De kleurling bestaat niet

De Limburger, 8 februari 2019

‘Dit kan ik niet eten!’ In het buurtwinkeltje downtown Johannesburg gooit een man een plastic zakje met koekjes op de toonbank voor de betraliede kassa. Ik sta daar net een paar bananen af te rekenen. Het is zo’n typisch Afrikaans winkeltje waar je alle basale levensmiddelen kan vinden, van lucifers tot deodorant, van rijst tot boorzalf. De uitbater zit achter de kassa, een man uit Bangladesh zo te zien. Veel van dit soort winkeltjes zijn in handen van mensen uit het oosten: India, Pakistan, Bangladesh.

‘Het is over de datum,’ zegt de man, zonder mij een blik waardig te gunnen. ‘Geef me m’n geld terug.’ De winkelier pakt het zakje met koekjes op, wil ernaar kijken, maar besluit de zaak te laten rusten. Hij opent de kassa en schuift wat muntgeld onder de tralies door. ‘Zeker omdat ik zwart ben,’ zegt de man. ‘Als jij niet oppast laat ik de politie komen. Kunnen ze zien hoeveel bedorven producten jij aan ons verkoopt.’

Het is absurd: de winkelier is zwarter dan de zwarte man die briesend het winkeltje uit beent. Maar kleur is nog steeds een complexe en beladen kwestie in Zuid-Afrika. Indiërs en andere Aziaten hadden tijdens de apartheid een hogere status dan ‘kleurlingen’, die weer hoger in rang stonden dan zwarten (‘bantoes’). Gevoelens van wrok zitten diep en kleinigheden kunnen leiden tot plotselinge uitvallen van ergernis en woede.

Kleur ligt ook aan de basis van een diepgevoelde wrok van een groep Khoisan, die nu al maanden protesteert op de glooiende gazons aan de voet van de Union Buildings, de regeringsgebouwen in Pretoria. Vertegenwoordigers van de allereerste, oudste bewoners van Zuid-Afrika zitten in kleine tentjes bij elkaar en willen eindelijk gerechtigheid. Tijdens de apartheid werden de Khoisan bij de categorie ‘kleurlingen’ geveegd en in het nieuwe, democratische Zuid-Afrika, dit jaar alweer vijfentwintig jaar oud, kregen ze geen eigen rechten. Nu willen ze wettelijke erkenning: /xam als officiële taal, declassificatie als ‘kleurling’ en een First Nation status – met aanspraken op land en geld van de mijnen die nu op hun oude geboortegrond staan.

De jonge Zuid-Afrikaanse schrijver Sihle Khumalo windt zich in zijn boek Rainbow Nation My Zulu Arse op over het voortbestaan van de aanduiding ‘kleurling’. De term werd bedacht voor iedereen die noch blank noch ‘bantoe’ was: afstammelingen van relaties tussen Europese kolonisten en lokale Khoi en San (‘Bosjesmannen’), van politieke gevangenen en moslims uit Nederlands Indië, van kinderen uit alle mogelijke andere relaties van kleur. Er is nooit een kleurling-cultuur geweest, schrijft Khumalo, er zijn geen kleurling-tradities, geen kleurling-gewoonten. De kleurling bestaat niet, sterker: doe een bloedtest en je zult erachter komen dat iederéén kleurling is, van gemengd bloed.

Hoho, zegt Churchil Naude, een bruinman van Mitchells Plain, de uitgestrekte kleurlingenwijk achter Kaapstad. Naude is een kletsrymer, een rapper, die zich wel degelijk identificeert als bruin. Dat wil zeggen: hij komt uit een gekleurde gemeenschap met Afrikaans als moedertaal. Maar wel het bruine Afrikaans, met zijn eigen slang en klankkleur. Naude maakt zich er boos over dat het Afrikaans nog steeds gezien wordt als de taal van de witman, de onderdrukker, terwijl het grootste deel van de Afrikaanssprekenden bruin is. ‘De oorsprong van het woord is Afrika, dus hoe komt het dan dat Afrikaans een witmenstaal genoemd wordt?’ zegt hij. Hij dicht en rapt dus in het Afrikaans, waarmee hij stem geeft aan mensen uit Afrika – aan Afrikanen. Daar vallen ook witte mensen onder.

Volgt u het nog? Dit is Zuid-Afrika, een land dat wij Nederlanders ooit mee hebben vormgegeven. De taal bewijst het. Het maakt nog eens duidelijk dat Europa niet stopt bij de grenzen van Europa.

 

 

Reageer

Treinen door Zuid-Afrika

De Limburger, 25 januari 2019

Piepend en schurend arriveren we in Potchefstroom, op papier de tweede stop op weg naar Kaapstad, en we hebben al vier uur vertraging. De Shosholoza Meyl, die drie keer per week vanuit Johannesburg de veertienhonderd kilometer naar de Kaap aflegt, ronkt als een oude man door de eindeloze buitenwijken van Johannesburg: Maraisburg, Florida, Hamberg, Roodepoort, Witpoortjie, Luipaardvlei, en overal komt-ie knarsend tot stilstand. Waarom? Op de stations hangen zwarte scholieren in uniform, wachtend op de lokale boemel. Een straatverkoper probeert zijn slag te slaan en houdt een plastic zakje met bananen voor ons raam.

