Treinen door Zuid-Afrika

De Limburger, 25 januari 2019

Piepend en schurend arriveren we in Potchefstroom, op papier de tweede stop op weg naar Kaapstad, en we hebben al vier uur vertraging. De Shosholoza Meyl, die drie keer per week vanuit Johannesburg de veertienhonderd kilometer naar de Kaap aflegt, ronkt als een oude man door de eindeloze buitenwijken van Johannesburg: Maraisburg, Florida, Hamberg, Roodepoort, Witpoortjie, Luipaardvlei, en overal komt-ie knarsend tot stilstand. Waarom? Op de stations hangen zwarte scholieren in uniform, wachtend op de lokale boemel. Een straatverkoper probeert zijn slag te slaan en houdt een plastic zakje met bananen voor ons raam.

‘Omdat de machinist een idioot is!’ zegt de conducteur, een vermoeide blanke zestiger, het staatspensioen nabij. Hij is in de restauratiewagen gaan zitten en heeft een bord pap-met-vleis besteld. Zijn woorden, over de techniek van spoorwissels en stangen, gaan verloren in het oorverdovende gepiep van de volgende stop.

‘Hou rekening met een uur of zes vertraging,’ had onze landlord in Johannesburg gezegd. Trouwens, waarom gingen we met de trein? Alleen arme blanken nemen nog de trein. In de Shosholoza Meyl, zei ze, is het tegenwoordig  ‘spot the pinky’, zoek de blanke. Wel was Parkstation, het treinstation van Johannesburg, een jaar of wat geleden schoongeveegd van criminelen. Maar dat betekende niet dat je er voor je plezier heen ging.

‘Never leave your bags out of sight!’ In de wachtruimte toeterde de jonge zwarte perronchef  waarschuwingen door de megafoon. ‘De dief kan zomaar naast je zitten!’ Passagiers waren druk in de weer met het aansnoeren van tassen of deden een tukje tussen de koffers. Loos alarm? Not so, zei de boomlange, zwarte jongen naast ons. Het krappe t-shirt liet zijn spieren opbollen. Hij werkte als reisgids en was hier een half jaar terug op de meest elegante manier beroofd, vertelde hij glimlachend. Een man was plotseling naast hem komen zitten. ‘Heb je gehoord van de boeven hier?,’ had hij hem toegefluisterd en met zijn kin had hij naar een donker geklede figuur in een hoek gewezen. ‘Dat zijn wij.’ Op diens dij tekende zich de vorm van een wapen af. De lange, potige jongen had alles afgegeven, portemonnee, mobiel, geld, maar mocht tweehonderd rand houden.

Na Klerksdorp, de zon is in zachte gloed achter de horizon verdwenen, de lampjes in de coupe zijn aangeklikt, maakt de trein ineens snelheid. Als een hazewind schiet het lint van wagons door de avond, gulzig bielzen vretend. Loopt onze bestuurder nu niet al te hard van stapel? Tijd voor een drankje in het barcompartiment. Nee, de bar is gesloten, zegt de dame van de restauratie nors. ‘De ijskast is kapot.’ We kunnen frisdrank bij de keuken kopen. Op het in plastic gevat menu staan hamburgers, kip met friet en pap-en-vleis. Niet voor zwakke magen.

Het beddengoed wordt al gebracht, we zinken in de kussens, drinken onze cola en luisteren naar de ka-boom van de trein. Rust. Slow traveling door de nacht nu. De raampjes laten een zachte, warme avondwind binnen en het wordt koel in de coupe. Voor nog meer verkoeling schuiven we de deur open en laten de wind door het gangpad waaien.

Ineens schiet een bruine vrouw onze coupe binnen. ‘My gat is vol van die kaffirs!’, blaft ze tegen ons. Mevrouw heeft in de afgelopen uren zeker geen cola zitten nippen. In een woest betoog verklaart ze waarom ‘haar gat vol is’: als ze door het gangpad loopt gaat het zwarte treinpersoneel nooit voor haar opzij. Geen respect meer.  ‘Ja, jullie blanken houden van ze, maar ons pakken ze.’ De Shosholoza Meyl dendert voort, de lange nacht in.

Je kunt niet reageren.