Archief voor april 10, 2015

In Nederland

DE ZIEL VAN LIMBURG

[De Stemming, L1, 5 april 2015]

Een voorstelling over de ziel van Limburg – zo wordt de eerste productie van de twee nieuwe artistiek leiders van Toneelgroep Maastricht, Michel Sluysmans en Servé Hermans, aangekondigd.  ‘Waar het vlakke land gaat plooien’ heet-ie en het gaat over de onmogelijkheid er te gedijen: ‘Wie van Limburg is, groeit nergens weer opnieuw’.

Ach nee toch, dacht ik. Dus de eerste voorstelling van twee dertigers, zelf al vijftien jaar weg uit Limburg – de een vertrok naar Amsterdam, de ander naar Gent – gaat over het Limburgse minderwaardigheidscomplex. Gaat over de naweeën van de sluiting van de mijnen.

In de zomer gaan ze Shakespeares Othello doen, las ik in een interview. Dat gaat volgens Servé Hermans over hoe een gesloten gemeenschap als Limburg omgaat met buitenstaanders. ‘Zacht racisme’, zei hij. ‘Als iemand van buiten hier passeert, moet altijd benoemd worden dat hij anders is.’

Hebben ze onder een steen geleefd?, vroeg ik me af. Of hebben ze een tunnelvisie op Zuid-Limburg ontwikkeld: een Limburg dat vastzit in ofwel het Bourgondische sjabloon, zoals schrijfster Marente de Moor laatst zo treffend opmerkte, het keurslijf van gezelligheid, ofwel in het sjabloon van het verongelijkte, misdeelde, argwanende Limburg, het Limburg van: ze moeten altijd ons hebben, ons wordt niks gevraagd, hier wordt het toch niks.

Ik ben zelf vijfentwintig jaar weggeweest uit het Zuiden. Ik vond een ander Limburg terug, zelfbewuster, opener, ambitieuzer, veelkleuriger en vooral wereldser. In de wijk waar ik woon hoor ik naast Maastrichts dialect Engels, Duits en Frans. Ik hoor Arabisch en Chinees. Ik vertrok om de wereld in te gaan, en de wereld is naar Limburg gekomen. Ik ga naar de Turkse buurtwinkel, ik zie meisjes met hoofddoekjes bij Albert Heijn. Mijn kapster komt uit Roemenië, de winkelier ernaast uit Iran. De kapper van mijn eega is van Marokkaanse afkomst, woont in Luik en heeft een winkel in Maastricht. Hier in café Forum ontmoette ik Abbie Chalgoum, een jongen van Marokkaanse afkomst, die Jezus speelt in de Passiespelen in Tegelen.

Afgelopen week was ik bij een buurtbijeenkomst. Het was de eerste bijeenkomst waarin bewoners van oudsher en migranten met elkaar in gesprek gingen over hun wederzijdse angsten. De angst of het gezin naast je misschien radicale denkbeelden heeft. De angst of het groepje jongens op straat je gaat uitschelden, omdat je een hoofddoek draagt.

Wat me opviel was dat sommige buurtbewoners van Marokkaanse afkomst het sjabloon van verongelijktheid hebben geadopteerd: onze kinderen krijgen hier toch geen baan. Het heeft eigenlijk geen om werk te zoeken. Als je een Marokkaanse achternaam hebt, word je sowieso niet aangenomen.

Ik ging kijken naar de voorstelling over de Limburgse ziel en hield mijn hart vast. Ik werd totaal verrast. Wat een performance – want dat was het, geen toneel, maar een gig: zang, poëzie en cabaret ineen, humoristisch, wervelend, verrassend. Het was theater, helemaal gebouwd op de kracht van Limburg: de muziek.

Dat belooft wat. Mochten deze getalenteerde jongens op zoek zijn naar onderwerpen, dan weet ik er wel een: hoe zes Maastrichtenaren naar het kalifaat vertrokken, een zich opblies, een ander omkwam, en hoe men nu in Maastricht de wonden likt. Over de ziel van Limburg anno 2015.