‘Omdat de machinist een idioot is!’ zegt de conducteur, een vermoeide blanke zestiger, het staatspensioen nabij. Hij is in de restauratiewagen gaan zitten en heeft een bord pap-met-vleis besteld. Zijn woorden, over de techniek van spoorwissels en stangen, gaan verloren in het oorverdovende gepiep van de volgende stop.

‘Hou rekening met een uur of zes vertraging,’ had onze landlord in Johannesburg gezegd. Trouwens, waarom gingen we met de trein? Alleen arme blanken nemen nog de trein. In de Shosholoza Meyl, zei ze, is het tegenwoordig  ‘spot the pinky’, zoek de blanke. Wel was Parkstation, het treinstation van Johannesburg, een jaar of wat geleden schoongeveegd van criminelen. Maar dat betekende niet dat je er voor je plezier heen ging.

‘Never leave your bags out of sight!’ In de wachtruimte toeterde de jonge zwarte perronchef  waarschuwingen door de megafoon. ‘De dief kan zomaar naast je zitten!’ Passagiers waren druk in de weer met het aansnoeren van tassen of deden een tukje tussen de koffers. Loos alarm? Not so, zei de boomlange, zwarte jongen naast ons. Het krappe t-shirt liet zijn spieren opbollen. Hij werkte als reisgids en was hier een half jaar terug op de meest elegante manier beroofd, vertelde hij glimlachend. Een man was plotseling naast hem komen zitten. ‘Heb je gehoord van de boeven hier?,’ had hij hem toegefluisterd en met zijn kin had hij naar een donker geklede figuur in een hoek gewezen. ‘Dat zijn wij.’ Op diens dij tekende zich de vorm van een wapen af. De lange, potige jongen had alles afgegeven, portemonnee, mobiel, geld, maar mocht tweehonderd rand houden.

Na Klerksdorp, de zon is in zachte gloed achter de horizon verdwenen, de lampjes in de coupe zijn aangeklikt, maakt de trein ineens snelheid. Als een hazewind schiet het lint van wagons door de avond, gulzig bielzen vretend. Loopt onze bestuurder nu niet al te hard van stapel? Tijd voor een drankje in het barcompartiment. Nee, de bar is gesloten, zegt de dame van de restauratie nors. ‘De ijskast is kapot.’ We kunnen frisdrank bij de keuken kopen. Op het in plastic gevat menu staan hamburgers, kip met friet en pap-en-vleis. Niet voor zwakke magen.

Het beddengoed wordt al gebracht, we zinken in de kussens, drinken onze cola en luisteren naar de ka-boom van de trein. Rust. Slow traveling door de nacht nu. De raampjes laten een zachte, warme avondwind binnen en het wordt koel in de coupe. Voor nog meer verkoeling schuiven we de deur open en laten de wind door het gangpad waaien.

Ineens schiet een bruine vrouw onze coupe binnen. ‘My gat is vol van die kaffirs!’, blaft ze tegen ons. Mevrouw heeft in de afgelopen uren zeker geen cola zitten nippen. In een woest betoog verklaart ze waarom ‘haar gat vol is’: als ze door het gangpad loopt gaat het zwarte treinpersoneel nooit voor haar opzij. Geen respect meer.  ‘Ja, jullie blanken houden van ze, maar ons pakken ze.’ De Shosholoza Meyl dendert voort, de lange nacht in.

Reageer

Het slechten van hagen

De Limburger, 10 januari 2019

In mijn buurt in Maastricht rukken de hekwerken op. Het doet pijn aan de ziel. Een mooie, volle meidoornhaag wordt uit de grond gerukt en een kil hekwerk komt ervoor in de plaats. Daar wordt dan een fletse klimop tegenaan geplant om een heg na te bootsen. Ik denk aan Johannesburg, waar ik jarenlang woonde: kampioen in muren en hekwerken. Een levende haag is daar een luxe, een frivoliteit die je je niet kan veroorloven om jezelf te beschermen tegen crimineel geweld. Maar hier?

Ik denk aan de heg in de proloog van The Mind of South Africa, het monumentale boek over Zuid-Afrika van journalist Allister Sparks uit 1990, het jaar dat Nelson Mandela vrijkwam. De ‘bittere amandelhaag’ waarover hij vertelt, is de uitgestrekte heg die Jan van Riebeeck bij aankomst in de Kaap liet aanleggen om de verversingspost van de VOC af te sluiten van de inheemse bevolking. Van Riebeeck had het consigne meegekregen zich niet in te laten met de plaatselijke Khoikhoi, behalve voor het verkrijgen van vee voor vers vlees. En zo trokken de eerste Europeanen in de Kaap zich terug in hun eigen enclave, afgesneden van de rest van het Afrikaanse continent.

Die haag, schrijft Sparks, was eigenlijk tweede keus. Want Van Riebeeck had de opdracht gekregen om een gracht te graven, dwars door het Kaapse schiereiland, waardoor er een heus Europees eiland zou zijn ontstaan aan de zuidpunt van Afrika. Maar de commandeur had er de mankracht niet voor en besloot dat een haag volstond. Wie de geschiedenis van Zuid-Afrika wil begrijpen, en de rol van Europa daarin, moet het beeld van de haag onthouden: daar ontkiemde de blanke psyche van Zuid-Afrika: we zonderen ons af en nemen wat we nodig hebben van de oorspronkelijke bevolking. Apartheid was de uiterste consequentie van die psyche, van die haag.

