproken, en Schunck en andere bekende verzetsmensen ontkenden zelfs dat zij er een rol in hadden gehad.

Ook was door wanorde binnen de verzetsgroepen de bevrijding in Maastricht en Valkenburg uitgelopen op een massale klopjacht op (vermeende) collaborateurs en ‘moffenmeisjes’. Uit een rapport van de politiecommandant van 21 september 1944 blijkt dat enkele verzetsmensen, onder wie Schunck, opdracht gaven om meisjes die zich tijdens de Duitse bezetting ‘niet behoorlijk’ hadden gedragen op te pakken. Ze werden naar een plein gedirigeerd waar ze werden kaalgeschoren.

Hun boek, zegt Silvertant tijdens de presentatie, is een kritische noot bij ‘het belevingsspektakel’ van 75 jaar bevrijding en de romantisering van het oorlogsverleden. De auteurs hebben met hun boek bijgedragen aan een nuancering van de gemakkelijke, geruststellende zwart-wit verhalen met helden en schurken, van goed en fout. Het gaat niet om het beoordelen, maar om het begrijpen van het verleden. Dat is de taak van de historicus. Mooie oorlogsmythes zijn niet meer van deze tijd.

 

Je kunt niet reageren.