Archief voor mei, 2016

In Nederland

HEERLEN & HET MODERNISME

[De Stemming, L1, 8 mei 2016]

Is het nou eens afgelopen met de nostalgie rond die klotemijnen? Zo luidt de titel van een van de verhalen uit de onlangs verschenen bundel Wilde Flora – een bundel met 26 verhalen uit en over Limburg, uitgegeven door Uitgeverij Leon van Dorp in Heerlen. Is het nou eens afgelopen met de nostalgie rond die klotemijnen is een prachtverhaal van Peter Lenssen, die eerder al een roman over het mijnverleden schreef.

Drie vrienden zitten op een terrasje op het Pancratiusplein, onder de rook van de Pancratiuskerk. Ze zijn al aardig in de olie en hun verhalen komen flink op stoom. Een van de drie vertelt in zinderende bewoordingen over zijn familie van drie generaties mijnwerkers: zijn overgrootvader, een boerenknecht die naar de mijn trok en verongelukte op zijn eerste werkdag. Zijn grootvader, die onder druk van de kerk eveneens mijnwerker werd en op 38-jarige leeftijd sneuvelde bij een ontploffing. En zijn vader, die het langer uithield, en die tot zijn dood elke avond aan de zuurstof lag.

Dit is de erfenis van de mijnen in Zuid-Limburg. Over de rug van duizenden arbeiders werd Heerlen een van de rijkste steden van Nederland. Over de vloek van die monocultuur is inmiddels veel gezegd. Over de zegen veel minder. Heerlen laat nu met twee tentoonstellingen zien wat er sinds de jaren dertig van de vorige eeuw gebouwd werd dankzij dat zwarte goud. In Schunck is ‘Mies en de erfenis van het modernisme’ te zien, over de invloed van Bauhaus-architect Mies van der Rohe; in het Stadhuis wordt de relatie tussen Heerlen en het Stedelijk Museum in Amsterdam in beeld gebracht.

Heerlen werd een stad in de voorhoede van het modernisme. De bekendste architect in de regio werd Frits Peutz, die niet alleen Schunck en het Stadhuis bouwde, maar ook het Royal Theater en de Stadsschouwburg. Maar er is veel meer. In en om Heerlen liggen meer dan 100 modernistische gebouwen. 41 van die gebouwen zijn te zien in de buitenvitrines van Schunck.

Daaronder vallen ook woonwijken en winkels uit de jaren zestig: Vrieheide, de woonwijk Welten, winkelcentrum ’t Loon, allemaal ontworpen door Peter Sigmond, een architect uit Boedapest die in 1956 Hongarije was ontvlucht. Sigmond was de architect van de wederopbouw, een man die bouwde met vooruitgangsoptimisme: ook voor de gewone mensen moest er licht en ruimte zijn.

Die modernistische erfenis van Heerlen is goud waard en kan een publiekstrekker worden, zeker als straks het Maankwartier klaar is.
Er moet een plek komen waar die erfenis permanent zichtbaar wordt gemaakt. Ik stel voor dat die plek het Stadhuis van Peutz wordt. Dat prachtige, merkwaardige Stadhuis, waar nu doodse stilte heerst en de dienstdoende ambtenaar verstoord opkijkt als je er als bezoeker voor de deur staat.

Peutz had met zijn Stadhuis, of Raadhuis, een multifunctioneel gebouw in gedachten, waar plaats zou zijn voor exposities, muziek en debat. Nu Heerlen de stad wil promoten onder de noemer Urban, is het tijd voor een daad. Jaag de ambtenaren het Stadhuis uit en creëer een Urban Centre, met plaats voor de modernistische erfenis van Heerlen, voor een Grand Café, voor muziek en debat, en eindelijk eindelijk een terrasje op het Raadhuisplein. Ja, laat het nou eens afgelopen zijn met de nostalgie rond die klotemijnen.