In 2019 viert Zuid-Afrika het vijfentwintigste jaar van zijn democratie, nog altijd een duizelingwekkend wonder, want het had helemaal fout kunnen gaan. Daaraan herinnert Evita Bezuidenhout de wereld in haar laatste wekelijkse videobrief van 2018. Want Evita, het alter ego van de Zuid-Afrikaanse cabaretier Pieter-Dirk Uys, is nog altijd alive and kicking sinds deze grande dame tijdens de apartheid vilein de absurditeit van de Zuid-Afrikaanse raciale situatie aan de kaak stelde.

Er is zoveel conflict en verdeeldheid, zegt Evita, kijk naar de Brexit, kijk naar Amerika onder Trump, waarom zeggen we niet gewoon tegen de wereld: leer van Zuid-Afrika! Als wij ons met elkaar konden verzoenen, dan kan iedereen het. Waar zouden we geweest zijn als Nelson Mandela de gevangenis had verlaten vol woede? Maar hij deed iets veel slimmers. Hij bracht het oude gezegde in praktijk: ‘omhels je vijand, het zal zijn reputatie verwoesten’. En zo slechtte hij de haag tussen het apartheidsregime en de zwarte bevolking.

Een mooie les, aan het begin van het nieuwe jaar, met Nederlandse en Europese verkiezingen op stapel. De heggen zijn hoog. Laten we ons tegen elkaar uitspelen zoals in Groot-Brittannië is gebeurd of zijn we in staat tot verzoening? In elk EU-land smeult een leave-vuur dat makkelijk opgestookt kan worden. Evita’s woorden doen een appel op de redelijkheid van politici, pers en columnisten – laten we ons verleiden tot woede en extreme standpunten? Kies je ervoor makkelijk te scoren, omdat een op de spits gedreven standpunt gegarandeerd aandacht oplevert? De grootste uitdaging wordt het slechten van de psychologische haag tussen burgers en Brussel: gaat de Europese politiek het gros van de mensen bereiken dat doorgaans helemaal niet stemt? Burgers voor wie Europa het eliteproject blijft van technocraten, terwijl Europa zoveel meer is? Omhels je vijand: een verantwoordelijkheid van ons allemaal.

 

 

Reageer

Minder dingen, meer tijd

De Limburger, 28 december 2018

De afgelopen weken bogen mijn studenten zich over de vraag wat ze als kritische consumenten kunnen doen om de wereld te veranderen. Rücksichtslos sneden ze in eigen vlees, deze millennials. Hun generatie was ‘egocentrisch en lui’, schreef een studente, gewend om alles op afroep te bestellen: ‘liefhebbers van Foodora, Thuisbezorgd, Deliveroo of zelfs Uber Eats. Geen enkele andere generatie koopt zoveel als wij. Wij winkelen anytime, anyplace, anywhere.’

Wat nu? Allemaal zijn ze zich bewust van hun eigen gedrag, en zijn ze begonnen er iets aan te doen: de een is vegetarisch geworden, de ander koopt alleen nog tweedehands kleding, de derde koopt geen plastic flesjes meer. Want het kan zo niet langer, zeggen ze. Er moet een einde komen aan het snelle consumeren, aan de vervuilende kledingindustrie, aan uitbuiting en moderne slavernij, aan het verwoestende plastic in het water, aan het dierenleed en de vervuiling van de vleesindustrie…

Maar wat scheelt het, wat haalt het uit wat je zelf doet? Een grote machteloosheid daalde neer. Was het niet allemaal een druppel op een gloeiende plaat? En welke bedrijven kon je nog vertrouwen? Een student kwam erachter dat zelfs de biologische tofu die ze had gekocht totaal niet duurzaam bleek. Biologisch bleek sowieso niet slim, had een student onderzocht: het kost meer landbouwgrond en is dus slecht voor de natuur. De studenten snakten naar adem.

Neem maar afscheid van de doldwaze samenleving die het consumeren tot religie heeft verheven, stelt de historicus Philipp Blom in zijn boek Wat op het spel staat. Daarin waarschuwt hij dat er grote veranderingen op handen zijn, maar dat de grote massa geen idee heeft van wat haar te wachten staat. We slaapwandelen met open ogen, verblind door kortetermijndenken en hebzucht. Blom gaat terug in de geschiedenis en schetst het ontstaan van de consumptiemaatschappij. Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelden de Amerikanen de theorie van transformative consumerism: groeiende consumptie zou leiden tot stabiliteit en vrede. De consumerende mens kon zichzelf via consumptie een identiteit aanmeten, een gevoel van erkenning krijgen. Een huis, een auto, een wasmachine, een ijskast, meubels, porselein, kleding, schoenen, vakantie – met al die dingen kon hij laten zien dat hij iemand was, kon hij zich onderscheiden en zich gewaardeerd voelen.

Deze formule is in het welvarende westen uitgewerkt. De meeste mensen hebben de meeste dingen. Om een Wende te bewerkstelligen, zegt Blom, moeten mensen hun erkenning, ja zingeving, uit iets anders zien te halen. Dat is de crux, wil je de grote massa meekrijgen in een ommekeer. Mooi gezegd, maar hoe? Hoe ontstaat dit zonder opgelegd paternalisme: die sneakers, die auto, die jurk, die sofa, dat servies gaan u geen erkenning en geluk brengen?

