Kom op met dat quotum

De Limburger, 22 maart 2019

Marga Klompé werd in 1956 de eerste vrouwelijke minister van Nederland. In 1967 had ze de eerste vrouwelijke premier kunnen zijn, maar ze wimpelde het af: ze vond zichzelf onvoldoende financieel-economisch onderlegd. Klompé, die uitstekend in de dossiers zat, zeven jaar ervaring als minister had, en ook nog buitenlandervaring. Dit lees ik in De ongehoorde helft, waarin historicus en journalist Paul van der Steen de eerste vrouwen op het politieke pluche portretteert.

Een halve eeuw later hebben we nog steeds geen vrouwelijke premier. ‘Stilaan,’ zegt Van der Steen voorzichtig in zijn voorwoord, ‘neig ik toch echt naar afspraken en quota.’ Tijdens zijn studie, begin jaren negentig, was hij nog faliekant tegen positieve discriminatie. Het zou vanzelf wel goed komen, dacht hij, want op zijn opleiding waren de vrouwen ver in de meerderheid.

Het is, bijna dertig jaar later, niet vanzelf goed gekomen. De doorstroom van vrouwen naar de politieke top lukt nauwelijks, hoewel er al jaren kandidaten genoeg zijn. In 2010 pleitte Neelie Kroes daarom voor een quotum. Jaren eerder vond ze nog dat vrouwen zelf moesten knokken; intussen was ze ervan overtuigd geraakt dat vrouwen naar de top belemmerd werden.

Op dit moment is 36 procent van alle parlementariërs vrouw. De PvdA heeft nog nooit een vrouw op nummer één voor de Tweede Kamerverkiezingen gezet. Het kabinet Rutte III telt 24 bewindslieden, van wie tien vrouw. Een fifty-fifty verdeling, waartoe president Macron en premier Trudeau besloten, vond hij niet aan de orde. ‘Mijn streven is de beste mensen te vinden,’ zei Rutte in 2017.

De beste mensen – dat is altijd het argument. Maar wie bepaalt dat? Hoe wordt dat oordeel gevormd? En zitten er soms geen middelmatige mannen op de beste plekken? Mogen middelmatige mannen wel op de beste plekken en vrouwen niet? Ik ga geen lof van de middelmatigheid zingen, maar dit is wel een belangrijk punt. De enorme stijging van het aantal studenten in de afgelopen dertig jaar is vrijwel volledig toe te schrijven aan de prestaties van meisjes. Sinds 2006 zijn er meer vrouwelijke studenten dan mannelijke. En ze doen het beter: halen hogere cijfers en studeren sneller af. Het kwaliteitscriterium voor vrouwen is in dit licht nogal merkwaardig. Het gaat er dus om de beste mensen te vinden, met de nadruk op ‘vinden’. ‘Je moet wel de guts hebben net iets langer door te zoeken,’ zei Feike Sijbesma, de baas van DSM, vorig jaar.

Over bedrijven gesproken, minister Van Engelshoven (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) gaf in maart vorig jaar aan dat bedrijven nog een jaar kregen om het wettelijke streefcijfer van 30 procent vrouwen in de top te behalen. Verleden jaar was het aantal vrouwen in de raden van bestuur nog nauwelijks 11 procent, in de raden van commissarissen 15 procent. Een speciale commissie adviseerde voor het eerst om een afdwingbaar quotum in te stellen in de raden van bestuur en commissarissen. De tijd van stimuleren en hopen dat het goed komt is voorbij, stelde de commissie. Van Engelshoven: ‘Ik ga in 2019 afrekenen.’

We zijn benieuwd. Maar het gaat natuurlijk niet alleen om topposities. Evenredigheid moet gelden voor alle mogelijke posities in organisaties. En laten we ophouden over de excuus Truus. Middelmatige mannen zijn een normaal verschijnsel. Vrouwen hoeven niets bijzonders te zijn. Ze hoeven niet de beste te zijn. Vrouwen zijn niet beter, niet slechter, ze vormen gewoon de helft van de bevolking. Zorg dus voor een evenredige man-vrouw verdeling en stel quota in. We lopen achter. België, Duitsland, Noorwegen, IJsland, Spanje, Frankrijk en Italië hebben al quota.

 

 

 

Je kunt niet reageren.