De illusie van een romanticus

De Limburger, 19 april 2019

De Belgische premier heeft onlangs excuses gemaakt voor de manier waarop kinderen uit gemengde relaties in de voormalige koloniën – Congo, Rwanda en Burundi – zijn behandeld. Uit vrees voor rassenvermenging werden de kinderen in de jaren vijftig bij hun zwarte moeders weggehaald en naar België gestuurd. Daar kwamen ze terecht in weeshuizen en bij adoptiegezinnen. Ze hebben nooit de Belgische nationaliteit gekregen en waren statenloos. Veel kinderen weten nog steeds niet wie hun moeder is.

In een interview met NRC zegt een van hen, de 71-jarige filmmaker Georges Kamanayo, dat hij zijn moeder vond na een zoektocht van tien jaar, zonder enige medewerking van de Belgische overheid. Hij moest het zelf maar uitzoeken. Hij maakte er in 1999 een documentaire over, waarin hij vertelt hoe zijn moeder afstand van hem deed door een document te tekenen dat ze niet kon lezen. Hij was dertien jaar toen hij in België arriveerde.

Kamanyano is al sinds 1974 bezig met lobbyen voor erkenning. Niemand wilde het verhaal horen. ‘Politici hadden nog te veel connecties met de kolonisatie,’ zegt hij nuchter. ‘Jonge mensen hebben dat veel minder, zij zien dat dit een schande was.’ Dat er na zoveel jaar eindelijke gerechtigheid is, gebruikt hij niet als aanklacht, maar ziet hij als een overwinning. De excuses heeft hij als welgemeend geaccepteerd; hij ervaart ze als een stimulans om door te gaan met zijn strijd voor rechtvaardigheid. Kamanyano was ook op het journaal, oprecht ontroerd door het moment waarop de excuses werden uitgesproken. Hij reageerde met een treffende mildheid. Hij noemde het ‘formidabel’ dat België nu erkent dat er misstanden zijn geweest en dat men er iets aan wil doen.

Dat is groots. En stemt tot nederigheid, zou ik zeggen, als het gaat om uitspraken over onze Europese beschaving. Het ‘boreale’ Europa dat Baudet als een idylle voorstelt, heeft veel leed veroorzaakt. Leed dat nog steeds doorsijpelt, niet alleen hier, maar op tal van plekken in de wereld, en dat gelukkig naar buiten komt via journalistiek, literatuur, kunst. Dan horen we verhalen die we niet kenden en begrijpen we ineens gevoeligheden die we niet zagen. En realiseren we ons dat we in Europa misschien een gemeenschappelijke geschiedenis hebben, maar dat iedereen verschillende herinneringen heeft.

Zo weten we dankzij de verhalen van Reggie Baay dat de herinneringen van mensen uit voormalig Nederlands-Indië scherp uiteen kunnen lopen. In zijn boek ‘De njai. Het concubinaat in Nederlands-Indie’ uit 2008, schetst hij het leed van de ‘njai’, de huishoudster en minnares van menige koloniaal die meestal ook de moeder van zijn kinderen werd. Voor de kinderen werd de moeder vaak verzwegen. Ze kregen een stiefmoeder of werden bij familie in Nederland ondergebracht; de moeder zelf werd teruggestuurd naar de kampong.

In de Indische gemeenschap is de njai decennialang een taboe geweest. Indische mensen met een kleurtje beweerden allemaal dat ze Italiaans of Portugees bloed hadden, nooit Indisch, want dat haalde hun status omlaag. Terwijl élke Indische familie, zegt Baay die zich beroept op veel onderzoek, wel een inheemse voormoeder heeft. Dus mogelijk ook Thierry Baudet, met een overgrootmoeder van Indische afkomst. En uiteindelijk hebben we allemaal een kleurtje, want de boreale (borealis, Latijn: noordelijk) mens was zwart, lees ik in het weekblad van de Universiteit Maastricht. Hij leefde tienduizend jaar voor Christus in Noordwest-Europa en had donkere ogen en een getinte huid.

Intussen heeft de boreale wereld van Baudet nooit bestaan. Het is de illusie van een romanticus die is doorgeschoten, een wensdroom die berust op ideeën van de eigen superioriteit die teruggaan tot de ideologie van de nazi’s en de fascisten van Mussolini. Een utopie die leidde tot vernietiging.

 

 

Je kunt niet reageren.