Zie ik het goed, dan is er onder jongeren al een proces bezig: ze willen het consumptieve leven niet meer, of in elk geval niet als erkenning van wie ze zijn. Ze willen vooral tijd, voor muziek, voor beleving, voor het leven. En misschien zijn we minder blind: deze week was in het nieuws dat de Vegetarische Slager, het bedrijf van Jaap Korteweg, die akkerbouwer die na de varkenspestuitbraak vegetariër werd en besloot ‘vegetarisch vlees’ te gaan maken, is gekocht door Unilever. Reden: de groeiende markt voor vleesvervangers.

Zelfs bij de VVD lijken ze wakker te worden. NRC-redacteur Tom-Jan Meeus sprak de naaste adviseur van Rutte, de 66-jarige Ben Verwaayen. Wat zegt-ie? Dat grote bedrijven hun winst op duurzame wijze moeten maken, dat ze moeten inzien dat de belasting die ze afdragen geen kostenpost is maar een bijdrage aan de maatschappij.

Ik wens u voor het nieuwe jaar: minder vlees, minder kleren, minder spullen. Meer tijd.

 

Reageer

Hemingway en de gele hesjes

De Limburger, 13 december 2018

In 1937 publiceerde Ernest Hemingway zijn roman To Have and Have not. Hij was er al aan begonnen in 1933, middenin de jaren van de Grote Depressie. Hij woonde in Key West, aan de uiterste zuidpunt van Florida, zo’n 170 kilometer van Havana. Daar schiep hij Harry Morgan, de hoofdpersoon van het boek, een rauwe held met een sportvissersboot en een talent voor vissen.

Harry heeft een vrouw en drie dochters en om het hoofd boven water te houden neemt hij verveelde rijken mee op dagtripjes – opgeblazen mannen die zijn aanwijzingen negeren, waardoor ze zijn dure uitrusting naar de gallemiezen helpen. Op een dag wordt hij besodemieterd. Een klant die hij twee weken lang elke dag mee op zee nam, gaat in Key West geld halen om hem te betalen maar komt niet meer opdagen. Harry is blut en zijn visgerei is kapot.

Hij raakt verzeild in rum- en mensensmokkel en zinkt steeds dieper weg in de criminaliteit. Hij wordt beschoten, verliest een arm, zijn boot wordt geconfisqueerd. Door een advocaat komt hij in aanraking met de high society van Key West, mensen van het goede leven die hun dagen slijten op het terras, glas in de hand. Harry probeert zijn leven op de rails te krijgen, maar hij komt niet vooruit en gaat ten onder.

Hemingways roman werd met gemengde gevoelens ontvangen. Een onevenwichtig boek, met een boodschap die er te dik bovenop lag, was de kritiek. Was de grote stilist een politiek commentator geworden? Maar Hemingway zag het anders. Hij had als jonge journalist in Amerika en Europa – tijdens de Eerste Wereldoorlog en de jaren daarna, toen hij correspondent werd in Parijs – gezien wat armoede en geringschatting doet met mensen en hij maakte zich grote zorgen over de toenemende ongelijkheid. Met veel anderen deelde hij een droom van een rechtvaardiger wereld, onder wie David Bruce, een man uit de Amerikaanse expat kring waarin Hemingway zich in Parijs bewoog.

David Bruce vervulde verleden week een bijzondere rol in de oratie van Mathieu Segers, hoogleraar eigentijdse Europese geschiedenis aan de Universiteit van Maastricht. In een vlammend, urgent betoog schetste Segers hoe Bruce in Parijs verliefd werd op de Franse actrice Yvonne Printemps. Hij vond haar het toppunt van vrouwelijkheid en zag in haar de belichaming van de ware esprit van Parijs, van Europa.

Na de Tweede Wereldoorlog werd Bruce de eerste Amerikaanse ambassadeur in Parijs en hij had één grote missie: die esprit beschermen tegen een terugkerende schaduw van armoede en economische neergang die opnieuw zou kunnen leiden tot nationalisme, woede, geweld en oorlog. Vandaar het Marshall Plan, dat Europa erbovenop moest helpen; Bruce werd er in Parijs de leidsman van.

Het bestrijden van armoede werd het hart van de Amerikaanse missie in Europa. Dat hield ook in: een gevecht tegen ongereguleerde kapitaalmarkten. Controle van de kapitaalmarkt, stelde Segers, is opnieuw zeer relevant. Ooit lag de strijd tegen ongelijkheid aan de basis van de Europese integratie, maar sociale bescherming lijkt er minder en minder toe te doen. Is dat, vroeg Segers zich af, wat de gele hesjes ons willen duidelijk maken? Immers, zo zei hij, de geschiedenis heeft laten zien dat Europa heen en weer beweegt tussen licht en donker, ancien régime en revolutie.

Hemingway liet zijn roman To Have and Have Not eindigen met deze laatste woorden van zijn stervende held: ‘No matter how, a man alone ain’t got no bloody fucking chance.’ Een statement: alleen samen met anderen kan de mens zich te weer stellen tegen het kwaad, tegen het onrecht, in zijn eentje is hij niets. Daar ligt precies de opdracht van Europa.