[luister hier naar de column in de radiouitzending De Stemming]

Reageer

In Nederland

HET GELUK VAN BEMELEN

[De Stemming, L1, 17 april 2016]

Als u de kans krijgt, moet u via ‘L1 Uitzending Gemist’ de documentaire ‘De bewakers van Bemelen’ van filmmaker Hans Heijnen zien. Het is een film over de nadagen van het traditionele dorp Bemelen, vlakbij Maastricht. Een dorp met een harmonie, een kerk, een voetbalclub en een Raad van Elf, van verenigingen die bestaan bij de gratie van de laatste dorpsfiguren.

Tot die dorpsfiguren behoren Pierre en Willy Pittie, twee broers van in de zeventig, die nooit getrouwd zijn en nog steeds in hun ouderlijk huis wonen. Pierre en Willy hebben het druk in hun dorp. Ze dweilen de kleedlokalen van het voetbalhonk, schenken thee tijdens een bijeenkomst van de vogelwerkgroep, harken mee met de schoffelwerkgroep en brengen bezoekjes aan zieke en zwakke dorpsgenoten.

Vijfentwintig jaar geleden won Willy Pittie een auto in de Duitse lotto. De wagen staat trots voor de deur, een glanzend gepoetste rode Audi. Op de vraag wat hij zou doen, mocht hij op een dag een miljoen winnen, antwoordt Willy: ‘Niks….niks….alles zo laten als het is.’ Ook broer Pierre vindt het leven goed zoals het is. ‘Ik wil graag dat alles hetzelfde blijft,’ zegt hij, al geeft hij toe dat er ‘soms gewoon iets moet gebeuren.’

Pierre en Willy zijn vertegenwoordigers van wat de meeste mensen niet meer kennen: intense tevredenheid met het hier en nu, met het eigen leven in de eigen omgeving. Het leven is goed zoals het is. Droog constateert Pierre dat hij waarschijnlijk nog zo’n 3000 dagen te leven heeft. Willy leest elke dag de overlijdensadvertenties en merkt op: ‘Zolang je er zelf niet bijstaat, gaat het nog goed, he?’

Net voordat je als kijker de kans krijgt om het oude dorpsleven te gaan bejubelen: de gemeenschap, de zorg voor elkaar, het genieten van een eenvoudig leven zonder gejaagdheid, doen de zwakke karakters van het dorp hun intrede. Mensen die nauwelijks van de bank afkomen, wier leven al vijftig jaar stilstaat, wier gesprekken zo schraal zijn geworden, dat je als kijker ongemakkelijk begint te schuiven, dat je je begint te schamen.
Geen nostalgisch portret dus van een mooi, uitstervend dorp, maar een portret van mensen die zich weliswaar veilig bij elkaar voelen, maar bij wie ook nieuwsgierigheid en verlangen lang geleden gedoofd zijn. De kijker die hoopte in het oude dorp een antwoord, een weerwoord te vinden op de rat-race waarin hij zichzelf bevindt, komt dus bedrogen uit.

Wat dan?, vraagt die kijker zich af. Wat is dan het alternatief voor het leven waarin permanent gerend wordt, waarin meer uren gemaakt moeten worden voor hetzelfde of zelfs minder geld, waarin de vrije tijd opgaat aan opvoeding, mantelzorg en huishouden, waarin alles geagendeerd is en niets meer kan bloeien door simpelweg te fröbelen en niets te doen.

De ondraaglijke platheid van het bestaan, noemde schrijfster Sana Valiulina het onlangs zo treffend in NRC Handelsblad. De mens als economisch wezen, een grondstof in de neoliberale economie, een resource waarmee winst gemaakt wordt. Geen wonder dat er mensen zijn die het niet meer kunnen bijbenen en die vooral een emotie hebben: boosheid.

Aan de broers Pierre en Willy Pitty is de beker van het hedendaagse leven voorbij gegaan. Zij schoffelen, schenken thee en maken af en toe een ritje in hun glanzend-rode wagen.

[luister hier naar de column in de radiouitzending De Stemming]

Reageer