Archief voor januari, 2012

Zwartje

Zondag, half acht in de ochtend, zevende dag van het Jaar van de Draak: we worden gewekt door het kabaal van een duizendklapper. Eerst een stuk of vijftig langzame droge knallen, tak-tak-tak, en dan een hele rits heftige korte, tet-tet-tet-tet-tet-tet-tet-tet-tet!

Naar de staatshondenkliniek voor een vaccinatie tegen Rabies. Ja, de kliniek is in China ook op zondag open. (Ook de postbode doet op zondag z’n ronde; daar kijk ik toch elke keer blij verrast van op). Het hele hondenregistratie-proces is tegenwoordig een klantvriendelijke, goed geoliede organisatie. Men is vriendelijk, spreekt een paar woorden Engels, legt uit wat de bedoeling is en vraagt of ze je verder nog van dienst kunnen zijn?

Dat was een paar jaar geleden nog anders. Je werd van het kastje naar de muur gestuurd en afgeblaft. Mensen verdrongen zich voor het loket. Je zette je verstand op nul, drong naar voren en smeet bij de eerste de beste gelegenheid de papieren met een paar honderd yuan naar de dienstdoende employee. Die zette het benodigde rode stempel en smeet de papieren met wisselgeld naar je terug.

Onze hond moet een extra shot tegen Rabies om straks Nederland in te mogen. Xiaohei – Zwartje – wordt altijd met een mengeling van bevreemding en verrassing bekeken. Alleen gekke buitenlanders geven geld uit aan een Chinese straathond. Toch is onze hond door twee jonge Shanghainese vrouwen van straat gered.

‘Een Chinese hond?,’ vraagt de medewerker die de spuit zet.

‘Ja, van de straat,’ zeg ik.

Hij knikt goedkeurend. Of verbeeld ik me dat?

Trouwens, hoeveel Nederlanders halen een hond uit het asiel?

Reageer

Q Confucius

Met een vriendin naar de tentoonstelling Q Confucius van Zhang Huan in het Rockbund Art Museum, vlak achter de Bund. Prachtig nieuw hedendaags museum in een jaren-dertig Art Deco gebouw, uit de gloriedagen van Shanghai. Granieten vloeren, elegant smeedijzerwerk.

Tentoonstelling gewijd aan Confucius. Had er al een en ander over gehoord, maar stelde het bezoek telkens uit. Angst voor teleurstelling? Ik heb Zhang Huan geinterviewd, zijn ateliers bezocht – wat heet, hij bezit meer dan zevenduizend vierkante meter fabrieksterrein en pakhuis, verdeeld over drie lokaties en heeft tachtig man in dienst. Hij houdt van reusachtige werken. Toen ik hem bijna vier jaar geleden, in 2008, sprak, was hij bezig met twee reuzen, Giant 1 en 2. Hij had kort daarvoor te horen gekregen dat zijn geplande tentoonstelling in het Shanghai Art Museum, het (staats)museum voor moderne kunst in Shanghai, niet door kon gaan. Het zou een solotentoonstelling worden, en de eerste grote expositie van zijn werk in China. Er was maandenlang aan gewerkt, er zou een fantastische opening komen. En toen, twee weken voor de opening, kreeg hij bezoek van het Cultuurbureau. Dat zei: ‘ho, stop!’

Shanghai bleek het uiteindelijk toch niet aan te durven. Volgens Zhang waren ze in zijn verleden als performance kunstenaar gedoken. En ze vonden de materialen die hij gebruikte – as, koeienhuiden – niet geschikt.

Zhang was geschokt. ‘Het voelde als een abortus. Ik had hier honderdvijftig mensen aan het werk!’

Maar hij was ook berustend. ‘Ik maak me geen zorgen,’ zei hij. ‘Ik heb geduld. Al duurt het tot ik zeventig ben, dan ben ik nog blij.’

Zolang heeft het niet geduurd. Minder dan vier jaar. Weliswaar niet in het Shanghai Art Museum, maar in het private Rockbund Art Museum (gefinancierd door Rockbund, een onderdeel van de Rockefeller Group). Dat hij het voor elkaar heeft gekregen met de werken die hij laat zien, is opmerkelijk. Want Q Confucius is geen geruststellende tentoonstelling. De kolossale buste van Confucius, gemaakt met wassenbeelden-techniek, op de tweede verdieping, toont de oude meester in een naakte, kwetsbare staat, een griezelige oude man die met z’n baard in het water hangt.