 

 

 

 

Reageer

(Zwarte) Piet zijn wijzelf

De Limburger, 29 november 2018

Shanghai, negen jaar geleden. Op de internationale school van mijn dochter nadert de feestmaand. De school viert allerlei feesten tegelijk; ouders en kinderen verkleden zich, brengen attributen en etenswaren mee, vertellen verhalen. Chanoeka, het joodse feest van het licht, met een negenarmige kandelaar, aardappelkoekjes en dreidels, tolletjes die je kan laten draaien. Diwali, het lichtjesfeest uit India, met kinderen in kleurrijke gewaden, olielampjes van aardewerk en veel mierzoete taartjes. Sint-Lucia, het Zweedse lichtfeest, met meisjes in lange witte jurken en een lichtje op het voorhoofd, gele saffraanbroodjes en kruidendrankjes. Feesten, zo leren we, die de overwinning van het licht op de duisternis vieren, van inzicht op onwetendheid, van spiritualiteit op materialisme.

De Nederlanders vertellen over Sinterklaas, het kinderfeest met kadootjes en gedichten. Een moeder is als Zwarte Piet verkleed – zwart geschminkt, krullenpruik, rode lippen, witte kraag. Kinderen zetten hun schoen voor de haard, vertellen we, en Black Pete kruipt door de schoorsteen en stopt er gouden munten van chocola in. Vroeger kregen ze als ze stout waren met de roe en werden ze in een zak gestopt. Maar dat is allang niet meer. We lachen erbij, wat een grappig feest eigenlijk, met die vrolijke Zwarte Pieten die rondstrooien met peppernuts, gemaakt met kruiden uit onze oude koloniën.

De docenten in de klas – uit Amerika, Brazilië, Zweden – kijken bedachtzaam. Als de kinderen naar buiten zijn informeren ze omzichtig naar Black Pete. Een blanke geschminkt als zwarte, vertellen ze, dat heet bij ons black face – een zwarte belachelijk maken. Wij zijn onthutst: kijken ze zo tegen Zwarte Piet aan? Zo is het niet bedoeld, leggen we uit. Zwarte Piet veranderde door de jaren heen, vroeger was hij een knecht, maar nu is hij volledig gelijkwaardig aan Sinterklaas, wat heet, hij is inmiddels de baas – Zwarte Piet is de slimme hoofdpersoon geworden, Sinterklaas de ceremoniële bijfiguur.

‘Dus het zijn personages?’ merkte de Amerikaanse docent op. We begonnen ons ongemakkelijk te voelen. Ineens stond Zwarte Piet in een ander licht. Ontdaan van zijn vrolijke charme. Ik schaamde me een beetje om mijn onwetendheid over die zwart geschminkte toneelfiguur die door anderen werd gezien als een karikatuur van de zwarte medemens. ‘Als dat zo is, waarom verzinnen jullie dan geen witte Petes?’

Goeie vraag. Zwarte Piet is sindsdien voor mij geen issue meer. Zwarte Piet is besmet, omdat hij door anderen als een karikatuur wordt gezien. Het gaat er niet om waar de traditie vandaan komt. Het gaat er niet om wat wij ermee bedoelen. Het gaat erom dat hij door andere mensen dan wijzelf – wij die vanwege onze kinderjaren van Zwarte Piet houden – ervaren wordt als een beledigende, kwetsende figuur.

Ik kwam er laatst achter dat tijdens de intocht van Sinterklaas in Amsterdam in 1968 de Pieten zwart én wit (ongeschminkt) waren, beide in hetzelfde zeventiende-eeuwse kostuum met witte kraag en pofbroek. 1968! Een lezer van De Limburger stelde onlangs in een ingezonden brief: ‘Speel de rol van Piet in je eigen huidskleur. Een Piet als afspiegeling van de samenleving: wit, getint, zwart en zonnebankbruin.’

Geniaal idee. Zwarte Piet is een personage voor kinderen. Ooit werd hij gebruikt als pedagogisch instrument, om stoute kinderen te waarschuwen. Daarna werd hij (of zij) een vrolijke flierefluiter waar kinderen blij van werden. Nu vormen de Pieten (m/v), met de Hoofdpiet als aanvoerder, een gezellig team. Wij zijn de schrijvers van Piet, we kunnen van hem maken wat we willen, we doen er een baard bij, zetten hem een Spaanse hoge hoed op, geven hem een muziekinstrument, een paard, een fiets. Piet: dat zijn wij.

 

 

 

 

Reageer

‘Het mooiste is de verwachting’

De Limburger, 15 november 2018

Leeft Odysseus nog, de Griekse held die na zijn zege in Troje twintig jaar ronddwaalde voordat hij veilig thuiskwam? Dat vroeg ik aan de mevrouw die wacht hield bij het Olympeion in Athene. Ze zat in een van de houten keten die het droge, weidse terrein met de machtige zuilen voor Zeus omringen. De zon scheen, de hemel boven de tempelresten was kraakhelder. In de verte troonde de Rots boven de stad uit. Vanuit haar keet liet de vrouw haar ogen over het terrein gaan.

Ze leek uit een zware mist te komen, een diepe vermoeidheid, die niet van vandaag was, maar zo te zien al tijden knaagde. Eenzelfde vermoeidheid die ik had gezien bij mensen die op de stadsbussen stapten. De blik, die snel speurt naar een zitplaats. Het deegbroodje met feta dat uit een tas verschijnt en lusteloos verorberd wordt. Het getekende gezicht, de goedkope schoenen.

