Onthaasten in Maastricht

De Limburger, 6 september 2019

De zomer van 2019. Hoe klinkt dat over 25 jaar? Niet als een zomer van love & peace in elk geval, met protesten in de straten van Hongkong, Harare, Moskou en Londen, de Amazone in lichterlaaie, de Britten die gek geworden zijn en een president van Amerika die als vastgoedboss op Groenland aast.

Daar komt nog bij: ‘Woodstock 50’, de jubileumeditie van Woodstock 1969, kwam niet van de grond. En de hoop dat Maastricht het Songfestival zou krijgen werd de nek omgedraaid.

Summer of love, es war einmal. Of was het wel zo liefdevol? In 1969 woekerde in Vietnam de oorlog onverbiddelijk voort, op het Wenceslausplein in Praag stak de student Jan Palach zichzelf in brand, op Curaçao brak een grote arbeidersopstand uit en de Britten stuurden troepen naar Noord-Ierland.

Wie weet, herdenken we de hondsdagen van deze zomer over een kwart eeuw wel revolutionairder en lieflijker dan wij denken, en zit dat oordeel nu nog verstopt achter een vette laag waandenken en doemscenario’s.

Izakaya

Tijdens de hete dagen zat ik voor de buis en zag ik een reisreportage over Tokyo. Tokyo is, anders dan veel mensen denken, één groot agglomeraat van wijken met laagbouw. Allemaal dorpen eigenlijk, die aan elkaar gegroeid zijn. In een van die wijken heeft een aantal buurtbewoners zich gecommitteerd aan ‘minder’ en ‘langzamer’.

Ze vragen zich af wat ze werkelijk nodig hebben en waar ze gelukkig van worden. Niets nieuws meer aanschaffen, dingen repareren, maaltijden delen. Minder consumeren, trager leven. Ook goed tegen de eenzaamheid – in Japan schiet het aantal mensen dat alleen woont jaar na jaar omhoog. De izakaya, het buurtbarretje – er passen hoogstens vijf mensen in – blijkt een cruciale geluksbrenger: even bijpraten, wat drinken, wat eten.

Hangmat

In de koele schaduw van ons huis registreerde ik krantenkoppen, hoorde het radionieuws. Vleesvervangers zijn sterk toegenomen. Uit cijfers van een marktonderzoek blijkt dat sinds 2017 de verkoop van vleesvervangers in de supermarkt met 51 procent is toegenomen. Tegelijk daalde de verkoop van vlees met 9 procent. Slager Steltenpool uit Hoevelaken, al vijftig jaar slager, op de radio: „Wij slagers zijn heel innovatief, dus we gaan aan de slag met die vleesvervangers.”

Terwijl ik in de hangmat lag, pakte ik de De Limburger en las over de kater van het Songfestival. In de column van Johan van de Beek kwam ik de woorden ‘lieflijke provinciehoofdstad’ tegen, en dat Maastricht maar niet méér wil worden dan dat. Ik keek door mijn oogharen naar de vlinders die rond de lavendel fladderden en zag het toekomstige Maastricht: een stad die het centrum vormt van een regio die slow is geworden.

Een stad waarin driekwart van de bevolking nog maar één keer per week (goed, lokaal) vlees eet en de rest vegetarisch is. Waar het Preuvenemint in alle wijken wordt gehouden, met streekproducten en voedsel van supermarkten en restaurants dat anders verspild wordt. Het vindt plaats in talloze kleine buurtbarretjes, waar je (studenten, werkenden, ouderen) de rest van het jaar voor een paar euro een maaltijd kan delen.

Toeristen uit binnen- en buitenland komen daarvoor naar Maastricht, én omdat ze nieuwsgierig zijn waarom Zara en H&M hier het loodje hebben gelegd, verdrongen door een reeks van hippe ruilwinkels met kleding van kwaliteit.

Jachtig

Door de snelle treinverbinding tussen Utrecht en Maastricht (een half uur) is de bevolking van Zuid-Limburg gegroeid. Wie wil er nog wonen in de onbetaalbare, jachtige, vervuilende Randstad? En dat allemaal dankzij de stimulans van het Songfestivalfonds dat door een slimme lobby van de Maastrichtse burgemeester ook nog een Rijksinjectie heeft gekregen. Maastricht Slow: lieflijk, sociaal, vooruitstrevend.

Je kunt niet reageren.