Twee verdiepingingen hoger ligt een geklede Confucius in een enorme kooi. Plotseling verheft hij zich, liever gezegd hij klapt omhoog als een robotarm in een fabriek, en slaat naargeestig heen en weer, een geestesgestoorde in razernij. Uit projectiebeelden aan de muur blijkt dat er tijdens de opening ook nog negen aapjes met Confucius in de kooi zaten.

Het Cultuurbureau kwam, zag en vond het goed, blijkbaar.

Vriendin en ik genieten van zijn drie grote as-schilderijen op de derde verdieping. Fascinerende doeken – de verbeelding van Jezus en zijn apostelen tegenover Confucius en diens leerlingen. Ongelooflijk wat hij met as doet. Je moet er op afstand naar kijken. Als je dichterbij komt, zie je slechts schimmen. De as is afkomstig van tempels in Shanghai (de restanten van wierookstokjes). Zhang laat er grote hoeveelheden van ophalen en naar zijn pakhuis brengen. Zijn medewerkers sorteren de as naar kleur en grootte van de vlokken.

In het cafe op de bovenste verdieping legt Zhang in een video een en ander uit. Nou ja, hij beschrijft wat hij doet; over de betekenis van zijn werk laat hij de kerk in het midden. Iets over de mens in het huidige China, natuur versus cultuur, dat we moeten nadenken over de betekenis van Confucius vandaag de dag.

Vriendin en ik denken na: zou de tot razernij gedreven Confucius in een kooi met aapjes het huidige China belichamen?

Reageer

God van de Rijkdom

Vierde dag van het Chinese nieuwe jaar. Avond van een miljoen rotjes. Het begint om een uur of acht en zwelt langzaam aan. Een hoop mensen vinden het verschrikkelijk, al dat lawaai. Mij blijft ‘t fascineren (als je maar binnen zit), de omvang van het kabaal dat op oorlogsgeweld lijkt. Een hele stad in rook en vuur, zwaveldampen, lichtflitsen, gillende en fluitende objecten, en dat urenlang, op aanhoudende sterkte…

Onze buren doen enthousiast mee. Eerst de achterburen met een duizendklapper. Tatatatatattattatatatta…. ! Ik kijk uit het raam. Grootmoeder blijft in de deuropening staan, met een deken om, terwijl haar man en kleinzoon met hun vuisten in de jaszak naar de kronkelende, vuurspugende slang op de grond turen. Aansluitend de rechterburen met gillende keukenmeiden, dan de linkerburen met een tros rotjes….

Xiaohei, onze hond, komt dichterbij ons liggen.

Overal afweergeschut. Tatatattatatta…

Een belegerde stad.

Tegen elven, het begint wat te luwen, probeer ik Xiaohei uit te laten, maar na drie stappen, keert ze om. Ze hoeft niet eens te plassen. Ik trek nog even aan de lijn, kom kom, even een plasje. Maar ze zet zich schrap, wilskrachtig en koppig: no way!

Niet voor mensen met een oorlogstrauma, Chinees Nieuwjaar. Op oudejaarsavond begint het – oorverdovend geknal (werkelijk Jan en alleman komt naar buiten om vuurwerk af te steken), maar het heeft nog iets esthetisch, want je kijkt naar de lucht en overal spatten sterren uiteen, de hemel is een regen van rood, goud, wit, blauw…

Op de vierde dag is het keihard knallen, op de straat, tegen muren. En gillen over de grond. Als de boze geesten op oudejaarsavond zijn weggejaagd, moet op de vierde dag de aandacht worden getrokken van de goede, speciaal de God van de Rijkdom: Hee Hallo!! Hier!! Hier zijn we!! Kom binnen!! Het begint vroeg in de avond, want als je vroeg knalt, ben je een van de eersten die Hem binnenhaalt.

Na de vierde dag blijft het onrustig: winkels, eettentjes en bedrijfjes gaan weer langzaamaan open, en op de openingsdag moet er even flink geknald worden – met een luid gebed wordt een veelbelovend nieuw jaar afgedwongen.

Reageer

Tweede dag van het nieuwe jaar

Tweede dag van Het Jaar van de Draak. Koud maar zonnig. Lange onderbroek aan, ook al heb ik er een hekel aan zo ingepakt te zijn. Al die lagen, je lichaam krijgt geen lucht. (Maar het is niks vergeleken bij wat de Chinezen allemaal aantrekken; ik zag het onlangs nog op de wc op het vliegveld: een vrouw was bezig de lagen af te stropen: gewatteerde broek, lange flanellen onderbroek, maillot…).