Ze leken personages uit het boek Something Will Happen, You’ll See van de Griekse schrijver Christos Ikonomou, een van de meest besproken Griekse boeken van de laatste jaren en vertaald in zes talen. Ik begrijp wel waarom: het is de dagelijkse Griekse realiteit die onversneden wordt opgedist: je wordt de havenwijk van Piraeus ingezogen, je gaat op bezoek bij mensen met kleine banen en kleine inkomens die langzaam hun bestaan verliezen: hun werk, hun woning, hun inkomen, hun toekomst. Het literaire zinnebeeld van de Griekse crisis.

Er werd gedemonstreerd in Athene. Eerst kwamen de oudere ambtenaren in rustige stoet voorbij, ze protesteerden tegen een salarisverlaging. De volgende dag was het de beurt aan jonge anarchisten/communisten die zich boos maakten over de lange werkdagen en de lage lonen in de horeca. Meteen was er oproerpolitie op de been, met hardplastic schilden en wapenstokken. In sommige wijken komt de politie niet meer, hoorde ik. Een hogedrukpan van frustraties en woede zorgt voor geweld in het radicaal-linkse en -rechtse spectrum: anarchisten die brand stichten, Gouden Dageraad-extremisten die migranten terroriseren.

In de buitenwijken hangen jongeren werkloos rond. Ik heb het leven van verwaarloosde jongeren zonder perspectief meebeleefd, door de film Park van de Griekse regisseuse Sofia Exarchou. Zij houdt je diep en lang onder water. Plaats van handeling: het Olympisch Park, tien jaar na de Spelen, een troosteloze plek waar jongeren gewelddadige spelletjes spelen met honden en met elkaar. Het rijkere deel van Europa verschijnt in de vorm van feestende, in drank gedrenkte toeristen op het strand. Naar lucht happend keek ik de film uit.

Toch blijven veel Grieken goedgehumeurd. Altijd in voor een praatje, een verhaal. Hoe kon dat? ‘Als het slechter gaat, moet je vrolijker praten,’ zei een boekhandelaar op het Exarchion-plein bondig. Daarom vroeg ik me af: biedt de grote klassieke Europese dichter nog troost? Leven de verhalen van Homerus nog? Want boven de Rots, de Akropolis, verschijnt nog steeds de rozevingerige dageraad, zoals hij het ochtendrood steevast noemt in de Odyssee, het boek over Odysseus’ omzwervingen. Want op de boot naar de eilanden vanuit Piraeus rijgen de bergruggen zich nog steeds als een halsketting aaneen, precies zoals tweeduizend jaar geleden. Als je goed luistert, hoor je de sirenes zingen.

De mevrouw in de keet was tot leven gekomen. Ze antwoordde in aarzelend Engels. ‘Oh yes,’ zei ze. Ze kende nog steeds regels van de Odyssee uit haar hoofd. Ze glimlachte en begon te reciteren. Ik luisterde naar de klanken. Prachtig, zei ik. Welk fragment? ‘Als hij thuiskomt,’ zei ze, ‘als Odysseus thuiskomt.’ Waarom? vroeg ik. ‘Waarom?’ Ze keek me ineens fel aan. ‘Is dat niet het mooiste in het leven, de verwachting?’

 

 

 

 

 

Reageer

Sterker Europa kan graaiers stoppen

De Limburger, 1 november 2018

Middenin de crisis, terwijl ze overeind werden gehouden met belastinggeld, waren Europese banken bezig met ‘dividendstrippen’: door aandelen rond te laten cirkelen vroegen bankiers onterecht en deels illegaal dividendbelasting terug. In Duitsland dook dit dossier voor het eerst op. Door onderzoek van journalisten werd het een nationaal schandaal en in 2016 kwam er een groot strafrechtelijk onderzoek. Binnenkort worden daarin de eerste aanklachten verwacht. Volgens schattingen zou Duitsland 30 miljard euro misgelopen zijn aan belastinginkomsten – de grootste belastingroof in de Duitse geschiedenis.

Het Duitse onderzoeksplatform Correctiv was er gaandeweg achter gekomen dat de Duitse journalisten op het topje van de ijsberg waren gestoten. Nu het deksel van de dividendcarrousel was gelicht, bleek het spel gespeeld te worden in tal van Europese landen. Ook Nederland blijkt het slachtoffer van belastingroof door bankiers. De Nederlandse fiscus is mogelijk 152 miljoen kwijt aan dividendstrippen door de Amerikaanse bank Morgan Stanley. Bovendien is de voormalige dochter van de Rabobank, het Zwitserse Sarasin, een belangrijk doelwit van het Duits strafrechtelijk onderzoek. Sarasin, tot 2012 in handen van de Rabobank, was in 2010 en 2011 betrokken bij frauduleuze transacties.

Correctiv nam het initiatief tot een nauwe samenwerking van diverse media in Europa. Inmiddels zijn negentien media uit twaalf verschillende landen in een dossier gedoken van meer dan 180 duizend pagina’s: de Cum-Ex Files. Het dividendstrippen blijkt Europese overheden zeker 55,2 miljard euro te hebben gekost: de grootste belastingroof in de Europese geschiedenis. Bankiers en handelaren gebruikten twee technieken om de belastingdienst te rippen: CumCum en CumEx. Bij CumCum vroegen ze dividendbelasting terug, terwijl ze eigenlijk niet voor teruggave in aanmerking kwamen. Dit is onterecht, maar legaal. Bij CumEx vroegen ze meerdere keren (soms wel tien keer) dividendbelasting terug, terwijl ze die maar één keer mochten krijgen. Dit is illegaal. Mogelijk gaan de praktijken ook vandaag nog gewoon door.

