Waar blijft de sociaaldemocratie?

De Limburger, 11 januari 2018

 

De inkomenskloof en groepen burgers die met de rug naar elkaar toe staan – twee kolossale thema’s voor de politiek in het komende jaar. Economisch wordt het een piekjaar, de beurzen jubelen, maar in de lonen zit geen schot en de banengroei zit voornamelijk in uitzend- en flexwerk. Vorige week staakten werknemers in het streekvervoer om naar de wc te mogen. Hoe laag kun je zinken als land. Waar blijft een grote sociaaldemocratische beweging?

In oktober afgelopen jaar schetste Menno Tamminga, financieel redacteur van NRC en auteur van ‘De uitverkoop van Nederland’, hoe belastingverlagingen van het nieuwe kabinet leiden tot verdere ongelijkheid in Nederland: ‘In 2000 belastte de Nederlandse fiscus winsten van ondernemingen tegen een tarief van 35 procent, nu is dat 25 procent. In 2021 mikt het nieuwe kabinet van VVD, CDA, D66 en Christenunie op 21 procent. Een verlaging van deze zogeheten vennootschapsbelasting van 40 procent over een periode van ruim twintig jaar. De belasting op dividend verdwijnt zelfs helemaal (…) In 2000, een economisch piekjaar, kon het kabinet ruim 12 procent van de overheidsuitgaven financieren met de opbrengst van de winst- en dividendbelasting. In 2007, ook een piekjaar, was dat ruim 11 procent. In 2018, nog een economisch piekjaar, wordt het volgens de Miljoenennota 9 procent.’

Met andere woorden: terwijl grote ondernemingen hun winsten verder zien stijgen, laten zij werknemers daarin niet meedelen en dragen zij steeds minder bij aan de collectieve voorzieningen waarop een sociale samenleving is gebouwd. En mensen zich maar afvragen hoe het toch komt dat er geen geld is voor loonsverhogingen, fatsoenlijke rustpauzes en vaste banen. Hoe het komt dat alles sneller moet, met minder mensen, voor minder geld. Dat jongeren slingeren tussen uitzend- en flexcontract en vergeefs naar betaalbare huurwoningen zoeken – koopwoningen zijn weggelegd voor de happy few met vaste banen en vermogen.

Dit alles is gebeurd met medewerking van de Partij van de Arbeid, ooit de grootste sociaaldemocratische partij. Als zo’n grote partij niet in staat is geweest een verschil te maken ten opzichte van het beleid van centrum-rechts, welke partij komt dan op voor de bestaanszekerheid van de doorsnee werknemer, van de ondernemers in het midden- en kleinbedrijf, van al die zzp’ers en flexwerkers, van ouderen met alleen aow, van vluchtelingen, van mensen aan de onderkant? Hoe langer de leemte duurt, hoe meer partijen van populistische snit erin zullen duiken en hoe meer burgers met de rug naar elkaar zullen gaan staan: hoogopgeleid en lager opgeleid, vermogend en modaal, Nederlander en nieuwkomer. Tel daarbij op de ongerustheid van burgers over hun veiligheid en de angst voor verlies van eigen identiteit en de conclusie is dat de populistische revolte niet zomaar wegzakt – zie de opkomst van Thierry Baudet.

Een sociaaldemocratische beweging moet daarom ook luisteren naar iemand als Paul Scheffer, die zich als publicist en hoogleraar Europese Studies al jaren bezighoudt met het thema van integratie, onder meer in zijn boek ‘Het land van aankomst’. Twee jaar geleden pleitte hij voor een quotum op vluchtelingen, zoals een klassiek immigratieland als Canada met zijn geliefde premier Justin Trudeau al lang doet. In een recent interview in Het Financieele Dagblad zei Scheffer: ‘Je maakt de ruimte voor opvang groter naarmate je duidelijker bent over de begrenzing ervan. De samenleving wil weten waar ze aan toe is. Er is veel morele energie in Nederland, maar als je mensen overvraagt, gaat het geweten in staking. Dat is de kortste weg naar verdere polarisatie en agressie.’

De keuzes die regio’s maken worden steeds belangrijker. In Limburg gaat de PVV meedoen in drie gemeenten: Venlo, Maastricht en Sittard-Geleen. Sociaaldemocraten van alle signatuur: klem de PVV aan de borst in en laat haar niet ontsnappen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Je kunt niet reageren.