Wie veegt, ordent zijn gedachten

De Limburger, 13 juli 2018

De vakantietijd is aangebroken. In krantenland vaak het moment van correspondentenwissels en komkommerverhalen. Mooi: verhalen van afzwaaiende correspondenten. Nog een fraaie, wat weemoedige terugblik. Nog een lang, laatste verhaal. Vaak een verhaal dat niet in de actualiteit paste en waarvoor nu – de komkommertijd breekt aan (een bizar fenomeen: alsof de wereld stil zou staan) – eindelijk ruimte is. In NRC nam Guus Valk als Amerika-correspondent afscheid met een reisverhaal naar plekken in Arizona, waar Amerikanen zich hebben teruggetrokken uit de samenleving en hun eigen utopia creëren.

Valk koos niet voor niks Arizona, het uitgestrekte woestijngebied waar vrijwel geen overheidsbemoeienis is. Hij ging er op zoek naar mensen die nog een Amerikaanse droom koesteren – hij was ze nauwelijks tegengekomen in zijn jaren als correspondent. ‘Vrijwel alle Amerikanen die ik de afgelopen zeven jaar als correspondent sprak, zijn ontevreden over hun land, en over hun eigen leven.’ Dus op naar Arizona, een staat vol soevereine eenlingen die zich, zoals Valk mooi schrijft, ‘vestigden in een camper of afgelegen hutje, off the grid, meestal zonder elektriciteit en stromend water’.

Hij komt terecht in Arcosanti, waar zo’n honderd mensen wonen in futuristische appartementen, ooit bedacht door een Italiaanse architect en migrant met utopische idealen. Iedereen in Arcosanti heeft werk, van wc’s poetsen tot koken en toeristen rondleiden, en verdient tien euro per uur. Er wonen studenten die hun studie niet meer kunnen betalen en Amerikanen die het politieke klimaat zat zijn, zoals een oud-hoogleraar architectuur uit Boston die zijn land wilde ontvluchten.

Valk landt ook in het plaatsje Snowflake, het utopia voor mensen die zeggen dat ze ziek zijn geworden van het Amerikaanse leven: door straling van telefoons, internet, bestrijdingsmiddelen, kleren, elektriciteit. Onder hun ziekte liggen privéproblemen: schulden, ontslag. Ze hebben een diep wantrouwen tegen de overheid en de mainstream media, lopen bewapend rond, geloven in complottheorieën. Valk tekent op: ‘In Snowflake leeft John Russin met enkele tientallen lotgenoten. Een buurman is allergisch voor computers, wifi en inkt. E-mails laat hij printen en 24 uur drogen. Hij schrijft alleen handgeschreven brieven terug.’

Prachtig, zo’n verhaal. Het vertelt veel over Amerika en laat zien dat ‘kleine’ verhalen belangrijk zijn: de problemen van een land teruggebracht tot de menselijke maat. Het radioprogramma Bureau Buitenland van de VPRO heeft een rubriek waarin een correspondent een geluid laat horen dat veelzeggend is voor het land. De verslaggever in Zuid-Korea liet de klanken van brekend porselein horen: als onderdeel van een therapie mogen gestreste cliënten drie minuten lang bordjes kapot smijten. De Koreaanse prestatiesamenleving teruggebracht tot een geluid.

Welk geluid zou ik vanuit Maastricht laten horen?, vroeg ik me af. Ik denk het gejengel van de blad- en vuilblazers in de vroege ochtend in het centrum van de stad. Gasten die aan het Vrijthof logeren, worden in alle vroegte uit hun slaap gerukt door het borende gejemerieer van blazers die in oneindige verveling papier, bladeren en plastic lopen weg te tetteren. Met hun bolle koptelefoons en vooruitgestoken blaasattribuut zijn het net grote muggen, aanwezig om de mens gek te maken. Sjiek en sjoen in een geluid vervat.

De gemeente stuurt nu accublazers in plaats van benzineblazers. Maar waarom kan er niet gewoon geveegd worden? Een komkommerverhaaltje: ik heb in een land gewoond waar ik elke ochtend gewekt werd door het zanderige, ritmische geschuif van de strobezem. Als ik in Johannesburg dat geluid hoorde, wist ik dat de dag goed begonnen was – degene die de bezem hanteerde, leefde nog. En dat was al heel wat in een land getergd door alledaags geweld. Het is een hoopvol geluid. Wie veegt, ordent zijn gedachten en is klaar om de dag te omarmen.

 

 

 

 

 

 

Je kunt niet reageren.