Dit grote, transnationale journalistieke onderzoek laat zien dat er méér Europa nodig is, althans: een Europa met harde afspraken en scherp toezicht op de financiële markten. Alleen op Europees niveau kun je dit enorme onrecht aanpakken: miljarden die worden verkwanseld door gebrek aan democratisch bestuur en die dus niet kunnen worden geïnvesteerd in publieke zaken. Als de kapitaalmarkten niet op Europees niveau worden aangepakt, zal het populisme blijven groeien en zullen niet alleen de Italianen hun eigen begrotingskoers willen bepalen. Europa kan niet langer alleen het Europa van de markt zijn, het moet nu haar sociale gezicht laten zien.

Het onderzoek laat ook zien hoe belangrijk het is geworden dat journalisten Europees samenwerken en informatie uitwisselen. Grote, urgente onderwerpen spelen op het hele continent. Uitbuiting van werknemers door bedrijven die naar mazen in de wetgevingen van diverse landen speuren, is zo’n onderwerp. Ryan Air is een actueel voorbeeld van een bedrijf dat door strengere Europese regelgeving tot de orde geroepen zou kunnen worden. Topman Michael O’Leary – ‘het kan nog goedkoper’ – is het voorbeeld van de ondernemer die we niet meer moeten willen. Hetzelfde geldt voor misbruik van Europese werknemers in de bouw en het vrachtvervoer. En er had in Nederland helemaal geen discussie over de dividendbelasting – ‘het vestigingsklimaat verbeteren’ – hoeven zijn als die belasting gewoon Europees geregeld was.

De ongecontroleerde kapitaalmarkten, de afkalving van de Europese sociaal-democratie en de opkomst van het populisme gaan hand in hand. Het is het resultaat van een vervreemding van grote groepen burgers die zich niet langer vertegenwoordigd voelen. Zoals de grote Nederlandse dichter Lucebert schreef: in deze tijd heeft schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand’. Het is de hoogste tijd voor een Europa met een sociaal, menselijk gezicht.

 

 

Reageer

Distressed

De Limburger, 18 oktober 2018

Distressed is een woord dat de kledingbranche gebruikt om een verhaal te vertellen. Het dragen van distressed jeans – een versleten, gescheurde spijkerbroek – biedt de consument een stijl: stoer, edgy, van de straat. Niet alleen jongeren lopen erin, ook ambtenaren en ceo’s in hun vrije tijd. De versleten spijkerbroek gaat ver terug. In de jaren zeventig was ik zelf bezig mijn spijkerbroek valer te maken met schuurpaper. Iggy Pop, de godfather of punk, ultieme vertegenwoordiger van verzet tegen alles, beklom het podium in jeans met gescheurd kruis, balls and all.

Met de gescheurde spijkerbroek worden inmiddels kapitalen verdiend door grootbedrijven in de kledingindustrie. Van Zara tot Dolce & Gabbana – distressed jeans vertellen het verhaal van klanten die door ‘distressed detailing’ een gepersonaliseerde spijkerbroek verwerven die hun individualiteit benadrukt. Wie had het ooit gedacht, Iggy Pop als modemerk: Iggy Skinny is inmiddels de naam van een broek, geïnspireerd op de jeans die hij droeg op de cover van zijn album The Idiot.

Die geïndividualiseerde scheuren die verkocht worden, zijn het werk van talloze jonge meisjes en jongens in voornamelijk Aziatische landen. Met gevaarlijke en vervuilende technieken scheppen ze de illusie van slijtage – lang geleden was versleten kleding een teken van hard werken en armoede. Hoe ironisch. Arbeiders in een hoop lagelonenlanden maken slopende uren en verdienen nog steeds een habbekrats. Langzamerhand is iedereen wel doordrongen van de enorme misstanden. Maar bij de grote kledingbedrijven heerst een oorverdovend gebrek aan transparantie.

Tijd voor rumoer, vindt een groepje studenten van de opleiding Interdisciplinary Arts in Maastricht. Onder de noemer ‘Distressed! How Dirty Are Your Clothes?’ vragen ze aandacht voor de destructieve kledingindustrie en de rol van de consument hierin. Ze raapten kleren op die ze langs de oevers van de Maas vonden en volgden het spoor terug naar hoe deze ooit gemaakt werden, naar de industrie: hoe is het mogelijk, vroegen ze zich af, dat kleren die met zoveel vervuiling en uitbuiting zijn gemaakt, zo achteloos worden weggegooid?

Van de opgeviste kledingstukken naaiden de kunststudenten zelf nieuwe kleding en hingen die in hun pop-up zaak Distressed in het centrum van Maastricht, pal naast fast fashion kledingzaak Zara. Rokken, broeken, een cocktailjurkje – gebleekt, versleten, gescheurd, distressed door de natuur. Denk na voordat je snelle kleding koopt die je daarna weer even snel dumpt, is wat de studenten de bezoekers op het hart drukken. In hun begeleidende magazine kun je lezen over hoe schandalig bijvoorbeeld Inditex, het miljardenconcern waartoe ook Zara behoort, omgaat met haar werknemers, en hoe hele dorpen in China en India vergiftigd worden door de lozing van kledingchemicaliën.