Met Maxine naar Fuzhou Lu, de boek- en schrijfwarenstraat. We nemen metrolijn 10 en stappen uit bij halte Yu Yuan Garden. Ik hoop in Fuyou Lu nog een rode onderbroek met een draak te vinden voor de zoon van een goede vriendin die helemaal gek is van draken.

Helaas zijn de ondergoed-winkels niet open (stom, ik ben te laat, dat ondergoed kopen mensen voor het nieuwe jaar begint. Op oudejaarsavond trek je het aan, nadat je een bad hebt genomen.) Wel veel winkeltjes met Chinees Nieuwjaar frutsels. Een drukte van jewelste. Al die versieringen in rood en goud – van Dubbel Geluk karakters tot strengen rode pepers gemaakt van stof – hebben tot doel geluk, gezondheid en geld te brengen. Je kan echt niet zonder.

Onderweg een paar pruikenwinkels gepasseerd. Pruiken van nep-haar 100 yuan, die van echt haar 300 yuan. Er wordt druk gepast: pruiken met lange bruine krullen, maar ook met stijl zwart haar: voor de grijzende dames. Chinezen hebben niet zo’n moeite met nep, of imitatie – als het er maar goed uitziet.

De drukte ontsnapt via een zijstraat, op naar de boekhandels. Maxine koopt een suikerspin. Het herinnert ons aan de bilingual (Engels-Chinese) school waar ze een paar jaar geleden op zat. Als de school uitging, stond er buiten de poort altijd een hele serie verkopers klaar, mannen en vrouwen van het platteland met fietsen en bakfietsen vol zoete aardappelen, gepofte kastanjes, mandarijnen, aardbeien, popcorn en suikerspinnen. De suikerspindraaier was het populairst.

Maxine twijfelt over de kleur, roze, groen, blauw, wit? Ze kiest wit. De suikerspinman vraagt 10 yuan, wij beginnen te lachen. We betaalden er altijd twee of drie voor. Zes, zegt hij. Drie, zeg ik. Maxine zegt: kom, we lopen door.

We lopen weg. Vijf! roept hij.

Wil je het doen voor vijf?, vraag ik aan Maxine. Ze betaalt zelf. De prijs is natuurlijk wel wat omhoog gegaan in een paar jaar tijd, bedenk ik.

We lopen terug. De man lacht: die laten zich, net als iedere Shanghainees, geen knollen voor citroenen verkopen! Wel fijn als je al zolang in Shanghai woont. Je kleine onderhandeling wordt gewaardeerd.

In Fuzhou Lu laten we de Foreign Books Store maar even links liggen, ik wil naar Books City, de grootste boekhandel, om te kijken wat er tegenwoordig aan geimporteerde boeken ligt. Zeven verdiepingen met boeken. De winkel straalt een supermarkt-ongezelligheid uit, maar er is wel een hoekje met Starbucks voor koffie gekomen. Het zit vol.

We weten niet meer welke verdieping de imported books huisvest. We gaan het vragen. De ene medewerker zegt tweede verdieping, de ander vierde verdieping. We zien enkel Engelse studieboeken. En heel veel businessboeken. Posters van Steve Jobs. Geen posters van beroemde of bekende of populaire Chinese schrijvers. Wanneer komt de dag dat we posters van Chan Koonchung of Han Han in de boekhandel zien?

Nog eens vragen. Maxine houdt het Engelse boek omhoog dat ze aan het lezen is. ‘Ah, zevende verdieping.’ Het hoekje imported books is een rommeltje, alles lukraak door elkaar, niks op alfabet, Jane Austen naast Murakami naast The Catcher in the Rye. Maxine kan niks vinden behalve Diary of a Whimpy kid, deel 5. Ik vind ook niks.

Op de terugweg komen we langs Mc Donalds, vlakbij People Square. Soms is Maxine luidkeels tegen McD, maar ze is een jonge, onvoorspelbare tiener, en vandaag mag het wel. Tent zit bomvol. Ik prik een frietje mee en kijk om me heen: her en der, tussen vrolijk snackende twintigers, onopvallend weggedoken, een oude man of vrouw, dik ingepakt en verweerd gezicht. Zij komen niet voor de friet, maar voor de warmte.

Reageer