[luister hier naar de column in de radiouitzending De Stemming]

Reageer

In Nederland

DE VLOEK VAN DE MIJNEN

[De Stemming, L1, 15 maart 2015]

Het was een soort tropengeneeskunde, vertelde een Amsterdamse psychiater over zijn werk in Heerlen en Hoensbroek de afgelopen jaren. ‘De achterstand is enorm. Er zijn veel psychische problemen, vaak in samenhang met armoede, huiselijk geweld, drugs en werkloosheid die van vader op zoon wordt doorgegeven.’

De psychiater was vooral geschrokken van de eenzaamheid van veel mensen met problemen. In Amsterdam, vertelde hij, had hij vaak gewerkt met Marokkaanse migranten. Die kwamen meestal samen met een familielid op het spreekuur en konden zo rekenen op emotionele steun. In Hoensbroek zag hij bij de patiënten -geboren en getogen Limburgers- een heel ander beeld: geen familie, geen betrokkenheid van de buurt.

Ik las dit allemaal in het universiteitsblad Observant, in een speciale bijlage over  de Oostelijke Mijnstreek, de ongezondste regio van Nederland. De levensverwachting is hier twee jaar lager, de sterftecijfers zijn het hoogst, de inwoners lijden het meest aan psychische stoornissen, jongeren zitten hier het vaakst in de jeugdzorg en er worden nergens zoveel bijstandsuitkeringen verstrekt als hier.

En dit is nu al decennia zo. Het meest deprimerend zijn de cijfers en observaties over jongeren. Er wordt veel gerookt, te vet gegeten en het opleidingsniveau komt bij tweederde van de jongeren niet boven het VMBO uit, terwijl er weinig werk is voor laagopgeleiden.

Frank Soomers, die als huisarts al 31 jaar in een praktijk in Kerkrade werkt, maakt zich vooral daarover boos: het gebrek aan werk, aan vooruitzicht. ‘Dat neem ik de overheid zeer kwalijk,’ zegt hij. Dat gebrek aan perspectief draagt bij aan de passiviteit en gelatenheid in de streek. Want dat blijkt een terugkerend kenmerk van de Oostelijke mijnstreek: de lethargie.

Als verklaring van zowel de ongezonde leefstijl als de passiviteit verwijzen de artsen en onderzoekers geregeld naar het mijnverleden. Mijnwerkers verdienden relatief goed en konden zich daardoor een zekere luxe permitteren: veel alcohol, tabak en vlees. Daarnaast regelden de mijnen alles voor hun werknemers: huisvesting, onderwijs en allerlei medische en sociale voorzieningen.

‘Tropengeneeskunde’. Inderdaad, de Oostelijke Mijnstreek vertoont de symptomen van een ontwikkelingsland. Het gaat gebukt onder de erfenis van wat in Afrikaanse landen de ‘resource curse’ wordt genoemd, de vloek van de grondstoffen: hoe meer kapitaal er in de grond zit, hoe minder een land, een bevolking zich breed-economisch en -sociaal ontwikkelt.

Laten we het eens onder ogen zien: de mijnen zijn meer een vloek dan een zegen geweest voor Zuid-Limburg. Ze hebben een monocultuur en een onderklasse opgeleverd. Ze hebben verhinderd dat de bevolking initiatiefrijk werd, op zoek ging naar gevarieerde manieren om geld te verdienen en de streek te ontwikkelen. Niet de sluiting van de mijnen is het drama van de Oostelijke Mijnstreek, maar de komst ervan.

‘Een mentaliteitsverandering,’ zegt Frank Soomers, de doorgewinterde huisarts in Kerkrade, ‘dat is het enige dat helpt. Begin bij de peuterspeelzalen en de scholen en hopelijk zie je dan over dertig jaar resultaat.’

Hoe trek je de kinderen, de jongeren van de Oostelijke Mijnstreek uit het moeras – dat, en alleen dat, moet de opdracht zijn van het Jaar van de Mijnen en IBA Parkstad.

[luister hier naar de column in de radiouitzending De Stemming]

Reageer