Wie verlicht de angsten?

De Limburger, 27 juli 2018

Precies een week nadat minister Blok zijn ‘prikkelende’ speech afstak, gaf Obama een lezing in Johannesburg, ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van Nelson Mandela. Ja, onvergelijkbare grootheden – maar intussen is de halve wereld over Bloks woorden gevallen: van Suriname via het Oostblok tot Singapore en Australië. De Volkskrant sprak van een ‘proefballon’ van Blok: mogelijk wilde de VVD kijken hoe zijn woorden zouden vallen. Als de ontvangst negatief was, kon Blok altijd nog snel excuses maken. De gedachte erachter: de samenleving schuift naar rechts op, dus de VVD moet meeschuiven. De tactiek: inspelen op gevoelens van angst. ‘Diep in onze genen zit dat we een overzichtelijke groep willen hebben…’ (Blok).

Dan Obama. Hij schetst hoe grote groepen mensen hun oor laten hangen naar populistische partijen, bewegingen en leiders, omdat ze zich niet langer vertegenwoordigd voelen. Ze worstelen met het behoud van een baan en een betaalbare woning, hun vertrouwde omgeving is veranderd, hun sociale verbanden zijn verkruimeld. Partijen azen op hun stem, als haaien op een gewonde, gebruikmakend van een politiek van angst en rancune. Die partijen groeien. Moet je daarom zeggen: de idealen van Mandela waren naïef en misleidend? Of blijf je geloven in een multiraciale democratie, in internationale samenwerking? Bied je hoop, vooruitzichten, of bevestig je de wanhoop en blaas je de angsten aan? Het is de verantwoordelijkheid van regeringen en elites om de angsten van mensen te verlichten. Aldus Obama.

Wie neemt die verantwoordelijkheid? Dat is een van de belangrijke vragen in het indringende relaas van de Franse filosoof Didier Eribon, die in zijn boek Terug naar Reims vertelt over het arbeidersmilieu dat hij als student beschaamd de rug had toegekeerd. Eribon was de eerste in zijn familie die naar het voortgezet onderwijs ging. Stoppen met school na lager onderwijs was normaal. ‘Doorleren’ was voor anderen, kinderen die dat ‘leuk’ vonden. Arbeiderskinderen ‘hielden niet van leren’ en gingen veel liever werken.

In het gezin Eribon weerspiegelt zich het drama van de gemarginaliseerde Europese burger. Vader en moeder Eribon werkten beide in een fabriek en voelden een zekere trots tot de arbeidersklasse te behoren, tot een georganiseerde groep, een klasse met mondige woordvoerders. Ze waren lid van de Communistische Partij. Communistisch zijn, schrijft Eribon, was puur pragmatisch gericht op protest tegen de zware werkomstandigheden, en had niets te maken met een verlangen naar een communistisch regime. ‘De Partij’ bood saamhorigheid, een levensvervulling. Thuis, vertelt Eribon, bestond de wereld uit twee kampen: degenen die voor de arbeider waren, ‘ons’, en degenen die tegen de arbeider waren, ‘hen’.

Wie vervult nu de rol die ‘de Partij’ toen innam?, vraagt Eribon zich af. ‘Op wie kunnen ze zich beroepen, op wie kunnen ze bouwen om hun politieke voortbestaan en culturele identiteit te garanderen?’ Thuis, schrijft Eribon verder, was er een primaire afkeer van rechts en extreem-rechts. Tegelijkertijd heerste er een diepgeworteld racisme in communistische arbeiderskringen. Sterker, wat er dagelijks thuis werd besproken stond niet zo ver af van het huidige extreemrechtse gedachtegoed: immigranten terugsturen, sociale uitkeringen beperken tot autochtone Fransen, de doodstraf weer instellen etc. Toen de buurt waarin zijn ouders woonden eind jaren zeventig in meerderheid Noord-Afrikaans was geworden, voelden ze zich verweesd en onveilig. ‘Frans zijn’ werd het centrale element en verving eigenschappen als ‘arbeider zijn’ of ‘links zijn’ – Eribons ouders werden Front National-stemmers.

Eribon werpt een belangrijke vraag op: als je wilt onderzoeken waarom de volksklassen rechts stemmen, moet je je eerst afvragen of de aanname wel klopt dat ze van nature allemaal links stemden. Als het gaat om het verlichten van hun angsten hebben rechtse partijen als de VVD dus een even grote verantwoordelijkheid als linkse.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Je kunt niet reageren.