Distressed is een woord dat studenten gebruiken om een verhaal te vertellen. Het dragen van snelle kleding is een statement: je loopt in kleren die stinken, van de giftige chemicaliën en het nachtzweet van de overwerkte arbeider. Het is een urgent verhaal – distressed zijn ze – het Engelse woord drukt het uit: van streek, ontredderd, verontrust, geschokt. Tijd dus, voor een campagne a la Wakker Dier, maar dan voor de kledingindustrie. Een campagne die de industrie opschudt en de consument wakker kust.

Misschien kan iemand die geld teveel heeft (er zijn in Nederland weer miljonairs bijgekomen) zorgen dat Distressed! een campagne wordt. Misschien kan de Provincie, die het project ondersteunde, een tandje bij zetten? Misschien is Tom Dumoulin bereid om een uniek Distressed shirt – versleten en gebleekt in de Maas, ontworpen door studenten uit Maastricht -te dragen tijdens de volgende Ridderronde? Dat zou nog eens regio-branding zijn. Niet alleen een grote wielrenner komt uit Limburg, maar ook een kritische club die de destructieve kledingindustrie ter verantwoording roept.

 

 

 

Reageer

Vrouwen in de lift

De Limburger, 4 oktober 2018

Afgelopen week stuitte ik op diverse verhalen waar ik erg vrolijk van werd. In Washington zetten twee vrouwen hun voet tussen de liftdeur en dwongen zo de Amerikaanse senator Jeff Flake naar hen te luisteren. Flake had nét bekendgemaakt dat hij vóór kandidaat-opperrechter Brett Kavanaugh zou stemmen. De vrouwen hielden de liftdeur tegen en deden hun verhaal – over het misbruik dat henzelf was overkomen. De senator wierp wanhopige blikken op de liftknoppen in de hoop dat de deur snel zou sluiten en keek weg. ‘Kijk me aan!,’ beval een van de twee, ‘ga je me zeggen dat wat mij is overkomen er niet toe doet? Dat wat al deze vrouwen is overkomen onbelangrijk is?’

Het was een ijzersterke zet, die voortkwam uit pure emotie. Emotie die ertoe doet: of Kavanaugh nu schuldig is of niet, het minste dat je als regering kan doen is een onderzoek instellen. Dat is wat Flake even later besloot: hij vroeg om uitstel van de benoeming van Kavanaugh, zodat de beschuldigingen van seksueel misbruik kunnen worden onderzocht. De voet tussen de deur als beeld van de volharding en urgentie van twee gewone Amerikaanse vrouwen – dat stemt optimistisch. De liftvrouwen, een geuzennaam inmiddels, laten zich niet wegduwen, en gaan nog een stap verder, ze zeggen: je mag niet wegkijken, je bent medeverantwoordelijk voor wat er gebeurt.

In Limburg zit een man die dat lijkt te begrijpen – dat je als man medeverantwoordelijk bent voor de bedreigingen en kansen van vrouwen: Feike Sijbesma, de baas van DSM. In een interview in Forum, het opinieblad van de werkgevers, las ik een hele serie vrolijkstemmende uitspraken van hem. Kop: ‘Nog meer mannen brengen mij geen nieuwe inzichten.’ Sijbesma wil meer topvrouwen bij DSM – omdat het goed is voor het bedrijf, voor vrouwen en voor de maatschappij. Door ervoor te zorgen dat meer vrouwen zich ontwikkelen in zijn bedrijf groeit er een ‘pool van vrouwen met potentieel’.

Het glazen plafond? Wordt door mannen zelf gecreëerd. ‘Als bedrijf moet je kijken welke remmende factoren er in de organisatie zijn en die weghalen. Het is voor vrouwen een uphill battle als je dat niet doet.’ Ceo’s die zeggen dat ze geen topvrouwen kunnen vinden: onzin. Ja, het kan wat langer duren voordat de search de juiste vrouw oplevert. Maar de oplossing is simpel: ‘Je moet wel de guts hebben net iets langer door te zoeken.’ Toen Sijbesma in 2007 begon, bestond de top-300 van DSM uitsluitend uit mannen. Nu zitten er vijftig vrouwen in. Nog lang niet genoeg, maar wel al een kritische massa die nieuwe inzichten brengt.

Nieuwe inzichten: Kina Koster, bestuursvoorzitter van een Limburgse zorginstelling, loopt ervan over. Van een interview met haar in deze krant spatte de energie: tekorten in personeel gaat ze te lijf door de bureaucratie creatief aan te pakken: verpleegkundigen krijgen binnenkort een headset – ze praten in een microfoontje en hoeven niets meer te noteren. Scheelt uren. Mantelzorgers krijgen geld voor de zorg van een familielid. ‘Zo iemand voelt zich gewaardeerd en het geeft rust en regelmaat.’ Koster is de énige vrouwelijke bestuursvoorzitter in de ouderenzorg in de regio – absurd: aan de top zitten mannen en op de werkvloer vrouwen. Koster: ‘Maak me niet wijs dat er geen goede vrouwen zijn, want ik wijs ze je met de neus aan.’

In Washington krijgt de FBI een week om onderzoek te doen. In een intrigerende column in The New York Times schreef James Comey, de door Trump ontslagen baas van de FBI, dat de dienst meer kan doen dan we denken. Met dank aan de vrouwen in de lift.

 

Reageer

« Vorige items Volgende pagina » Volgende pagina »